Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1588

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.358.985/01 en 200.358.979/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:450 BWArt. 1:452 BWArt. 1:431 BWArt. 1:435 BWWet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging mentorschap en bewindvoering wegens gevorderde dementie

De betrokkene, gediagnosticeerd met Alzheimer in 2019, is door de kantonrechter onder mentorschap en bewind gesteld vanwege haar geestelijke en lichamelijke toestand. Zij is het hier niet mee eens en verzoekt vernietiging van deze beschikkingen of benoeming van een andere mentor en bewindvoerder uit haar familiekring.

Het hof heeft de feiten en medische rapporten beoordeeld en concludeert dat de betrokkene duurzaam niet in staat is haar belangen zelf waar te nemen. De professionele mentor en bewindvoerder zijn noodzakelijk om haar belangen te beschermen, mede vanwege vermoedens van financieel misbruik door de door betrokkene gewenste mentor.

De betrokkene en haar familieleden zijn gehoord, waarbij de zonen de huidige situatie ondersteunen. Het hof wijst het verzoek tot wijziging af vanwege gegronde redenen tegen de voorkeur van betrokkene en bevestigt het belang van professionele begeleiding.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De bestreden beschikkingen van de kantonrechter worden bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het mentorschap en bewindvoering en wijst het verzoek tot wijziging af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.358.985/01 en 200.358.979/01
zaaknummers rechtbank: 11654414 MB VERZ 25-257 mh en
11654413 BM VERZ 25-1108 mh
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de betrokkene,
advocaat: mr. I.E. van der Bijl te Amsterdam,
Het hof heeft in de zaak met nummer 200.358.985/01 (mentorschap) als belanghebbenden aangemerkt:
- [naam 1] ,
- [naam 2] ,
- [naam 3] h.o.d.n. Samen met [naam 4] en
- [naam 5] .
Daarnaast heeft het hof als informant in deze zaak aangemerkt:
- KOA Kantoor voor Ondersteuning B.V.
In de zaak met nummer 200.358.979/01 (bewindvoering) heeft het hof als belanghebbenden aangemerkt:
- [naam 1] , hierna: [naam 1] ,
- [naam 2] , hierna: [naam 2] ,
- KOA Kantoor voor Ondersteuning B.V., hierna: de bewindvoerder of KAO B.V., en
- [naam 5] , hierna mede te noemen: [naam 5] .
Daarnaast heeft het hof in deze zaak als informant aangemerkt:
- [naam 3] h.o.d.n. Samen met [naam 4] , hierna: de mentor,

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of een mentor en bewindvoerder nodig zijn voor de betrokkene. De kantonrechter heeft bij twee afzonderlijke beschikkingen een mentorschap ten behoeve van de betrokkene ingesteld en de goederen van de betrokkene onder bewind gesteld. Samen met [naam 4] is benoemd tot mentor en KAO B.V. is benoemd tot bewindvoerder.
De betrokkene is het daar niet mee eens en vindt dat het verzoek tot het benoemen van een mentor en het verzoek tot benoeming van een bewindvoerder alsnog moeten worden afgewezen. Als het hof oordeelt dat er wel een mentor en bewindvoerder nodig zijn wil de betrokkene dat [naam 5] of de broer of neef van [naam 5] als mentor en bewindvoerder wordt benoemd.
1.2
De mentor en de bewindvoerder zijn het wel eens met de bestreden beschikkingen.

2.De procedure in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.358.985/01 (mentorschap)
2.1
De betrokkene is op 5 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
6 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie, Alkmaar (hierna: de kantonrechter).
In de zaak met zaaknummer 200.358.979/01 (bewindvoering)
2.2
De betrokkene is op 5 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter.
In beide zaken
2.3
De mentor en de bewindvoerder hebben op 28 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de betrokkene van 15 oktober 2026 met bijlagen;
- een bericht van de mentor en bewindvoerder van 2 april 2026, en
- een bericht van de betrokkene van 9 april 2026 met bijlagen.
2.5
De zitting heeft op 15 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de betrokkene,
- de mentor en bewindvoerder, bijgestaan door hun advocaat mr. A. Stoel,
- [naam 1] , en
- [naam 2] .
[naam 5] is, alhoewel op een juiste wijze door de griffier opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Het hof heeft ter zitting na partijen daarover te hebben gehoord, besloten om niet met betrokkene te praten over de verzoeken die voorliggen. Na bespreking met de ter zitting verschenen belanghebbende is het hof tot het oordeel gekomen dat het voeren van een gesprek met betrokkene voor haar te belastend is en ook niet zinvol.

3.De feiten

3.1
De betrokkene is twee keer getrouwd geweest. Zij heeft twee zonen uit haar eerste huwelijk, [naam 2] en [naam 1] . Het eerste huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Haar tweede echtgenoot is overleden. De betrokkene is in 2019 gediagnosticeerd met Alzheimer.
3.2
De betrokkene is van 18 februari 2025 tot 20 maart 2025 opgenomen geweest in zorginstelling [X] te [plaats A] .
3.3
Bij beschikking van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, een machtiging tot opname en verblijf van de betrokkene verleend als bedoeld in de Wet zorg en dwang (Wzd) tot 13 april 2026. Deze machtiging is vervolgens met een periode van vijf jaar verlengd. Betrokkene verblijft thans in een voorziening van de Stichting [XX] te [plaats C] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikkingen van 6 juni 2025, op verzoek van zorginstelling [X] , ten behoeve van de betrokkene een mentorschap ingesteld, met benoeming van Samen met [naam 4] tot mentor en een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de betrokkene met benoeming van KAO B.V. tot bewindvoerder, telkens wegens de lichamelijke/geestelijke toestand van de betrokkene.
4.2
De betrokkene verzoekt, samengevat, primair, met vernietiging van de bestreden beschikkingen, dat de verzoeken tot het instellen van een mentorschap en onderbewindstelling alsnog worden afgewezen en het bewind dan wel het mentorschap wordt opgeheven. Subsidiair verzoekt de betrokkene te bepalen dat de heer [naam 5] , de heer [naam 6] , dan wel de heer [naam 7] tot mentor en bewindvoerder wordt benoemd met, indien nodig, ontslag van Samen met [naam 4] en KAO B.V.
De betrokkene verzoekt doorhaling respectievelijk inschrijving van een en ander in het Centraal curatele- en bewindregister.
4.3
De mentor en de bewindvoerder verzoeken het hof de bestreden beschikkingen te bekrachtigen met veroordeling van [naam 5] in de kosten van deze procedure.

5.De motivering van de beslissing

De wettelijk kaders
Mentorschap
5.1
Uit artikel 1:450, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap kan instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Op grond van 1:452, derde lid, BW volgt dat de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
Bewind
5.2
Uit artikel 1:431, eerste lid onder a, BW volgt dat de rechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Op grond van artikel 1:435, eerste lid, BW volgt dat de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
De standpunten
5.3
De betrokkene vindt dat het mentorschap en de onderbewindstelling niet nodig zijn. Zij stelt dat zij zowel lichamelijk als geestelijk in staat is zelf haar persoonlijke zaken te regelen. Dit geldt zowel voor haar vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke zaken.. De rechtbank heeft de betrokkene niet gehoord. Door haar niet te horen heeft de rechtbank haar geestelijke en lichamelijk toestand niet kunnen waarnemen en hierdoor heeft de rechtbank een verkeerde beslissing genomen. Mocht een mentorschap en een bewindvoering noodzakelijk worden geacht, dan wenst de betrokkene dat [naam 5] , of zijn broer of neef, de mentor en bewindvoerder wordt. Dit blijkt ook uit haar concept-levenstestament dat in februari 2025 is opgesteld. Ook de jaarbeloningen voor de mentor en de bewindvoerder zijn ten onrechte vastgesteld. De door de betrokkene voorgestelde mentoren/bewindvoerders wensen geen beloning waardoor zij meer geld overhoudt. Een professioneel mentor of bewindvoerder is onnodig.
5.4
De mentor en de bewindvoerder voeren gemotiveerd verweer. De betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, passend bij vergevorderde dementie. Zij kan haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen al geruime tijd niet zelf waarnemen. Een professionele mentor en bewindvoerder zijn nodig omdat zij zorgen voor een objectieve behartiging van de belangen van de betrokkene. De mentor en de bewindvoerder vermoeden, net zoals de zonen van de betrokkene, dat [naam 5] een relatie is aangegaan met de betrokkene om toegang te krijgen tot haar financiële middelen. De inhoud van het concept-levenstestament is in lijn met deze vermoedens. [naam 5] heeft, met hulp van zijn broer, misbruik gemaakt van de kwetsbare situatie van de betrokkene. De rekening van de betrokkene is omgezet in een zogenaamde en/of rekening op naam van [naam 5] en de betrokkene. Van deze rekening is een bedrag van ruim € 98.000,- overgeboekt naar een rekening van [naam 5] . Verder werd de betrokkene slecht verzorgd door [naam 5] en heeft hij haar, tegen medisch advies in, weggehaald uit een zorginstelling . De betrokkene en het vermogen van betrokkene moet worden beschermd en, gelet op het vorengaande moet deze bescherming worden uitgevoerd door professionals. Het is dan ook in het belang van de betrokkene dat de mentor en bewindvoerder benoemd blijven.
5.5
[naam 1] en [naam 2] , de zonen van de betrokkene, hebben ter zitting verklaard dat zij het eens zijn met de bestreden beschikkingen. Bewindvoering en mentorschap zijn noodzakelijk, gelet op haar gevorderde Alzheimer. Zij willen voorts dat hun moeder zowel met betrekking tot haar vermogensrechtelijke als haar niet-vermogensrechtelijke belangen in bescherming wordt genomen tegen de schadelijke bemoeienis van [naam 5] , zijn broer en mogelijk zijn neef. Ten tijde van het opmaken van het concept-levenstestament leed de betrokkene al aan Alzheimer. [naam 5] heeft de betrokkene slecht verzorgd, heeft haar financieel benadeeld en dat betreuren [naam 1] en [naam 2] . Zij zijn tevreden over de huidige mentor en bewindvoerder.
De beoordeling van het hof
5.6
Het hof zal eerst beoordelen of de kantonrechter terecht en op juiste gronden ten behoeve van de betrokkene een bewindvoering en mentorschap heeft ingesteld wegens haar lichamelijke en/of geestelijke toestand.
5.7
Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de gronden voor een bewind en mentorschap ten tijde van de bestreden beschikkingen aanwezig waren en nog steeds zijn. Daarvoor acht het hof van belang dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de betrokkene kwetsbaar is en lijdt aan een vorm van dementie. Uit de stukken blijkt dat de betrokkene in 2019 is gediagnosticeerd met Alzheimer. In 2025 heeft zij haar heup gebroken en is zij opgenomen in een zorginstelling. De specialist ouderengeneeskundige van deze zorginstelling heeft in deze periode geconstateerd dat de betrokkene door haar cognitieve beperkingen niet meer in staat was haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen en evenmin in staat was haar persoonlijke zaken zelf te kunnen regelen; de betrokkene kon dit niet meer overzien. De zorginstelling heeft de kantonrechter dan ook verzocht een mentorschap en bewind in te stellen ten behoeve van de betrokkene.
Voor het hof is hiermee duidelijk geworden dat bij de betrokkene sprake is van een niet omkeerbare ernstige cognitieve beperking als gevolg waarvan zij duurzaam niet meer in staat is haar vermogensrechtelijke en ook haar niet-vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te kunnen waarnemen. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank, gelet op voorgaande, terecht ten behoeve van de betrokkene een mentorschap en bewind ingesteld.
Ook op dit moment acht het hof een mentorschap en onderbewindstelling noodzakelijk en in het belang van de betrokkene. Na de bestreden beschikkingen is de betrokkene, mede door inzet van de mentor en de bewindvoerder, in het kader van de Wzd gedwongen opgenomen om ernstig nadeel onder meer ten aanzien van haar lichamelijke, psychische en financiële situatie te voorkomen. Daarbij is onder andere overwogen dat de betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten uitgebreide cognitieve stoornissen in alle domeinen passend bij vergevorderde dementie. Zij verblijft nu en de komende tijd in een zorginstelling. De mentor en de zonen van de betrokkene hebben ter zitting toegelicht dat de betrokkene niet in staat is haar wil te bepalen en dat haar situatie niet meer zal verbeteren. Concluderend is de betrokkene als gevolg van haar geestelijke of lichamelijke toestand ten tijde van de bestreden beschikkingen, en thans niet in staat haar vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen waardoor naar oordeel van het hof een mentorschap en onderbewindstelling aangewezen zijn.
5.8
Nu het hof het bewind en mentorschap in stand laat, komt het hof toe aan het subsidiaire verzoek van de betrokkene om [naam 5] , dan wel zijn broer of neef, als mentor en bewindvoerder te benoemen. Voor de beoordeling van dit verzoek acht het hof het volgende van belang. Er bestaan bij de mentor, de bewindvoerder en de zonen van de betrokkene grote zorgen over de bemoeienis van [naam 5] en zijn familie bij de betrokkene en bij haar financiële situatie. Gebleken is dat in de afgelopen periode grote geldbedragen vanuit genoemde en/of rekening van de betrokkene zijn overgemaakt naar de rekening van het bedrijf van [naam 5] . Deze bedragen zijn, ondanks verzoeken daartoe van de bewindvoerder, nog niet teruggestort.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er gegronde redenen zijn die zich verzetten tegen de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene voor de door haar genoemde bewindvoerders. Het hof acht het in het belang van de betrokkene dat de door de kantonrechter benoemde professionele bewindvoerder de belangen van betrokkene blijven behartigen.
Ten aanzien van de te benoemen mentor overweegt het hof het navolgende. De zonen hebben hun zorgen uitgesproken over de wijze waarop [naam 5] de verzorging van de betrokkene voor haar opname in een instelling heeft uitgevoerd. Verder is gebleken dat de betrokkene, nadat zij haar heup had gebroken, tegen het advies van artsen in door [naam 5] uit de zorginstelling is meegenomen naar haar huis. Voorts weegt het hof mee dat [naam 5] van de zorginstelling waar de betrokkene verblijft inmiddels een contactverbod opgelegd heeft gekregen, nadat hij zonder toestemming de betrokkene probeerde te bezoeken en daarbij intimiderend en bedreigend gedrag vertoonde. Het hof is van oordeel dat deze situatie maakt dat [naam 5] ook het mentorschap niet kan uitoefenen op een wijze die in het belang van betrokkene is. Dat de broer en/of de neef als mentor zouden moeten worden benoemd is gelet hierop evenmin uitvoerbaar. Het hof is dan ook van oordeel dat er gegronde redenen zijn die zich verzetten tegen de kennelijk uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene voor de door haar genoemde mentoren en acht het hof het in haar belang dat de door de kantonrechter benoemde professionele mentor de belangen van betrokkene zal blijven behartigen.
Dat de betrokkene in een concept levenstestament een keuze heeft gemaakt voor [naam 5] als bewindvoerder, of de broer dan wel de neef, maakt dit niet anders omdat het levenstestament niet definitief is gemaakt. Het subsidiaire verzoek van de betrokkene zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
5.1
De mentor en de bewindvoerder verzoeken [naam 5] te veroordelen in de (proces)kosten van het hoger beroep. Het hof gaat niet mee in dit verzoek gelet op de aard van deze procedure. De kosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaken met zaaknummer 200.358.985/01 en 200.358.979/01:
bekrachtigt de bestreden beschikkingen van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 6 juni 2025;
wijst af het anders of meer verzochte;
compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. M. T. Hoogland en mr. J. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.