Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1538

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
200.358.612
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 lid 3 onder b RvArt. 66 Boek 3 BWWet Bestuur en Toezicht RechtspersonenWet op de notarisambt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht tegen toegevoegd gerechtsdeurwaarder over exploot en loonbeslag ongegrond verklaard

Klager diende een klacht in tegen de toegevoegd gerechtsdeurwaarder wegens vermeende tekortkomingen bij het exploot, het niet reageren op verzoeken om informatie en het leggen van loonbeslag zonder gerechtelijke uitspraak. De klacht was eerder deels gegrond verklaard door de kamer voor gerechtsdeurwaarders, die een waarschuwing oplegde en een kleine kostenvergoeding toekende.

In hoger beroep stelde klager ook dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder onbevoegd was, maar dit werd als nieuwe klacht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof oordeelde dat het exploot voldeed aan de wettelijke eisen, dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder wel degelijk binnen een redelijke termijn had gereageerd en dat het loonbeslag was gelegd op basis van een geldig vonnis van de kantonrechter.

De eerdere maatregel en kostenveroordeling werden vernietigd en de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. De kosten van het hoger beroep blijven voor rekening van klager. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren op 9 juni 2026.

Uitkomst: De klacht tegen de toegevoegd gerechtsdeurwaarder is ongegrond verklaard en de eerdere maatregel en kostenveroordeling vernietigd.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.358.612/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/755899 / DW RK 24/312
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 9 juni 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
gemachtigde: A. van Dijk,
tegen
[geïntimeerde] ,
voorheen toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: L. Visser.
Partijen worden hierna klager en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder genoemd.

1.De zaak in het kort

Ten laste van klager is executoriaal derdenbeslag gelegd onder zijn werkgever.
De toegevoegd gerechtsdeurwaarder heeft het proces-verbaal van het gelegde beslag bij exploot aan klager betekend. Klager verwijt de toegevoegd gerechtsdeurwaarder dat a) het exploot niet voldoet aan de wet, b) er niet wordt gereageerd op verzoeken om informatie en c) er loonbeslag is gelegd zonder een onderliggende rechterlijke uitspraak. Het hof verklaart de klacht ongegrond. Een in hoger beroep geformuleerde nieuwe klacht is niet-ontvankelijk.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 1 september 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 6 augustus 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:82). Op 17 september 2025 heeft klager zijn beroepschrift aangevuld.
2.2.
De toegevoegd gerechtsdeurwaarder heeft op 17 oktober 2025 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 1 april 2026. De gemachtigde van klager is verschenen. Namens de toegevoegd gerechtsdeurwaarder is verschenen [naam] . Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klager deels aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Klager en de toegevoegd gerechtsdeurwaarder zijn niet verschenen.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Bij (verstek)vonnis van de kantonrechter te [plaats 1] van 2 augustus 2023 is klager veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.
3.2.
Bij exploot van 25 augustus 2023 is het vonnis van 2 augustus 2023 aan klager betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
3.3.
Op 29 juli 2024 is ten laste van klager executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van klager.
3.4.
Bij exploot van 6 augustus 2024 heeft de toegevoegd gerechtsdeurwaarder het exploot van derdenbeslag aan klager betekend.
3.5.
Bij brief van 12 augustus 2024 heeft klager de toegevoegd gerechtsdeurwaarder om aanvullende informatie en documenten verzocht.
3.6.
Bij brief van 20 augustus 2024 heeft klager de toegevoegd gerechtsdeurwaarder herinnerd aan zijn brief van 12 augustus 2024.
3.7.
Vanuit het kantoor van de toegevoegd gerechtsdeurwaarder is op 23 augustus 2024 aan klager het volgende e-mailbericht gestuurd:

Geachte heer/mevrouw,
Ik heb uw schrijven van 21 augustus j.l. ter kennisneming aangenomen.
Alle relevante informatie met betrekking tot de vordering en het loonbeslag hebben wij u reeds doen toekomen.
U geeft aan dat deze stukken niet volstaan en dat u verdere stappen gaat ondernemen.
Wij zien uw berichtgeving via de door u genoemde instanties te zijner tijd vanzelf tegemoet (…).”

4.De klacht

4.1.
Klager beklaagt zich samengevat over het volgende:
a. het exploot voldoet niet aan de wettelijke eisen die worden gesteld door de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR) en meerdere eisen volgens het Burgerlijk Wetboek;
b. de toegevoegd gerechtsdeurwaarder heeft niet gereageerd op vragen om aanvullende informatie;
c. er is geen gerechtelijke uitspraak voor het gelegde loonbeslag.
Nieuwe klacht
4.2.
In hoger beroep heeft klager verder aan de orde gesteld dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder ten tijde van de verweten gedragingen onbevoegd was. Van een opheffing van een eerdere schorsing van de toegevoegd gerechtsdeurwaarders is niet gebleken, zodat zij onbevoegd was om ambtshandelingen te verrichten, aldus klager.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de toegevoegd gerechtsdeurwaarder op klachtonderdeel b gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Aan de toegevoegd gerechtsdeurwaarder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarnaast heeft de kamer de toegevoegd gerechtsdeurwaarder veroordeeld tot betaling aan klager van een bedrag van € 50,- aan griffierecht en een bedrag van € 50,- aan proceskosten.
Klachtonderdeel a: het exploot voldoet niet aan de wettelijke eisen.
5.2.
Klager stelt dat het in opdracht van Stedin uitgebrachte exploot van 6 augustus 2024 niet de naam van een natuurlijke persoon bevat. Stedin is een rechtspersoon en een rechtspersoon kan, aldus klager, zelf geen rechtshandelingen verrichten zonder dat uit het exploot duidelijk blijkt door wie Stedin wordt vertegenwoordigd. Klager verwijst in dit verband, onder meer, naar de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WTBR) en naar de artikelen 45 lid 3 onder b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) juncto artikel 66 boek Pro 3 Burgerlijk Wetboek.
5.3.
De toegevoegd gerechtsdeurwaarder brengt naar voren dat het exploot wel voldoet aan de wettelijke eisen.
5.4.
Het hof is met de kamer van oordeel dat niet is gebleken dat het exploot van 6 augustus 2024 niet aan de wettelijke eisen voldoet. De naam van de verzoekende rechtspersoon is vermeld in het exploot. Wat betreft klagers verwijzing in dit verband naar het bepaalde in artikel 45 lid 3 onder Pro b Rv, dat betrekking heeft op de vermelding van de voornamen, geldt dat deze verplichting niet van toepassing is indien het exploot in opdracht van een rechtspersoon wordt uitgebracht. Klagers verwijzingen naar, onder meer, verplichtingen uit de WBTR en de Wet op de notarisambt kunnen evenmin leiden tot het oordeel dat het exploot niet voldoet aan de wettelijke eisen. Deze wettelijke bepalingen zijn niet van toepassing op de inhoud van een exploot.
Klachtonderdeel b: de toegevoegd gerechtsdeurwaarder heeft niet gereageerd op vragen om aanvullende informatie.
5.5.
Klager voert aan dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op zijn brieven van 12 augustus 2024 en 20 augustus 2024. De toegevoegd gerechtsdeurwaarder voert aan dat zij wel degelijk heeft gereageerd. De door haar gestuurde brief van 23 augustus 2024 zat echter niet in het dossier van de kamer.
5.6.
Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. In het oorspronkelijke klaagschrift verwijst klager zelf naar een door de toegevoegd gerechtsdeurwaarder gestuurde reactie van 23 augustus 2024. Deze reactie is door de toegevoegd gerechtsdeurwaarder in hoger beroep ook aan het hof overgelegd (vgl. 3.7). Nu vast is komen te staan dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder wel binnen de redelijke termijn van 14 dagen heeft gereageerd is ook klachtonderdeel b ongegrond. Dat klager het niet eens is met de inhoud van deze reactie doet hieraan niet af.
Klachtonderdeel c: het loonbeslag is gelegd zonder een onderliggende gerechtelijke uitspraak.
5.7.
Het hof is ten slotte van oordeel dat ook klachtonderdeel c bij gebrek aan feitelijke grondslag ongegrond is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder was belast met de tenuitvoerlegging van een ten laste van klager gewezen vonnis van de kantonrechter Den Haag van 2 augustus 2023. Dit vonnis is ook aan het hof overgelegd. Op grond van haar ministerieplicht was zij verplicht om in geval van een daartoe strekkende opdracht op basis van dit vonnis beslag te leggen.
Nieuwe klacht
5.8.
Klager heeft niet eerder dan in hoger beroep het verwijt voorgelegd dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder onbevoegd ambtshandelingen heeft verricht. Het hof beschouwt dit als een nieuwe klacht waarvan het hof geen kennis kan nemen, omdat in hoger beroep alleen de klachten worden behandeld die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest. De aanvullende klacht zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het hof voegt daaraan ten overvloede toe dat indien deze klacht wél al in eerste aanleg naar voren zou zijn gebracht, deze ook ongegrond had moeten worden verklaard. De schorsing waarop klager doelt, was ten tijde van de bestreden ambtshandeling al geëindigd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de toegevoegd gerechtsdeurwaarder bij ministerieel besluit van 16 november 2023 met ingang van 1 december 2023 is toegevoegd aan gerechtsdeurwaarder Vismans. Ten tijde van de verweten gedragingen was zij als toegevoegd gerechtsdeurwaarder werkzaam en ook als zodanig bevoegd. Met ingang van 1 april 2025 heeft de toegevoegd gerechtsdeurwaarder haar ambtelijke werkzaamheden neergelegd.
Slotsom
5.9.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de klacht tegen de toegevoegd gerechtsdeurwaarder op alle onderdelen ongegrond is. Voor de in eerste aanleg uitgesproken maatregel en kostenveroordeling bestaat geen grond. Het hof zal de bestreden beslissing daarom vernietigen. Gelet op die uitkomst blijven de kosten van klager in dit hoger beroep voor zijn eigen rekening.

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing;
en, opnieuw beslissende:
- verklaart de oorspronkelijke klacht tegen de toegevoegd gerechtsdeurwaarder in alle onderdelen ongegrond;
- verklaart de onder 4.2 omschreven aanvullende klacht tegen de toegevoegd gerechtsdeurwaarder niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en O.M. Jans en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door de rolraadsheer.