Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1528

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.360.867/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 lid 2 BWArt. 1:461 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ambtshalve ontslag bewindvoerder en mentor wegens verstoorde samenwerking

De zaak betreft het hoger beroep van eiser tegen de beschikking van de kantonrechter die hem ambtshalve ontsloeg als bewindvoerder en mentor van betrokkene, een 92-jarige vrouw met vergevorderde dementie. De kantonrechter stelde vast dat na het ontslag alleen de medebewindvoerder en medementor, naam 3, zou optreden. Eiser betwistte dit en verzocht onder meer om vernietiging van de beschikking en benoeming van een externe deskundige.

In de procedure stelde het hof vast dat de verstandhouding tussen eiser en naam 3 ernstig verstoord was, wat leidde tot stagnatie in besluitvorming en nadelige gevolgen voor betrokkene. Het hof oordeelde dat dit gewichtige redenen zijn voor het ambtshalve ontslag van eiser. Het benoemen van een externe deskundige achtte het hof niet in het belang van betrokkene vanwege haar kwetsbare gezondheid.

Het hof bevestigde dat eiser ook als mentor was ontslagen en dat naam 3 de belangen van betrokkene naar behoren behartigt. De verzoeken van eiser en naam 3 in incidenteel hoger beroep werden afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking van de kantonrechter werd daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ambtshalve ontslag van eiser als bewindvoerder en mentor en stelt vast dat naam 3 voortaan alleen optreedt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.867/01
zaaknummer rechtbank: 11667111 BZ VERZ 25-1734 sc
beschikking van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. E.A.S. van Spanje te Bussum,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [betrokkene] (hierna: betrokkene);
- [naam 1] (hierna: [naam 1] ), advocaat mr. E.A.S. van Spanje te Bussum;
- [naam 2] (hierna: [naam 2] );
- [naam 3] (hierna: [naam 3] ), advocaat mr. M.C. Koetze te Doorn.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag wie bewindvoerder en mentor voor betrokkene behoort te zijn.
1.2
De kantonrechter heeft bij beschikking van 31 juli 2025 [eiser] ambtshalve ontslagen als bewindvoerder en vastgesteld dat na dit ontslag [naam 3] alleen zal optreden als bewindvoerder en mentor ten behoeve van betrokkene. [eiser] is het met die beslissingen niet eens.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
[eiser] is op 29 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) van 31 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
[naam 3] heeft op 19 december 2025 een verweerschrift ingediend, met daarin ook een verzoek in incidenteel hoger beroep.
2.3
[eiser] heeft op 30 januari 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van [naam 3] ingediend.
2.4
[naam 1] heeft op 30 januari 2026 een verweerschrift ingediend, gericht tegen het incidenteel hoger beroep van [naam 3] .
2.5
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van [naam 3] van 23 december 2025;
- een bericht van de zijde van [eiser] van 10 april 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van [naam 3] van 10 april 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van [eiser] van 15 april 2026.
Een door [naam 2] op 19 december 2025 bij het hof ingediend bericht is aan haar retour gezonden. Dit bericht is nadien als productie 15 alsnog door mr. Koetze overgelegd en het hof heeft langs die weg kennis genomen van het bericht van [naam 2] .
2.6
De zitting heeft op 23 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- [eiser] , bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 3] , bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 1] , bijgestaan door zijn advocaat.
[naam 2] was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting.
De advocaat van [eiser] en [naam 1] heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
2.7
Het hof heeft na partijen daarover te hebben gehoord, besloten om niet met betrokkene te praten over de verzoeken die voorliggen. Na bespreking met alle belanghebbenden ter zitting is het hof tot het oordeel gekomen dat het voeren van een gesprek met betrokkene voor haar te belastend is en dat een gesprek voor de beoordeling van de voorliggende verzoeken geen toegevoegde waarde heeft.

3.De feiten

3.1
Betrokkene is geboren [in] 1934 te [plaats A] .
3.2
Betrokkene is thans 92 jaar oud en heeft een vorm van dementie in een vergevorderde fase. Zij is volledig afhankelijk van de zorg in het verzorgingshuis waar zij woonachtig is. Op dit moment verblijft betrokkene in het verzorgingshuis [X] te [plaats B] .
3.3
Bij beschikking van 21 juni 2024 zijn [eiser] en [naam 3] op verzoek van [naam 2] en [naam 1] benoemd tot bewindvoerders en mentoren van betrokkene. Zij zijn zowel gezamenlijk als ook ieder afzonderlijk bevoegd in de uitoefening van hun taken.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Met de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in het kader van een door [eiser] ingediende klacht over het functioneren van [naam 3] als medebewindvoerder en medementor, [eiser] ambtshalve ontslagen als bewindvoerder en daarbij vastgesteld dat na dit ontslag alleen [naam 3] zal optreden als bewindvoerder en mentor van betrokkene.
In principaal hoger beroep
4.2
[eiser] verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen zodat [eiser] weer bewindvoerder en mentor is en opnieuw rechtdoende
primairzijn inleidende verzoek om [naam 3] te ontslaan als bewindvoerder en mentor alsnog toe te wijzen, dan wel
subsidiair[naam 1] te benoemen tot medebewindvoerder en medementor en [naam 3] te ontslaan als bewindvoerder en mentor, dan wel
meer subsidiairzowel [naam 3] als [eiser] te ontslaan als bewindvoerder en mentor en over te gaan tot benoeming van een externe deskundige bewindvoerder en mentor. Daarnaast verzoekt [eiser] om [naam 3] te veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder de advocaatkosten van [eiser] .
4.3
[naam 3] verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het door [eiser] ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren, althans de verzoeken van [eiser] in hoger beroep af te wijzen.
4.4
[naam 1] verzoekt, zo begrijpt het hof, de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van [eiser] in hoger beroep toe te wijzen.
In incidenteel hoger beroep
4.5
[naam 3] verzoekt de bestreden beschikking aan te vullen en te bepalen dat [eiser] als mentor wordt ontslagen en vast te stellen dat [naam 3] voortaan alleen als bewindvoerder en mentor optreedt. Daarnaast verzoekt [naam 3] om [eiser] te veroordelen in de advocaat- en proceskosten van beide instanties.
4.6
[eiser] verzoekt de verzoeken van [naam 3] in incidenteel hoger beroep af te wijzen. Ook in het incidenteel hoger beroep verzoekt [eiser] om [naam 3] te veroordelen in de advocaat- en proceskosten.
4.7
[naam 1] verzoekt de verzoeken van [naam 3] in incidenteel hoger beroep af te wijzen. Ook [naam 1] verzoekt om [naam 3] te veroordelen in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:448 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) volgt dat een bewindvoerder door de kantonrechter ambtshalve kan worden ontslagen wegens onder meer gewichtige redenen. Een bewindvoerder kan ook om ontslag van zijn medebewindvoerder verzoeken.
5.2
Uit artikel 1:461 lid 2 BW Pro volgt dat een mentor door de kantonrechter ambtshalve kan worden ontslagen wegens onder meer gewichtige redenen. Een mentor kan ook om ontslag van zijn medementor verzoeken.
De standpunten
In principaal hoger beroep
5.3
[eiser] stelt – kort samengevat – dat de kantonrechter hem naar aanleiding van zijn klacht over het functioneren van zijn medebewindvoerder en medementor [naam 3] ten onrechte ambtshalve heeft ontslagen als bewindvoerder van betrokkene. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een aantal omstandigheden en argumenten aangedragen, waarop het hof hierna, voor zover nodig, zal ingaan.
5.4
[naam 3] voert – kort samengevat – aan dat de beslissing van de kantonrechter op goede gronden berust. Ook op hetgeen [naam 3] aanvoert, zal het hof hierna waar nodig ingaan.
5.5
[naam 1] voert aan dat hij het altijd eens is geweest met de wijze waarop [eiser] zijn taak van bewindvoerder en mentor heeft uitgeoefend en hij kan zich vinden in het verzoek van [eiser] in hoger beroep.
In incidenteel hoger beroep
5.6
[naam 3] stelt dat er als gevolg van de bestreden beschikking onduidelijkheid bestaat over de vraag of [eiser] door de kantonrechter is ontslagen als mentor. Volgens [naam 3] kan of wil de kantonrechter hier geen duidelijkheid over geven omdat inmiddels tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep bij het hof is ingesteld. Hierdoor voelt [naam 3] zich genoodzaakt om incidenteel hoger beroep in te stellen ter zake het mentorschap.
5.7
[eiser] voert aan dat het verzoek van [naam 3] in incidenteel hoger beroep moet worden afgewezen. [eiser] is niet ontslagen als mentor door de kantonrechter. [naam 3] meent dat [eiser] zich niet zou inzetten als mentor, maar maakt niet concreet wat [eiser] te verwijten valt. Het blijft volgens [eiser] bij suggestieve aantijgingen van [naam 3] , die uit de context zijn gehaald. [naam 3] gaat voornamelijk in op aspecten die vallen onder het bewindvoerderschap. Als het gaat over het mentorschap voert [naam 3] volgens [eiser] slechts een klein aantal redenen op die zien op (het kwijtraken van) gehoorapparaten, medicatie en communicatie. Dat is onvoldoende om [eiser] als mentor te ontslaan.
De beoordeling door het hof
Ontvankelijkheid van [eiser] in zijn hoger beroep
5.8
Het hof gaat als eerste in op de vraag of [eiser] ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep om [naam 3] als bewindvoerder en mentor te ontslaan. Daarbij ligt de procedurele vraag voor of dit verzoek van [eiser] door hem voor het eerst in hoger beroep is gedaan.
Het hof stelt vast dat [eiser] op 23 april 2025 bij de kantonrechter een klacht over het functioneren van [naam 3] heeft ingediend. [eiser] heeft in deze klacht niet letterlijk verzocht om [naam 3] te ontslaan als bewindvoerder en mentor. [eiser] heeft de kantonrechter in de behandeling van de klacht ter zitting wel in overweging gegeven om [naam 3] te ontslaan als bewindvoerder. Mede om redenen van proceseconomische aard vat het hof de klacht van [eiser] mede op als een verzoek van [eiser] om [naam 3] te ontslaan als bewindvoerder en mentor. Ook de kantonrechter heeft de klacht van [eiser] kennelijk opgevat als een verzoek van [eiser] om [naam 3] te ontslaan als bewindvoerder en mentor. Immers, de kantonrechter heeft naar aanleiding van de klacht van [eiser] en zijn mondelinge toelichting daarop, een beslissing genomen over het ontslag van een van de bewindvoerders en mentoren. Gelet op voornoemd procesverloop bij de kantonrechter kan naar het oordeel van het hof niet worden geoordeeld dat het door [eiser] bij het hof gedane verzoek tot ontslag van [naam 3] voor het eerst in hoger beroep is gedaan. Het hof meent dat het voor alle betrokkenen voldoende duidelijk is geweest welke beslissing [eiser] van de kantonrechter verlangde, te weten het ontslag van [naam 3] als medebewindvoerder en medementor. Hieruit volgt dat [eiser] dit verzoek niet voor het eerst doet in hoger beroep en dat hij ontvankelijk is in zijn verzoeken in hoger beroep.
Ontvankelijkheid van [naam 3] in zijn incidenteel hoger beroep
5.9
Het hof oordeelt dat [naam 3] in zijn verzoek om te bepalen dat [eiser] als mentor wordt ontslagen niet kan worden ontvangen, omdat hij dit verzoek voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan. Het hof dient desondanks wel te beoordelen wat de beslissing van de kantonrechter over het mentorschap omvat en overweegt op dit punt als volgt.
Is [eiser] door de kantonrechter ook ontslagen als mentor?
5.1
Uit de bestreden beschikking volgt naar het oordeel van het hof voldoende dat de kantonrechter [eiser] per datum van de bestreden beschikking, 31 juli 2025, ook als mentor van betrokkene heeft ontslagen. Op blad 4 van de bestreden beschikking heeft de kantonrechter met zoveel woorden overwogen:
De kantonrechter zal daarom [eiser] ontslaan als bewindvoerder en mentor van betrokkene.
Onder punt 3.1 en 3.2 van het dictum is bepaald:
3.1.
ontslaat met ingang van heden als bewindvoerder [eiser] ;
3.2.
stelt vast dat na voormeld ontslag alleen [naam 3] zal optreden als bewindvoerder en mentor ten behoeve van betrokkene.
De verdere beoordeling
5.11
Het hof dient vervolgens te beoordelen of de beslissing van de kantonrechter om [eiser] als bewindvoerder en mentor te ontslaan, op goede gronden berust. Het hof stelt daarbij vast dat alle belanghebbenden het er over eens zijn dat het doen herleven van de situatie waarin [eiser] en [naam 3] medebewindvoerders en medementoren zijn, niet wenselijk is.
5.12
Het hof stelt voorop dat de kantonrechter vanuit zijn toezichthoudende taak een bewindvoerder ambtshalve kan ontslaan indien sprake is van gewichtige redenen. Ook een mentor kan op die gronden worden ontslagen door de kantonrechter. Van gewichtige redenen is in het bijzonder sprake indien een bewindvoerder of een mentor niet langer in staat is de belangen van betrokkene naar behoren te behartigen, dan wel indien de uitvoering van het bewind en het mentorschap zodanig wordt belemmerd dat de bescherming van het vermogen en de verzorging, behandeling of begeleiding van betrokkene in het gedrang komt. In gevallen waarin sprake is van gezamenlijke bewindvoering en gezamenlijk mentorschap geldt dat van bewindvoerders en mentoren mag worden verwacht dat zij in staat zijn tot een minimale vorm van overleg en afstemming over hun taakuitoefening. Het enkele bestaan van spanningen of gebrekkige communicatie is onvoldoende voor ontslag, tenzij dit leidt tot stagnatie in de besluitvorming of anderszins nadelige gevolgen heeft voor betrokkene.
5.13
Het hof stelt vast dat de verstandhouding tussen [eiser] en [naam 1] enerzijds en [naam 3] en [naam 2] anderzijds in ieder geval sinds de instelling van het bewind en het mentorschap in juni 2024 ernstig verstoord is geraakt. Partijen blijven elkaar over de kleinste details verwijten maken. Deze verstoorde verhouding staat teveel in de weg aan de gezamenlijke uitoefening van de bewinds- en mentorschapstaken en daarmee de effectiviteit van het bewind en mentorschap. [eiser] en [naam 3] zijn niet langer in staat om samen beslissingen te nemen over de verzorging, behandeling en begeleiding van betrokkene. En ook het samen beslissingen nemen die zien op het behoud van het aanwezige vermogen van betrokkene behoort niet meer tot de mogelijkheden. [eiser] is het op veel punten niet eens met beslissingen van [naam 3] en het lukt hen niet om op constructieve wijze met elkaar tot oplossingen te komen. Het risico is groot dat het gebrek aan communicatie tussen [eiser] en [naam 3] als medebewindvoerders en medementoren en hun slechte verstandhouding zullen leiden tot een slechte belangenbehartiging en stagnatie van beslissingen ten behoeve van betrokkene. Te verwachten is dat daardoor het doel van het bewind en mentorschap niet wordt behaald en dat betrokkene hiervan nadeel zal ondervinden. Het hof neemt hierbij in overweging dat betrokkene, gelet op haar zorgbehoefte, in het bijzonder is aangewezen op tijdige, duidelijke en consistente besluitvorming met betrekking tot haar verzorging, behandeling en begeleiding. Juist in een dergelijke situatie is het van groot belang dat beslissingen zonder onnodige vertraging kunnen worden genomen. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof sprake is van voldoende gewichtige redenen die rechtvaardigen dat een van de bewindvoerders en een van de mentoren door de kantonrechter vanuit zijn toezichthoudende taak ambtshalve is ontslagen.
5.14
Het hof is van oordeel dat het in de plaats van [naam 3] en [eiser] benoemen van een professioneel bewindvoerder en een professioneel mentor niet in het belang van betrokkene is. Dit zal bij betrokkene naar verwachting voor verwarring zorgen, hetgeen haar breekbare gezondheidssituatie niet ten goede komt. Bij de beantwoording van de vraag wie de bewindvoerder en mentor van betrokkene moet zijn, neemt het hof in aanmerking dat [naam 3] voorafgaand aan de instelling van het bewind en mentorschap al langere tijd in belangrijke mate de zorg en ondersteuning voor betrokkene op zich nam. Hij verrichtte veel praktische zaken voor betrokkene en hij had zicht op hetgeen zij nodig had. Ook na de instelling van het bewind en mentorschap is niet gebleken van contra-indicaties die maken dat [naam 3] zijn taken als bewindvoerder en mentor niet naar behoren vervulde. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [naam 3] de belangen van betrokkene naar behoren behartigt. Uit de aan het hof overgelegde stukken is gebleken dat [naam 3] rond het opmaken van de boedelbeschrijving het initiatief heeft genomen en zijn bij wet voorgeschreven taken op een juiste wijze en tijdig heeft uitgevoerd, terwijl een actie van de zijde van [eiser] met betrekking tot het opmaken van de rekening en verantwoording gedurende langere tijd uitbleef. Gelet op deze omstandigheden, die zich alle reeds vóór de bestreden beschikking voordeden, is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten tijde van de bestreden beschikking terecht aanleiding heeft gezien om [eiser] te ontslaan als bewindvoerder en mentor. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, wat betreft het mentorschap onder verwijzing naar overweging 5.10, zodat [naam 3] het bewind en mentorschap alleen zal blijven uitvoeren.
5.15
Ten slotte stelt het hof vast dat ter zitting is gebleken dat [eiser] , [naam 3] en [naam 1] inmiddels op één lijn zitten ten aanzien van de beëindiging van het vruchtgebruik van betrokkene op de woning te [plaats C] , welke woning in bloot eigendom toebehoort aan [naam 2] , [eiser] en [naam 1] . Het hof begrijpt dat [eiser] – net als [naam 1] – al langere tijd de wens heeft om het vruchtgebruik te beëindigen en dat hierover eerder verschil van inzicht leek te bestaan. [naam 3] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat de lasten die ingevolge de akte van levering voor rekening van de vruchtgebruiker komen, naar zijn mening opwegen tegen de baten van het voortduren van het vruchtgebruik, mede gelet op de stijging van de onroerendgoedprijzen, maar hij heeft tevens verklaard de beëindiging van het vruchtgebruik niet in de weg te zullen staan, waarbij het wel zaak is dat de woning wordt leeggehaald en verkoopklaar wordt gemaakt.
Proceskosten
5.16
Het hof ziet geen aanleiding om [naam 3] dan wel [eiser] in de kosten van de procedure te veroordelen. Van misbruik van (processuele) bevoegdheden is niet gebleken, en evenmin kan worden gezegd dat proceskosten door [naam 3] dan wel [eiser] nodeloos werden veroorzaakt. Het hof wijst deze verzoeken daarom af. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat [naam 3] , [eiser] en [naam 1] ieder hun eigen kosten dragen.
5.17
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, wat betreft het mentorschap onder verwijzing naar overweging 5.10;
verklaart [naam 3] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in incidenteel hoger beroep;
compenseert de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. F. Kleefmann en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.