Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1527

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.362.005/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging zorgregeling met aanwijzingen voor overdracht bij ouders van minderjarige

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de zorgregeling voor hun minderjarige kind, waarbij de rechtbank een regeling had vastgesteld met twee weekenden achter elkaar bij de vader en een weekend bij de moeder. De moeder wenste een week-op week-af regeling met gelijke verdeling van vakanties en feestdagen, terwijl de vader een weekendregeling wilde met dwangsommen bij niet-naleving.

In hoger beroep heeft het hof de omstandigheden onderzocht, waaronder de praktische haalbaarheid van het halen en brengen van het kind door de vader, de woon- en werksituatie van de ouders, en de communicatieproblemen tussen hen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een regeling die het kind stabiliteit biedt en beide ouders betrokken houdt.

Het hof oordeelde dat de vader niet in staat is het kind op vrijdagmiddag van school te halen en op maandagochtend terug te brengen vanwege werk en vervoersproblemen. De bestaande regeling van de rechtbank werd daarom bekrachtigd. Het hof legde nadruk op het belang van duidelijke, vaste overdrachtstijden en locaties om stress voor het kind te voorkomen. Dwangsommen werden niet opgelegd, in de verwachting dat ouders zich aan de regeling houden.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling van de rechtbank met duidelijke overdrachtstijden en wijst wijzigingsverzoeken en dwangsommen af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.362.005/01
zaaknummer rechtbank: C/13/772324 / FA RK 25/5217 (KD/LN)
beschikking van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A. Vogelaar te Krommenie, gemeente Zaanstad,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A.F.M. Visscher te Volendam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] (5 jaar). De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] – kort gezegd – twee weekenden achter elkaar bij de vader verblijft, daarna een weekend bij de moeder en dan weer twee weekenden bij de vader. Tijdens de zomervakantie is [minderjarige] twee weken achter elkaar bij de vader, de rest van de vakanties loopt de zorgregeling door en de feestdagen zijn in onderling overleg tussen de ouders gelijk verdeeld.
De moeder is het daar niet mee eens en wil een week-op week-af regeling, waarbij de vakanties en feestdagen bij helfte worden gedeeld. De vader is het ook niet eens met de bestreden beschikking en wil dat [minderjarige] om het weekend bij hem is, op straffe van een dwangsom voor de moeder. Daarop verzoekt de moeder om de vader een dwangsom op te leggen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 27 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 14 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 26 februari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend met daarbij een aanvullend zelfstandig verzoek.
2.4
De zitting heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021. De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 18 maart 2022 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . Sinds de ouders uit elkaar zijn verblijft [minderjarige] bij de moeder.
3.2
Op 29 juni 2021 zijn de ouders een ouderschapsplan overeengekomen, dat aan de echtscheidingsbeschikking van 24 november 2021 is gehecht. Daarin hebben zij afgesproken dat de vader [minderjarige] wekelijks bij de moeder ophaalt op vrijdagmiddag omstreeks 16.00 uur en weer terugbrengt bij de moeder op zondagmiddag omstreeks 16.00 uur.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, met wijziging van het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders als volgt vastgelegd:
- [minderjarige] verblijft twee weekenden aaneengesloten bij de vader, het weekend daarop is [minderjarige] bij de moeder en nadien weer twee weekenden bij de vader;
- gedurende de zomervakantie is [minderjarige] twee weken aaneengesloten van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader en gedurende de rest van de vakanties verblijft [minderjarige] conform de reguliere zorgregeling bij de vader;
- de feestdagen worden in onderling overleg bij helfte gedeeld.
4.2
De moeder verzocht oorspronkelijk in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, opnieuw rechtdoende te bepalen dat
- [minderjarige] de ene week bij de moeder verblijft, en de andere week bij de vader, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag om 18.00 uur naar de vader brengt en de vader hem de andere vrijdag om 20.00 uur bij de moeder terugbrengt.
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder inmiddels wenst dat de vader [minderjarige] ieder weekend vanaf vrijdag uit school tot maandag naar school bij zich heeft.
Verder heeft zij verzocht:
- dat de vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld inhoudende:
- zomervakantie 3 om 3 weken, waarbij, als [minderjarige] bij de moeder is, hij een weekendregeling heeft met de vader van vrijdag tot en met zondag,
- vakanties van twee weken, iedere ouder een week;
- oud en nieuw 2025 bij de vader, 2026 bij de moeder en zo door;
althans een zorgregeling en ingangsdatum die het hof juist acht.
4.3
De vader verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen.
4.4
De vader verzocht oorspronkelijk in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat [minderjarige] om de week van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag bij het huisadres van de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag bij het huisadres van de moeder terugbrengt, alwaar zij dan aanwezig dient te zijn.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verduidelijkt dat hij het liefst de zorgregeling in stand laat, zoals die bij de bestreden beschikking is bepaald. Het verzoek in incidenteel hoger beroep is ingegeven door de omstandigheid dat de uitvoering van de door de rechtbank bepaalde regeling problematisch verloopt.
Aanvullend verzoekt de vader een en ander vast te leggen op straffe van een aan de moeder op te leggen dwangsom van € 500,- per dag dat de moeder weigert uitvoering te geven aan de zorgregeling, met een maximum van € 35.000,-.
4.5
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen. Indien de door de vader verzochte dwangsom wordt toegewezen, verzoekt de moeder aan de nakoming door de vader van de door haar verzochte regeling eveneens een dwangsom te verbinden van € 500,- per dag of dagdeel dat de vader weigert uitvoering te geven aan de zorgregeling, met een maximum van € 35.000,-.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan – voor zover hier van belang – omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.2
De moeder vindt het belangrijk voor [minderjarige] dat hij zijn vader genoeg ziet en zij een goede band hebben. Het liefst zou zij willen dat de vader [minderjarige] iedere vrijdagmiddag van school ophaalt en op maandagochtend naar school brengt, zodat de vader ook betrokken is bij school. Ook wordt zo voorkomen dat de ouders elkaar treffen, met het risico van een confrontatie tussen hen. Als het de vader niet lukt om [minderjarige] naar school te brengen met het openbaar vervoer dan kan hij een beroep doen op zijn partner of zijn moeder. De moeder hoopt dat de communicatie tussen de ouders ooit beter wordt. In de tussentijd zou het het beste zijn als er tijdens de overdracht zo min mogelijk interactie is tussen de ouders. Een dwangsom zal de problemen tussen de ouders niet veranderen, daardoor zal alleen maar meer discussie ontstaan. Bovendien houdt de vader zich ook wel eens niet aan de zorgregeling. Het uitsluitend opleggen van een dwangsom aan de moeder is daarom onbillijk en disproportioneel. De moeder verzoekt dan ook uitsluitend een dwangsom op te leggen wanneer deze wederkerig is. De moeder zou echter liever helemaal geen dwangsommen opgelegd zien.
5.3
De vader voert verweer. Het is voor hem niet mogelijk om [minderjarige] met het openbaar vervoer van school te halen en naar school te brengen, waardoor een weekendregeling van vrijdagmiddag uit school tot de maandagochtend naar school voor hem geen optie is. Een enkele reis duurt al snel een uur en de vader moet om 6.00 uur vertrekken om om 7.00 uur op zijn werk te zijn. De voorschoolse opvang is dan nog niet open. Na zijn werk is de vader rond 17.30 uur à 18.00 uur thuis. De vader vindt dat niet kan worden verwacht dat zijn partner of ouders het halen en brengen van [minderjarige] voor hun rekening nemen. Bovendien moet zijn partner haar eigen kinderen naar school brengen in een andere gemeente, waardoor zij niet op hetzelfde moment [minderjarige] naar zijn school in [plaats A] kan brengen. De moeder woont vlak bij de school van [minderjarige] en [minderjarige] gaat naar de BSO, zodat de moeder [minderjarige] gemakkelijk naar school kan brengen en weer kan ophalen. De vader woont niet samen met zijn vriendin. Hij overnacht samen met [minderjarige] bij zijn vriendin omdat hij een éénkamer woning heeft van 33 vierkante meter. Alleen daarom al kan hij niet meer tijd voor [minderjarige] zorgen.
Doordat de communicatie tussen de ouders op dit moment zo slecht verloopt en het de moeder niet lukt om zich aan de tijden en de (terug)brenglocatie van de zorgregeling te houden, verzoekt de vader in incidenteel hoger beroep om de weekendregeling om het weekend te laten plaatsvinden. Daarbij verzoekt hij te bepalen dat de vader [minderjarige] op zondag om 18.00 uur naar het huis van de moeder brengt, alwaar de moeder aanwezig dient te zijn. De huidige regeling waarbij [minderjarige] twee weekenden achter elkaar bij de vader is, zorgt namelijk voor te veel stress en onrust. De moeder is op de zondagen vaak niet bereikbaar en het is dan onduidelijk waar de vader [minderjarige] naartoe moet brengen. Hij heeft [minderjarige] enkele keren bij andere mensen moeten achterlaten. Het is ook voorgekomen dat de vader en [minderjarige] tot laat in de avond op de moeder moesten wachten en/of dat zij onverrichter zaken weer moesten terugkeren naar het huis van de vader. Voor [minderjarige] is het heel stressvol wanneer niet bekend is waar hij zal worden teruggebracht en of zijn moeder daar dan wel aanwezig zal zijn.
Gelet op het voorgaande heeft de moeder kennelijk een stok achter de deur nodig om haar volledige medewerking aan de zorgregeling te verlenen. De vader verzoekt het hof daarom om een dwangsom aan de zorgregeling te koppelen.
Het advies van de raad
5.4
De raadsvertegenwoordiger heeft ter zitting in hoger beroep gezegd dat hij zich zorgen maakt over [minderjarige] en binnen de raad zal bespreken of een raadsonderzoek moet worden gedaan. De raad merkt op dat de spanningen tussen de ouders de overhand nemen.
Het is goed voor [minderjarige] als hij zijn beide ouders leert kennen en van hen kan meekrijgen wat hij van hen te leren heeft. Een zorgregeling waarbij de vader [minderjarige] op vrijdagmiddag ophaalt en op maandagochtend naar school brengt, is alleen goed voor [minderjarige] als daaraan ook daadwerkelijk uitvoering kan worden gegeven. Zo niet, dan is de spanning die dit oplevert schadelijk voor [minderjarige] . De huidige zorgregeling waarbij [minderjarige] twee weekenden achter elkaar de vader ziet, stelt [minderjarige] in staat om de vader voldoende te leren kennen, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
Zorgregeling
5.5
Het hof is van oordeel dat de vader aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werk hem niet in staat stelt om [minderjarige] op vrijdagmiddag van school te halen en op maandagochtend naar school te brengen. Ook kan zijn netwerk hem hierin niet bijstaan. De vriendin van de vader moet op die momenten haar kinderen naar school brengen en van school ophalen en van zijn ouders kan de vader niet verlangen dat zij naar [plaats A] rijden om [minderjarige] te halen en te brengen.
De rechtbank heeft een driewekelijks schema vastgelegd waarbij [minderjarige] twee weekenden achter elkaar bij de vader is en vervolgens een weekend bij de moeder. Het hof is van oordeel dat er geen redenen zijn om deze regeling te veranderen. De vader kan alleen in de weekenden voor [minderjarige] zorgen, waardoor het belangrijk is dat [minderjarige] de vader de meeste weekenden ziet. Daarnaast is het ook belangrijk dat [minderjarige] een weekend met zijn moeder kan doorbrengen. Het hof acht het echter wel van belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt over het halen en brengen van [minderjarige] , aangezien dat op dit moment niet goed verloopt, wat voor [minderjarige] zeer belastend is. De moeder laat de vader, en daarmee [minderjarige] , in het ongewisse over het tijdstip waarop en de locatie waar [minderjarige] door de vader kan worden teruggebracht. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat zij dit zo regelt met verschillende familieleden, omdat zij niet wil dat de vriendin van de vader bij haar aan de deur staat. De vader maakt op die momenten ruzie met de moeder waarvan haar buren en [minderjarige] getuige zijn. Om dit te voorkomen regelt de moeder het op de zondagen zo, dat de vader [minderjarige] naar een woning van een familielid kan brengen. Dit is echter iedere zondag op een andere plek omdat de moeder haar familie niet wil belasten met die verantwoordelijkheid. De moeder is tijdens de overdrachtsmomenten altijd in huis bij het familielid waar [minderjarige] wordt gebracht. Zodra [minderjarige] binnen is zien de moeder en [minderjarige] elkaar, zo heeft de moeder ter zitting in hoger beroep verteld.
Wat er ook zij van de juistheid van hetgeen de moeder stelt, het hof is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij weet waar hij aan toe is, hetgeen betekent dat hij door de ouders op vaste tijden naar vaste locaties wordt gebracht. Het is aan de ouders om te zorgen dat de overdracht van [minderjarige] , met name op de zondagavond, neutraal plaatsvindt bij de woning van de moeder, waarbij de moeder ook werkelijk aanwezig dient te zijn. Daarbij zou de vader zijn vriendin buiten beeld kunnen houden en zou de moeder afstand kunnen bewaren van de vader.
5.6
Gelet op het voorgaande zal het hof de zorgregeling zoals de rechtbank die heeft bepaald, bekrachtigen. Verder zal het hof bepalen dat de overdrachten dienen plaats te vinden zoals in de bestreden beschikking bedoeld: op vrijdagavond bij de woning van de vader in [plaats B] om 18.00 uur, en op zondagavond bij de moeder thuis in [plaats A] om 18.00 uur. Dit dient een neutrale overdracht te zijn, zonder spanning. Als het de ouders niet lukt om dit te realiseren, dan moeten zij een oplossing zoeken binnen hun netwerk, waarbij [minderjarige] al op vrijdag weet waar hij op zondag zal worden teruggebracht. De moeder moet ervoor zorgen dat deze overdrachtsmomenten zoveel mogelijk op dezelfde locatie plaatsvinden, zodat [minderjarige] continuïteit ervaart
Vakantieregeling
5.7
Het hof is van oordeel dat de vakantieregeling zoals vastgelegd in de bestreden beschikking passend is. Het hof ziet geen aanleiding voor bepaling van een andere vakantieregeling, zodat dit verzoek van de moeder zal worden afgewezen.
Dwangsommen
5.8
Het hof ziet vooralsnog geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, zoals door de ouders over en weer is verzocht. Het hof gaat ervan uit dat de ouders zich aan de door de rechter bepaalde regeling zullen houden.
5.9
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2025,
en in aanvulling daarop:
bepaalt dat de overdrachten dienen plaats te vinden op vrijdagavond bij de woning van de vader in [plaats B] om 18.00 uur, en op zondagavond bij de moeder thuis in [plaats A] om 18.00 uur, een en ander met inachtneming van het hiervoor onder 5.6 bepaalde;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. J.F. Miedema en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.