ECLI:NL:GHAMS:2026:151

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
23-001759-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 63 SrArt. 310 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis zakkenrollerij met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken voor zakkenrollerij waarbij een mobiele telefoon werd gestolen. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam.

Het hof nam kennis van de vorderingen van de advocaat-generaal en de verdediging en bevestigde het vonnis van de politierechter, behalve ten aanzien van de straf. Het hof voegde artikel 63 Sr Pro toe aan de toepasselijke wettelijke voorschriften en verving de bewijsmiddelen voor eventuele cassatie.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd gepleegd en de eerdere veroordeling van de verdachte voor een vermogensdelict. Gezien de overschrijding van de redelijke termijn van berechting met ruim zeven maanden, verminderde het hof de straf met één week tot zeven weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

Het hof benadrukte dat zakkenrollerij, zeker bij diefstal van mobiele telefoons, veel overlast en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. De straf is passend geacht binnen de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor recidive in vermogensdelicten.

Het arrest werd uitgesproken op 22 januari 2026 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 7 weken opgelegd met aftrek van voorarrest wegens zakkenrollerij en termijnoverschrijding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001759-23
datum uitspraak: 22 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer
13-109819-23 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
  • artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht aan de toepasselijke wettelijke voorschriften toevoegt;
  • de bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof verzocht in strafverminderende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich op Koningsdag schuldig gemaakt aan zakkenrollerij, waarbij hij de telefoon van het slachtoffer heeft buitgemaakt. Hiermee heeft hij een inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht. Dergelijke diefstallen leveren veel overlast op, met name in gevallen dat een mobiele telefoon wordt gestolen. Zakkenrollerij levert bovendien gevoelens van onveiligheid op bij personen die zich in de openbare ruimte bevinden.
De verdachte is blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2025 eerder onherroepelijk veroordeeld voor een vermogensdelict. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee.
Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag vinden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor zakkenrollerij, in het geval van recidive voor vermogensdelicten, een gevangenisstraf voor de duur van
2 maanden genoemd. Gelet hierop acht het hof de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 8 weken in beginsel passend en neemt het die straf als uitgangspunt.
Het hof heeft evenwel gelet op omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft op 16 juni 2023 hoger beroep ingesteld en het hof doet op
22 januari 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met ruim 7 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen gevangenisstraf met 1 week te verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in
artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. I.M.A. Hinfelaar, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026.
Mr. Hinfelaar is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
[......]