Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
‘Op werknemer zijn van toepassing de bepalingen van de Collectieve Arbeids-
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
Het hof begrijpt dat [appellant] de beschikking van de kantonrechter zo leest, dat bij de behandeling van het ontbindingsverzoek van KLM ook is beoordeeld of die ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever in de zin van artikel 7:671b lid 9 sub c BW en dat [appellant] opkomt tegen het oordeel dat dit niet het geval is. Ook KLM heeft de beschikking zo begrepen en betoogt dat bij de behandeling van haar verzoek terecht geen billijke vergoeding is toegekend (60 verweerschrift in hoger beroep). Hoewel [appellant] in zijn petitum en op de zitting in hoger beroep alleen de billijke vergoeding uit hoofde van artikel 7:683 BW Pro heeft vermeld, zal het hof de rechtsgronden aanvullen en ook beoordelen of de kantonrechter de billijke vergoeding uit hoofde van artikel 7:671b lid 9 sub c BW al dan niet terecht heeft afgewezen.
In de kern liggen er drie geschilpunten aan het hof voor. Ten eerste gaat het over de vraag of de kantonrechter [appellant] ten onrechte geen gelegenheid heeft gegeven om zijn verzoek in te trekken op het moment dat zijn ontbindingsverzoek werd afgewezen. Als tweede gaat het over de vraag of de kantonrechter terecht de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en KLM op verzoek van KLM heeft ontbonden en of daarbij een billijke vergoeding had moeten worden toegekend wegens ernstig verwijtbaar handelen van KLM. Als derde punt is in geschil of [appellant] een loonvordering op KLM heeft op grond van artikel 2 lid 12 Wfw Pro. KLM heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij het beroepschrift van [appellant] zo heeft begrepen dat de loonvordering enkel in het kader van de billijke vergoeding, en niet ook als zelfstandige vordering, aan het hof wordt voorgelegd. Uit het verweerschrift van KLM blijkt echter dat KLM ook ingaat op de vraag of [appellant] een zelfstandige loonvordering op haar heeft. Aan het bezwaar van KLM tegen het beoordelen van de loonvordering, gaat het hof dan ook voorbij. Tegen de toewijzing van de transitievergoeding heeft KLM geen grieven gericht, zodat dit in hoger beroep niet voorligt.
doordatde werkgever ten onrechte getracht heeft de werknemer op een andere, onvolkomen, grond te ontslaan. In dit geval is de arbeidsverhouding tussen partijen niet ernstig en duurzaam verstoord geraakt doordat KLM heeft verzocht in de eerdere procedure de arbeidsovereenkomst met [appellant] te laten ontbinden. KLM heeft aangevoerd, hetgeen [appellant] onvoldoende heeft weersproken, dat het dienstverband na de ontbindingsprocedure zonder problemen is voortgezet. [appellant] is op het project geplaatst, heeft met deze plaatsing ingestemd (zie e-mail [appellant] 3 juni 2024) en heeft naar tevredenheid van KLM de werkzaamheden uitgevoerd. Onvrede over zijn plaatsing heeft [appellant] in de acht maanden dat hij op het project werkzaam was tot indiening van het ontbindingsverzoek niet bij KLM kenbaar gemaakt, zo heeft Hartman erkend. De oorzaak van de verstoring arbeidsverhouding bevond zich dan ook niet in het gegeven dat het ontbindingsverzoek (tevergeefs) is ingediend door KLM, maar in andere (mede) door [appellant] aangevoerde omstandigheden. Het hof zal hierna beoordelen of op grond van die aangevoerde omstandigheden recht bestaat op een billijke vergoeding uit hoofde van artikel 7:671b lid 9 sub c BW. Dat betreft de toepasselijkheid van de cao, dreigen met ontslag en plaatsing op het project.
Toepasselijke cao5.17. Het hof komt niet toe aan het betoog van [appellant] dat de cao uit 2007 nog steeds op hem van toepassing is. Het hof stelt vast dat dit hof in de beschikking van 13 mei 2025 in rechtsoverweging 5.5 reeds over de discussie over de toepasselijkheid van de cao 2007 respectievelijk 2019-2022 en het Sociaal Plan 2020 heeft beslist. Dit hof heeft overwogen dat de latere cao van 2019-2022 op [appellant] van toepassing was en dat hij onder de werking van het Sociaal Plan 2020 viel. Aangezien [appellant] onder het Sociaal Plan 2020 viel, waren de voorzieningen van bijlage 15 bij de cao niet op hem van toepassing. Dit hof heeft in rechtsoverweging 5.8 van die beschikking overwogen dat KLM de bepalingen uit de cao en het Sociaal Plan ten aanzien van boventallige werknemers op juiste wijze heeft toepast op de situatie van [appellant] . [appellant] kan dit debat (grief VII en deels grief VIII) niet opnieuw aan het hof voorleggen, nu dit hof reeds tussen partijen over deze geschilpunten onherroepelijk heeft beslist.
‘Op werknemer zijn van toepassing de bepalingen van de Collectieve Arbeids-