Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
“Aanvraagformulier wijziging tenaamstelling huurovereenkomst”van [appellant] ontvangen. Bij brief van 6 februari 2024 heeft Rochdale het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling afgewezen. De
4.De procedure in eerste aanleg
5.Vordering en verweer in hoger beroep
primairvoor recht verklaart dat tussen partijen per 3 januari 2024 een huurovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van de woning, met veroordeling van Rochdale deze huurovereenkomst te respecteren, en
subsidiairRochdale veroordeelt de huurovereenkomst ten aanzien van de woning met [appellant] voort te zetten vanaf 3 januari 2024. Een en ander met afwijzing van de vordering in reconventie en met veroordeling van Rochdale in de kosten van het geding in beide instanties.
6.De beoordeling
(grief I). Ter onderbouwing van dit standpunt wijst [appellant] op sms-correspondentie tussen hem en een (inmiddels voormalig) medewerkster van Rochdale. De sms-berichten van Rochdale zijn volgens [appellant] niet anders te interpreteren dan dat Rochdale hem eind december 2023 onvoorwaardelijk als huurder accepteerde. Er is - aldus [appellant] - tussen partijen op 3 januari 2024 een huurovereenkomst ten aanzien van de woning tot stand gekomen.
“tenaamstelling”nog niet te hebben ontvangen, waarop [appellant] te kennen heeft gegeven deze
“zaterdag op de bus”te hebben gedaan. Op 12 december 2023 heeft Rochdale aan [appellant] gevraagd of hij
“hem morgen niet hier”kan
“komen invullen ?”,waarop [appellant] bevestigend heeft geantwoord. Rochdale heeft vervolgens gemeld
“de einde huur is 2 januari dus vanaf 3 januari dient u de huur te gaan betalen”en
“Ik ga mijn collega’s (…) aangeven dat u morgen komt en het rechtstreeks naar de afdeling klantzaken moet”.Op 22 december 2023 heeft Rochdale een
“Aanvraagformulier wijziging tenaamstelling huurovereenkomst”van [appellant] ontvangen. Bij brief van 27 december 2023 heeft Rochdale aan [appellant] medegedeeld nog aanvullende gegevens nodig te hebben voordat de aanvraag in behandeling kan worden genomen. Daarop heeft de advocaat van [appellant] bij brief van 19 januari 2024 gereageerd en te kennen gegeven dat [appellant]
“in aanmerking komt om als medehuurder en daarmee voortzetter van de huurovereenkomst te worden aangemerkt”. Bij brief van 6 februari 2024 heeft Rochdale het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling afgewezen.
(grieven II tot en met VII).
(grief III), overweegt het hof als volgt. [appellant] miskent hiermee dat de hiervoor onder i) tot en met v) weergegeven omstandigheden geen voorwaarden inhouden voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding, maar - zoals de kantonrechter deze ook heeft beschouwd - factoren zijn die kunnen bijdragen tot het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding.
(grieven II, IV en VI). Het hof verwerpt dit betoog.
(grief V). Zoals ook de kantonrechter overwoog, duidt niets erop dat [appellant] ook bij zijn ouders was blijven wonen als zij zijn zorg niet nodig hadden gehad. Hieruit volgt dat [appellant] bij zijn ouders is blijven wonen met het oog op zorgverlening en niet met het oog op het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Gelet hierop ziet het hof in de leeftijd van [appellant] ten tijde van zijn terugkeer naar zijn ouders en in de duur van zijn terugkeer geen indicatie voor duurzaamheid. Dat [appellant] , zoals hij stelt, ten tijde van het overlijden van zijn moeder al in geen jaren had gereageerd op enig woningaanbod, maakt dit niet anders. Het gegeven dat de samenleving in overwegende mate ten doel had mantelzorg te verlenen, is een contra-indicatie voor het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Van wederkerigheid is dan immers in de regel geen sprake, terwijl de samenwoning in de regel ook niet op
(grief VI).
(grief III).
(grief VI). Uit de door [appellant] overgelegde bankafschriften blijkt dat [appellant] in de periode januari 2021 tot en met september 2023 met een zekere regelmaat kleine betalingen aan boodschappen en/of maaltijden en aan Evean heeft gedaan. Zeker in verhouding tot de vaste lasten wijzen de overgelegde afschrijvingen van de rekening van [appellant] niet op een wezenlijke bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Een financiële verwevenheid kan niet worden aangenomen. [appellant] stelt verder het volgende. De huishoudelijke taken werden gezamenlijk verricht, al werden die - aldus [appellant] - hoofdzakelijk door [appellant] en de hulp van zijn moeder verricht. Daar waar [appellant] thuis was op het moment dat zijn ouders hun maaltijd genoten, genoten zij die maaltijd samen. Vrije tijd brachten zij samen door; zo ging [appellant] altijd samen met zijn moeder op bezoek bij zijn vader. [appellant] regelde het taxivervoer voor deze bezoeken en zorgde voor attenties voor het verplegend personeel. Ook deze stellingen brengen het hof niet tot een ander oordeel. Zoals ook de kantonrechter overwoog, dienen de bezoeken aan vader te worden gezien in het licht van de mantelzorg die [appellant] aan zijn ouders verleende. Ook de door [appellant] gestelde verdeling van de huishoudelijke taken past in dat kader. De door [appellant] overgelegde schriftelijke verklaringen van verplegend personeel en de huisarts bevestigen het beeld dat [appellant] bij zijn ouders is blijven wonen met het oog op zorgverlening. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is dit juist een contra-indicatie voor het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Dat [appellant] en zijn ouders samen aten en ook anderszins hun vrije tijd gezamenlijk doorbrachten, is - ook wanneer dit in rechte vast komt te staan - in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om op basis daarvan te concluderen dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding.
(grief V)en dat bij die beoordeling een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud niet van doorslaggevend belang is
(grief VI), wijst het hof er nogmaals op dat volgens vaste rechtspraak bij die beoordeling
alleomstandigheden van het geval in onderling verband moeten worden gewaardeerd.
(grief VII).
(grief VIII). [appellant] stelt zich op het standpunt dat de door de kantonrechter bij de veroordeling tot ontruiming gestelde termijn om binnen één maand na betekening van het vonnis tot ontruiming over te gaan zijn appeltermijn schaadt
(grief VIII).