Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1477

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
200.359.365
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:126 lid 2 BWArt. 99 lid 22 Wet op het notarisambt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond over weigering notarissen uitvoering verblijvensbeding en verdelingsakte

Klaagster, erfgenaam en partner van de overleden erflater, diende een klacht in tegen drie notarissen wegens weigering medewerking te verlenen aan de uitvoering van een verblijvensbeding en het opmaken van een verdelingsakte. De nalatenschap betrof onder meer een woning en vorderingen van de dochters uit een eerdere nalatenschap die nog niet waren vastgesteld.

De notarissen weigerden hun dienst omdat er onenigheid bestond over de omvang van de vorderingen van de dochters, wat de verhaalspositie van deze schuldeisers kon beïnvloeden. Klaagster stelde dat het vermogen ruimschoots voldoende was en dat de notarissen onterecht hun medewerking hadden geweigerd zonder feitelijk onderzoek.

Het hof oordeelde dat de notarissen op grond van de Novitaris-maatstaf verplicht waren te onderzoeken of rechten van derden bestonden en dat zij terecht hun medewerking opschortten totdat de vorderingen waren vastgesteld. De notarissen hadden zich ingespannen om tot overeenstemming te komen, maar het geschil was complex en behoorde aan de rechter. De klacht werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De klacht tegen de notarissen over weigering medewerking aan uitvoering verblijvensbeding en verdelingsakte is ongegrond verklaard.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.359.365/01 NOT
nummers eerste aanleg : C/05/447757/ KL RK 25-21
C/05/447758/ KL RK 25-22
C/05/447760/ KL RK 25-23
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 2 juni 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellante,
gemachtigde: mr. A.H.M. Rieter, oud-notaris,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

notaris te [plaats 1] ,
2.
[geïntimeerde 2] ,
notaris te [plaats 1] ,
3.
[geïntimeerde 3] ,
destijds kandidaat-notaris te [plaats 1] ,
geïntimeerden.
Partijen worden hierna klaagster respectievelijk de notaris sub 1, de notaris sub 2 en de kandidaat-notaris genoemd. De notaris sub 1 en de kandidaat-notaris worden hierna tezamen de notarissen genoemd.

1.De zaak in het kort

Klaagster en de drie dochters uit een eerder huwelijk van erflater zijn ieder voor gelijke delen erfgenamen in de nalatenschap van erflater, de partner van klaagster. Klaagster en erflater hadden een samenlevingsovereenkomst gesloten waarin een verblijvensbeding om niet was opgenomen. Tot de nalatenschap behoort de onverdeelde helft van een woning. Klaagster heeft de notarissen verzocht om uitvoering te geven aan het verblijvensbeding en een akte van verdeling op te maken. De nalatenschap van de vooroverleden echtgenote van erflater is nooit afgewikkeld zodat de vorderingen van de dochters uit hoofde van deze eerste nalatenschap nooit zijn vastgesteld. Klaagster en de dochters hebben onenigheid gekregen over de vaststelling van de hoogte van deze vorderingen. In verband met de (verhaals)positie van de dochters hebben de notarissen (vooralsnog) geweigerd om hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van het verblijvensbeding en de akte van verdeling. Klaagster verwijt de notarissen, onder meer, dat zij ten onrechte hun dienst hebben geweigerd. De notaris sub 2 wordt verweten niet zorgvuldig te hebben gereageerd op een tegen de notarissen ingediende klacht. Het hof verklaart de klachten ongegrond.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klaagster heeft op 22 september 2025 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 27 augustus 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TNORARL:2025:28). Op 20 november 2025 heeft klaagster dit beroepschrift – met bijlagen – aangevuld.
2.2.
De notarissen en de notaris sub 2 hebben op 19 december 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend. Een verzoek namens klaagster om hierop schriftelijk te mogen reageren is, gehoord haar wederpartijen, door het hof afgewezen.
2.3.
Klaagster heeft op 2 en 12 maart 2026 aanvullende producties (met ‘leeswijzer’) ingediend.
2.4.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.5.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 maart 2026. De gemachtigde van klaagster, de notarissen en de notaris sub 2 zijn verschenen. De gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de notarissen en de notaris sub 2 hebben het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Klaagster is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Op 16 april 2023 is de heer [naam 1] (hierna: erflater), de levenspartner van klaagster,
overleden.
3.2.
Eerder was erflater getrouwd met mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ), overleden op [datum] . [naam 2] had bij testament van 3 februari 1986 over haar nalatenschap beschikt. Dit testament bevatte een universeel keuzelegaat ten gunste van [naam 1] tegen inbreng van de waarde, waarbij is bepaald dat waardering van de gezamenlijke woning in [plaats 2] in bewoonde staat diende te geschieden en dat de inbreng kon plaatsvinden door schuldigerkenning aan de erfgenamen, welke vorderingen eerst bij overlijden van [naam 1] opeisbaar zouden zijn. In het testament was verder bepaald dat de drie dochters van haar en erflater (hierna: de dochters) tezamen, ieder voor gelijke delen erfgenaam waren in haar nalatenschap.
3.3.
De nalatenschap van [naam 2] is door de erfgenamen aanvaard, maar nooit afgewikkeld. Het legaat is niet afgegeven en de vorderingen van de dochters op erflater uit dien hoofde zijn niet vastgesteld. De woning in [plaats 2] is in 2008, met medewerking van de dochters, aan een derde verkocht, waarbij de gehele opbrengst van € 362.500 aan erflater is verbleven.
3.4.
Klaagster en erflater hebben op 14 augustus 2006 ten overstaan van notaris sub 1 bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin is een verblijvensbeding opgenomen zonder vergoeding van de waarde waarmee alle gemeenschappelijke goederen aan de langstlevende samenwonende partner verblijven. Dezelfde dag heeft erflater ook een nieuw testament ondertekend. In dit testament heeft erflater klaagster, naast zijn dochters, als erfgenaam benoemd. Klaagster is daarnaast benoemd tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder.
3.5.
Naar aanleiding van het overlijden van erflater heeft klaagster met haar adviseur op 10 oktober 2023 een bespreking gehad met notaris sub 1. Bij de tweede bespreking van 8 december 2023 waren ook de dochters aanwezig.
3.6.
Kort na de laatste bespreking stelde notaris sub 1 een verklaring van aanvaarding door klaagster op alsmede haar verklaring van “ruimschoots-voldoende-zijn” om de vordering van de dochters op korte termijn te kunnen voldoen.
3.7.
Op 15 december 2023 hebben klaagster en de dochters de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.
3.8.
Op 23 januari 2024 heeft notaris sub 1 een verklaring van erfrecht/executele en afwikkelingsbewind opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Mitsdien is mevrouw[hof: klaagster],
voornoemd, handelend voor zich als erfgename en in haar hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder, zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren en daarover te beschikken overeenkomstig het vorenstaande, waaronder het opvragen en beschikken over banktegoeden, het wijzigen van de tenaamstelling van bankrekeningen, het opheffen van bankrekeningen, om de eventuele schulden en de begrafenis- of crematiekosten te betalen, om de vereiste (erf)belastingaangiften te doen en de verschuldigde (erf)belastingen te betalen, om verzekeringsuitkeringen te incasseren en alle daarmee samenhangende handelingen te verrichten.
3.9.
In maart 2024 leek er overeenstemming te worden bereikt over de vaststelling van de omvang van de vordering van de dochters op erflater terzake van het overlijden van hun moeder, totdat de dochters aankondigden een procedure te zullen starten om hun vordering in rechte te laten vaststellen. De waardering van de woning was tussen klaagster en de dochters in geschil. Klaagster ging uit van een waardering in bewoonde staat die, bij een waarde in onbewoonde staat van € 307.225, kon worden gesteld op € 184.335, bij een hypotheek van € 207.859, terwijl de dochters uitgingen van een vrije verkoopwaarde van € 416.667. Ook was de waarde van een aantal kunstobjecten in geschil. De dochters meenden dat ieder van hen (tenminste) per saldo ruim € 23.000 toekwam. Klaagster meende dat de dochters niets toekwam omdat de nalatenschap van [naam 2] negatief was.
3.10.
De notaris sub 1 heeft een ontwerp voor een verdelingsakte d.d. 20 september 2024 opgesteld, waarbij onder meer de onverdeelde helft van erflater van het door erflater en klaagster op 30 juli 2015 gezamenlijk verkregen appartement in [plaats 1] aan klaagster werd toebedeeld, alsmede een ontwerp voor een hypotheekakte, waarbij door klaagster aan de dochters tot zekerheid van hun vorderingen op klaagster terzake van het overlijden van hun moeder een tweede hypotheekrecht op dit appartement werd verleend. Deze akten zijn niet verleden. Op 26 september 2024 gaf klaagster notaris sub 1 opdracht tot het opmaken van een akte van levering ter uitvoering van het verblijvensbeding in de samenlevingsovereenkomst met betrekking tot het appartement in [plaats 1] (hierna: de woning te [plaats 1] ). De notaris sub 1 heeft deze opdracht op 11 oktober 2024 schriftelijk bevestigd.
3.11.
Op 18 oktober 2024 liet notaris sub 1 schriftelijk aan klaagster weten:

Momenteel zijn wij bezig met een juridisch onderzoek inzake de verblijving en of deze mogelijk is binnen een nalatenschap die beneficiair aanvaard is waarin ook nog schulden aanwezig zijn vanwege het overlijden van een eerdere partner. Volgende week kom ik hier bij u op terug.
3.12.
Op 31 oktober 2024 liet notaris sub 1 aan klaagster weten verdere dienst te weigeren voor het opstellen van een akte afwikkeling en verdeling en het uitvoeren van het verblijvensbeding.
3.13.
Klaagster heeft daarop bij het kantoor van de notarissen een klacht ingediend. Notaris sub 2 heeft hierop als volgt geantwoord op 29 januari 2025:

Ik mag mij niet mengen in de afwikkeling van de nalatenschap daar deze bij mijn collega’s in behandeling is. De brief is gezien uw mail aan mijn collega’s bekend.
3.14.
Klaagster heeft vervolgens op 4 februari 2025 een e-mail gestuurd aan notaris sub 2 (met in de cc de notarissen) waarin staat, voor zover van belang:

Notaris[hof: notaris sub 1]
verschuilt zich achter een rechterlijke uitspraak, genoemdNovitaris-arrest.Tot op zekere hoogte begrijp ik dat medewerking mag of moet worden geweigerd als er “derden” zijn met belangen; dan mag echter van de notaris verwacht worden dat de notaris onderzoekt of zij werkelijk een claim hebben en of er daadwerkelijk een beletsel is om de gevraagde diensten te weigeren. Tot zo’n onderzoek en standpuntbepaling is het tot nu toe door uw collega niet gekomen, ook niet na herhaaldelijk aandringen (…).
3.15.
In antwoord op het onder 3.14. genoemde bericht heeft de kandidaat-notaris op 7 februari 2025 aan klaagster, onder meer, geschreven:
“(…)
Het meewerken aan ofwel de akte waarin het verblijvensbeding wordt uitgevoerd dan wel de verdelingsakte is gezien de onduidelijkheid over het bestaan van dan wel de hoogte van de vorderingen helaas niet mogelijk(…).”
En verder:

Er is niet met duidelijkheid vast te stellen of er vorderingen zijn vanwege het overlijden van mevrouw [naam 2] en zo die er wel zijn, hoe hoog die vorderingen zijn. FBN juristen is het hiermee eens. Het is afhankelijk van uitleg en de rechter legt uit. Dat is niet de taak van een notaris. Ik begrijp uw frustratie, echter wij kunnen niet namens u dan wel namens de andere erfgenamen bepalen hoe hoog die vorderingen zijn(…).”
3.16.
In de onder 3.9 bedoelde procedure is op 19 november 2025 een minnelijke regeling overeengekomen waarbij de vordering van elk van de dochters is vastgesteld op € 26.000. Overeengekomen is dat klaagster tot zekerheid voor de betaling van de verschuldigde bedragen een hypothecaire zekerheid zal stellen voor een bedrag van € 100.000.

4.De klacht

Klaagster verwijt de notarissen dat zij zich niet hebben gedragen zoals een behoorlijk notaris betaamt. Op grond van het inleidende klaagschrift, het beroepschrift en de nadere toelichting van klaagster ter zitting in hoger beroep valt de klacht uiteen in de volgende klachtonderdelen:
1. De notaris sub 1 heeft bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater geen rekening gehouden met de vastgelegde afspraken in de samenlevingsovereenkomst van 2006. Het ‘verblijvensbeding om niet’ is geconverteerd in een quasi-legaat waaraan onverkort uitvoering had moeten worden gegeven.
2. De notaris sub 1 en de kandidaat-notaris hebben ten onrechte hun dienst geweigerd ten aanzien van:
a. a) het opmaken van een akte van verdeling;
b) de uitvoering van het verblijvensbeding.
3. De notarissen hebben hun geheimhoudingsplicht geschonden.
4. De notaris sub 2 heeft niet zorgvuldig gereageerd op de door klaagster ingediende klacht bij het kantoor van de notarissen.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster op een in hoger beroep niet gehandhaafd klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard en voor de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.
Intrekking klachtonderdeel 3
5.2.
De gemachtigde van klaagster heeft desgevraagd ter zitting in hoger beroep verklaard dat (ook) klachtonderdeel 3 als ingetrokken moet worden beschouwd. Het hof is van oordeel dat het algemeen belang geen voortzetting van de behandeling van dit klachtonderdeel vordert (vgl. art. 99 lid 22 Wet Pro op het notarisambt) zodat dit klachtonderdeel geen verdere bespreking behoeft.
Klachtonderdeel 1 en 2 b: de notarissen hebben ten onrechte niet hun medewerking verleend aan de uitvoering van het verblijvensbeding.
5.3.
In verband met de onderlinge samenhang ziet het hof aanleiding om de klachtonderdelen 1 en 2 b gezamenlijk te behandelen.
5.4.
Klaagster verwijt de notarissen in de kern dat zij ten onrechte hun dienst hebben geweigerd ten aanzien van de uitvoering van het verblijvensbeding. Het door de notarissen gevoerde verweer dat er sprake was van een
mogelijkeschending van de belangen van schuldeisers (waaronder legitimarissen) door beperking van hun verhaalsmogelijkheden op grond waarvan de notarissen hun medewerking niet konden verlenen aan de uitvoering van het verblijvensbeding gaat niet op omdat, aldus klaagster, het vermogen ruimschoots voldoende was voor voldoening van de schuldeisers. Klaagster had, nota bene in overleg met de notarissen, ook al een ruimschoots voldoende verklaring afgegeven. Het opstellen van deze verklaring is dan ook niet verenigbaar met de latere dienstweigering van de notaris sub 1. Op basis van een onjuist standpunt gingen de notarissen uit van het bestaan van een grote schuld zonder feitelijk onderzoek te doen naar de hoogte van de eventuele vorderingen van de dochters. De notarissen hadden dan ook de vorderingen van de dochters uit de eerste nalatenschap moeten vaststellen. Dat zij dit hebben nagelaten waarbij het verblijvensbeding vervolgens niet is uitgevoerd valt hen tuchtrechtelijk te verwijten.
5.5
In hoger beroep heeft klaagster onder meer gesteld dat de notarissen geen rekening hebben gehouden met het bepaalde in art. 4:126 lid 2 onder Pro a Burgerlijk Wetboek. Op grond hiervan dient een verblijvensbeding om niet te worden aangemerkt als een quasi-legaat. De notarissen waren zonder meer gehouden hun medewerking te verlenen aan de gevraagde akte afgifte legaat. Klaagster voert verder aan dat de kamer ten onrechte heeft overwogen dat het (deels) onttrekken van de woning aan de nalatenschap mogelijk van invloed kon zijn op de verhaalspositie van de dochters. De kamer heeft hiermee miskend dat klaagster al akkoord was gegaan met het stellen van een hypothecaire zekerheid voor de schulden uit de eerste nalatenschap. Klaagster voert ten slotte aan dat de kamer ten onrechte heeft overwogen dat de door de dochters gegeven uitleg aan het beding over de waardering van de woning niet evident onjuist is. De dochters hadden in 2005 de nalatenschap van hun moeder aanvaard en zij hadden daarbij expliciet in het testament berust. De waarderingsgrondslag van de woning (waardering in bewoonde staat) stond daarmee vast en de kamer had dit in de beoordeling moeten betrekken.
5.6.
De notarissen voeren aan dat erflater eerder gehuwd was geweest. Dat huwelijk is door het overlijden van zijn echtgenote ontbonden. Door de verkoop van de woning in [plaats 2] was erflater destijds overbedeeld. De dochters hebben toen niets ontvangen en hun uit de nalatenschap voortvloeiende vorderingen zijn nooit vastgesteld. De dochters zijn daarmee schuldeisers in de nalatenschap van erflater. Door de werking van het verblijvensbeding kan hun positie worden aangetast; dit geldt temeer nu er een verblijvensbeding zonder tegenprestatie is overeengekomen. Door de notarissen is een beschrijving opgemaakt met een berekening van de vorderingen van de dochters. Klaagster heeft met de dochters geen overeenstemming kunnen bereiken over de omvang van die vorderingen. Mede gezien het belang van hun onafhankelijke en onpartijdige rol hebben de notarissen vervolgens besloten om hun dienst te weigeren. Het is in geval van een geschil over de omvang van een vordering aan de rechter en niet aan de notaris om de juistheid van de standpunten van partijen te toetsen en daarover te beslissen. Daarbij komt dat de notarissen niet de rol hadden van vereffenaar of boedelnotaris. De notarissen hebben er alles aan gedaan om tot een goede afwikkeling te komen; van stilzitten is zeker geen sprake geweest. Er zijn, aldus de notarissen, verschillende besprekingen gevoerd op kantoor, er zijn extern inlichtingen ingewonnen en er zijn vakgenoten geraadpleegd. Inmiddels is er in een civiele procedure tussen de erfgenamen overeenstemming bereikt voor wat betreft de hoogte van de vorderingen. De aantijging dat de dochters in het geheel geen vorderingen meer zouden hebben is onjuist gebleken. Feitelijk wordt alsnog gekozen voor de weg die initieel door de notarissen was voorgesteld: het vastleggen van de vorderingen en de vestiging van hypothecaire zekerheid door klaagster. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.
5.7.
Het hof is met de kamer van oordeel dat de notarissen op basis van de Novitaris-maatstaf gehouden waren om te onderzoeken of er sprake was van rechten van derden (in dit geval de dochters) ter zake van het goed waarop de gevraagde dienstverlening betrekking had en of die rechten van derden aanleiding gaven ministerie te weigeren. De notarissen hebben dit terecht gesignaleerd. Om de rechten van de dochters in kaart te brengen dienden eerst de vorderingen van de dochters te worden vastgesteld. Dat dit nog niet was gebeurd ten tijde van de afwikkeling van de nalatenschap van de echtgenote van erflater in 2005 of bij de verkoop van de voormalige echtelijke woning in 2008 kan de notarissen niet worden aangerekend. Uit het dossier blijkt dat de notarissen hebben geprobeerd om op basis van de input van partijen de hoogte van de vorderingen van de dochters in kaart te brengen. Klaagster en de dochters kwamen echter met verschillende visies en berekeningen. Nadat er in maart 2024 (vgl. 3.9) alsnog overeenstemming leek te zijn bereikt over de omvang van de vorderingen van de dochters op erflater heeft klaagster zich teruggetrokken. De notarissen zagen zich hierdoor geconfronteerd met een complexe situatie waarbij er tussen klaagster enerzijds en de dochters anderzijds aanhoudende verschillen van inzicht bestonden over de uitgangspunten op basis waarvan er al dan niet uitvoering aan het verblijvensbeding moest of kon worden gegeven. Omdat het niet aan de notarissen was om de hoogte van de vorderingen van de dochters definitief vast te stellen – dat oordeel komt aan de rechter toe – was het niet onzorgvuldig om op dat moment hun dienst te weigeren. De klachtonderdelen 1 en 2 b zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2 a: de notarissen hebben ten onrechte niet hun medewerking verleend aan de verdelingsakte.
5.8.
Klaagster verwijt de notarissen dat zij ten onrechte geen verdelingsakte hebben willen opstellen. Omdat de vorderingen van de dochters in de nalatenschap niet concreet waren vastgelegd hadden de notarissen dit alsnog moeten doen. De dochters hadden, aldus klaagster, een onjuist standpunt ingenomen voor wat betreft de waarderingsgrondslag van het huis (waardering in onbewoonde staat) en de marktwaarde van het huis. De notarissen hebben zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij hierover geen opinie mochten afgeven. Dat daardoor geen verdelingsakte kon worden opgesteld waardoor de afwikkeling van de nalatenschap van erflater in het slop raakte kan hen worden verweten.
5.9.
De notarissen stellen zich op het standpunt dat zij zich in de discussie over de hoogte van de vorderingen van de dochters terughoudend hebben opgesteld. Nadat zij zich op diverse manieren hadden ingespannen (vgl. ook rov. 5.6) om de erfgenamen, die gezamenlijk als vereffenaar optraden, op één lijn te krijgen bleek dit uiteindelijk niet te lukken. Het was daarom niet mogelijk om een verdelingsakte op te stellen waarmee alle deelgenoten konden instemmen. Tuchtrechtelijk kan dit de notarissen niet worden aangerekend.
5.10.
Met de kamer is het hof van oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is. Het feit dat de vordering van de dochters nog niet kon worden vastgesteld omdat klaagster en de dochters hierover aanhoudend meningsverschillen hadden kan de notarissen niet worden aangerekend. Indien en voor zover klaagster de notarissen (ook) verwijt dat zij zich in het geheel niet hebben ingespannen om tot een akte van verdeling te komen dan mist die klacht feitelijke grondslag. Uit de aan het hof overgelegde stukken blijkt dat de (kandidaat-)notaris op 16 juli 2024 en 20 september 2024 een concept-akte van verdeling heeft opgesteld. Deze concepten zijn echter nooit gepasseerd omdat partijen geen overeenstemming over de inhoud konden bereiken. Klachtonderdeel 2 a is ongegrond.
Klachtonderdeel 4: de notaris sub 2 heeft niet zorgvuldig gereageerd op de door klaagster ingediende klacht.
5.11.
Klaagster heeft bij het kantoor van de notarissen een klacht ingediend waarop de notaris sub 2 door middel van zijn onder 3.13 genoemde e-mail heeft gereageerd.
5.12.
De kamer heeft deze klacht ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat notaris sub 2 zich terecht afzijdig heeft gehouden van het geven van een second opinion omdat de zaak in behandeling is bij zijn collega’s van hetzelfde kantoor. Het staat de notarissen vrij om met notaris sub 2 overleg te voeren over deze zaak. Notaris sub 2 kan dan niet buiten de notarissen om een second opinion afgeven. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel rechtvaardigen.
5.13.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof van oordeel is dat de klacht op alle onderdelen ongegrond is. Het hof komt deels tot een andere beslissing dan de kamer. Het hof zal daarom de beslissing van de kamer omwille van de duidelijkheid vernietigen,

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing;
en, opnieuw beslissende
- verklaart de klacht tegen de notarissen en tegen notaris sub 2 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. O.J. van Leeuwen, C.H.M. van Altena en T.W. van Grafhorst en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door de rolraadsheer.