Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1405

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.355.598/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorg- en vakantieregeling voor minderjarige kinderen na scheiding ouders

In deze zaak staat de zorg- en vakantieregeling voor twee minderjarige kinderen centraal na de beëindiging van de relatie tussen de ouders. De vader verzoekt een uitgebreidere zorgregeling met extra doordeweekse omgangsmomenten en een gedetailleerde vakantieregeling, terwijl de moeder terughoudender is en pleit voor minder frequente doordeweekse momenten en overleg over vakanties.

Het hof neemt de feiten over uit de eerdere tussenbeschikking en weegt de belangen van de kinderen, waarbij het belang van continuïteit en rust doordeweeks wordt benadrukt. De reistijd tussen de woonplaatsen van de ouders is aanzienlijk, waardoor extra doordeweekse omgangsmomenten bij de vader niet in het belang van de kinderen zijn. Het hof suggereert alternatieven zoals ontmoetingen in de buurt van de moeder of videobellen.

De zorgregeling wordt gewijzigd zodat de kinderen om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 20:00 uur bij de vader verblijven. De verblijfregeling tijdens de voorjaars- en herfstvakantie wordt bekrachtigd en de overige vakanties worden verdeeld in onderling overleg, waarbij maximaal twee aaneengesloten weken in de zomervakantie bij één ouder worden doorgebracht. De verzoeken van de moeder met betrekking tot studiedagen worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling en bekrachtigt de verblijfregeling tijdens voorjaars- en herfstvakantie, met overige vakanties in onderling overleg.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.598/01
zaaknummer rechtbank: C/15/362679 / FA RK 25-1106
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende in [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. S. Maachi te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [plaats C] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2]
,geboren [in] 2015 te [gemeente] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hierover is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 19 augustus 2025. Bij die beschikking is de bestreden beschikking bekrachtigd, met dien verstande dat de beslissing over de zorgregeling slechts voorlopig wordt bekrachtigd, en wel totdat het hof nader heeft beslist over de definitieve zorgregeling. Het hof heeft de vader in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vier weken na deze tussenbeschikking het hof te informeren over zijn standpunt omtrent de door hem gewenste zorgregeling, met inachtneming van de afwijzing van zijn verzoek om hem vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van de kinderen op scholen in [plaats A] . De moeder is vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te reageren op het standpunt van de vader. De beslissing met betrekking tot de definitieve zorgregeling en de proceskostenveroordeling is aangehouden.
1.2
Bij het hof zijn na de tussenbeschikking de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de vader van 15 september 2025,
- een bericht van de moeder van 13 oktober 2025,
- een bericht van de vader van 3 april 2026,
1.3
De voortgezette mondelinge behandeling heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. Molenaar.
De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting een pleitnotitie overgelegd.

2.Feiten

2.1
Voor wat betreft de vaststaande feiten verwijst het hof naar de in deze procedure gegeven tussenbeschikking van 19 augustus 2025. Het hof gaat nog steeds van die feiten uit.
2.2
Eind december 2025/begin januari 2026 is de relatie van de vader met de moeder van zijn kinderen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verbroken.

3.De (gewijzigde) verzoeken

3.1
Bij brief van 15 september 2025 heeft de vader zijn verzoek ingediend met betrekking tot de zorgregeling. Bij brief van 3 april 2026 heeft hij zijn primaire verzoek voor ‘de andere week’ ingetrokken. Na deze wijziging is het verzoek van de vader – naar het hof begrijpt – om de bestreden beschikking te vernietigen en de volgende zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen bij hem verblijven:
Reguliere zorgregeling
• de ene week: van vrijdag 16:00 uur tot zondag 20:00 uur, waarbij de vader de kinderen ophaalt bij de moeder en terugbrengt naar de moeder;
• de andere week: van woensdagmiddag 16:00 uur tot donderdagochtend, waarbij de vader de kinderen op woensdagmiddag om 16:00 uur ophaalt bij de moeder en de kinderen op donderdagochtend om uiterlijk 08:30 naar school brengt, of als school later start, de kinderen om 08:20 uur naar de moeder brengt.
Verder verzoekt de vader de volgende vakantieregeling te bepalen:
• de schoolvakanties gaan in op de laatste schooldag vóór de vakantie om 16.00 uur en duren tot de zondagavond 20.00 uur voor de eerste schooldag na de vakantie;
• wanneer er gesproken wordt over vakanties dan wordt hiermee bedoeld de officiële vakantiedagen van de school, zoals gepubliceerd op de website van school. Studiedagen of
andere dagen waarop de school buiten de vakantie om gesloten is vallen niet onder de vakantie;
• de vader haalt de kinderen bij de moeder op bij de start van de vakantie of het wisselmoment en brengt de kinderen weer bij de moeder terug na afloop van de vakantie of voor het wisselmoment.
herfstvakantie (1 week):
• tijdens de herfstvakantie verblijven de kinderen bij de vader;
kerstvakantie (2 weken):
• in de even jaren zijn de kinderen vanaf tweede kerstdag 11.00 uur tot 1 januari 19.00 uur bij de vader, de overige dagen bij de moeder;
• in de oneven jaren zijn de kinderen vanaf tweede kerstdag 11.00 uur tot 1 januari 19.00 uur bij de moeder, de overige dagen bij de vader;
voorjaarsvakantie (1 week):
• tijdens de voorjaarsvakantie verblijven de kinderen bij de vader;
meivakantie (2 weken):
• indien Moederdag in de meivakantie valt, verblijven de kinderen - ongeacht de even of oneven jaren - in de week van Moederdag bij de moeder en de andere week bij de vader;
• indien Moederdag niet in de meivakantie valt, zijn de kinderen in de even jaren gedurende de eerste aaneengesloten helft van de meivakantie bij de moeder en de tweede aaneengesloten helft bij de vader. In de oneven jaren zijn de kinderen gedurende de eerste aaneengesloten helft van de meivakantie bij vader en de tweede aaneengesloten helft bij de moeder;
zomervakantie (6 weken):
• even jaar: week 1 bij de vader, week 2, 3 en 4 bij de moeder, week 5 en 6 bij de vader;
• oneven jaar: week 1 bij de vader, week 2 bij de moeder, week 3 en 4 bij de vader, week 5 en 6 bij de moeder.
De vader verzoekt ten aanzien van de feest- en speciale dagen het volgende te bepalen:
voorrangsregeling:
• de regeling ten aanzien van verjaardagen van de ouders en de kinderen prevaleert boven schoolvakanties, feestdagen en de reguliere zorgregeling;
• de vakantieregeling prevaleert boven de nadere zorgregeling tijdens feestdagen.
Nadere zorgregeling tijdens verjaardagen ouders en kinderen:
• verjaardag minderjarige: in de even jaren vanaf 09.00 uur of na school bij de moeder, in de
oneven jaren bij de vader. De volgende dag wordt de minderjarige door de ouder waar hij verblijft naar school gebracht of om 09.00 uur naar de ouder waar de minderjarige regulier verblijft;
• als de moeder in het weekend of op vrijdag jarig is, zijn de kinderen dat weekend bij de moeder;
• als de vader in het weekend of op vrijdag jarig is, zijn de kinderen dat weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de vader;
• als de halfzusjes van de kinderen in het weekend of op vrijdag jarig zijn, zijn de kinderen dat weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de vader;
Nadere zorgregeling tijdens Moederdag en Vaderdag:
• Moederdag: de kinderen verblijven gedurende het weekend van Moederdag bij de moeder. Dit kan betekenen dat de moeder een extra weekend met de kinderen heeft;
• Vaderdag: de kinderen verblijven gedurende het weekend van Vaderdag bij de vader. Dit kan betekenen dat de vader een extra weekend met de kinderen heeft.
Nadere zorgregeling tijdens feestdagen:
• Pasen: in de even jaren zijn de kinderen van Goede Vrijdag tot en met tweede paasdag bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
• Pinksteren: in de even jaren zijn de kinderen van vrijdag voor Pinksteren uit school tot en met tweede pinksterdag bij de vader, en in de oneven jaren bij de moeder;
• Koningsdag, voor zover niet vallende in een regulier weekeinde of een vakantie: in de even jaren zijn de kinderen bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder.
3.3
De moeder verzoekt – zo begrijpt het hof – in haar brief van 13 oktober 2025 de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de reguliere zorgregeling waarbij de kinderen om de week bij de vader verblijven van vrijdag 16.30 uur tot zondag 19.30 uur.
Ter zitting van 16 april 2026 heeft de moeder haar verzoek gewijzigd ten aanzien van het aanvangstijdstip op de vrijdag. Zij verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de reguliere zorgregeling te vernietigen en te bepalen dat de kinderen om de week bij de vader verblijven van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.30 uur. Zij verzoekt daarnaast het verzoek van de vader om te bepalen dat de kinderen in de andere week van woensdagmiddag tot donderdagochtend bij hem verblijven, af te wijzen.
Ten aanzien van de vakantieregeling kan de moeder zich vinden in de beslissing van de rechtbank dat de kinderen in de voorjaars- en herfstvakantie bij de vader verblijven. Met betrekking tot de rest van de vakanties verzoekt zij om vast te stellen dat partijen in onderling overleg de vakanties verdelen, waarbij de kinderen in de zomervakantie niet drie maar twee weken aaneengesloten bij een ouder verblijven. Ook verzoekt de moeder te beslissen dat feestdagen en speciale dagen door partijen in onderling overleg worden verdeeld.
Tot slot verzoekt de moeder te beslissen dat de dag waarop een kind als gevolg van een studiedag vrij is, die studiedag bij de vader doorbrengt, waarbij de vader het kind om 07:45 uur bij de moeder ophaalt en het om 17.00 uur weer bij de moeder terugbrengt.

4.De motivering van de beslissing

De standpunten
4.1
De vader vindt dat de rechtbank een te summiere zorgregeling heeft vastgesteld. De kinderen hebben tijdens het kindgesprek bij het hof aangegeven dat zij hun beide ouders graag iedere week willen zien. Er dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de wens van de kinderen en de vader merkt dat er bij de kinderen weinig draagvlak is om hun vader zo lang te moeten missen. Op woensdag werkt de vader parttime en dan verblijven zijn andere kinderen, [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , bij hun moeder. De woensdag is zodoende voor de vader een geschikte dag om tijd te spenderen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader wil betrokkenen zijn in het dagelijks leven van de kinderen, bijvoorbeeld door hen doordeweeks te ondersteunen bij het maken van huiswerk. Hij is bereid het vervoer van en naar [plaats A] te faciliteren. Verder is de vader van mening dat er ten aanzien van de vakanties een uitgebreidere regeling dient te worden vastgesteld. Zo moet hij rekening houden met zijn werk, en met de zorgregeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
4.2
De moeder is van mening dat het niet in het belang van de kinderen is als er een extra doordeweeks moment komt waarbij zij bij de vader verblijven in [plaats A] . De kinderen zullen namelijk eerst een uur moeten reizen om bij de woning van de vader te komen. [minderjarige 1] zal daar vervolgens huiswerk moeten maken aangezien hij op de middelbare school zit. De volgende dag moeten de kinderen alweer vroeg naar school worden gebracht. Dit levert veel onrust op voor beide kinderen. Daarnaast is een uitgebreidere vakantieregeling niet in het belang van de kinderen. De ouders hebben tot op heden altijd in goed overleg met elkaar de vakanties kunnen verdelen in een Excelsheet. [minderjarige 2] weet bovendien nog niet naar welke middelbare school zij zal gaan en het is een mogelijkheid dat zij voor een middelbare school in [X] kiest. [X] valt in de regio [regio] , waardoor zij in een andere periode schoolvakanties zal hebben dan [minderjarige 1] .
Het advies van de raad
4.3
De raad acht het voor de kinderen van belang dat zij doordeweeks voldoende continuïteit en rust ervaren. De agenda’s van de kinderen zullen steeds drukker worden naarmate zij ouder worden. Hier dient rekening mee te worden gehouden. De raad vindt het om die reden - rekening houdend met de reisafstand tussen [plaats B] en [plaats A] - onrustig voor de kinderen als er doordeweeks een extra omgangsmoment komt bij de vader in [plaats A] . Ten aanzien van de vakanties vindt de raad het aan de ouders om deze in onderling overleg met elkaar af te stemmen.
De beoordeling door het hof
4.4
Het hof overweegt als volgt. Als gevolg van de verhuizing van de vader medio 2024 van [plaats D] naar [plaats A] is de reistijd tussen de ouders aanzienlijk vergroot. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader - waarbij de kinderen doordeweeks op woensdag met de vader naar [plaats A] reizen en op donderdagochtend door de vader terug naar [plaats B] worden gebracht – niet in het belang is van de kinderen. Het hof begrijpt de wens van de vader om betrokken te zijn bij de schoolgang van de kinderen en om hen te willen ondersteunen bij het maken van huiswerk. De reistijd is echter belastend voor de kinderen en beperkt hen in het maken van buitenschoolse afspraken. Zo zullen de kinderen naarmate zij ouder worden steeds meer hun eigen weg (willen) gaan, en mogelijk doordeweeks willen sporten of afspreken met vrienden. Net als de raad geeft het hof als suggestie mee dat de ouders in overleg met de kinderen kunnen zoeken naar een extra doordeweeks moment waarop de vader en de kinderen elkaar kunnen zien in de buurt van [plaats B] . De vader en de kinderen kunnen bijvoorbeeld af en toe na school samen ergens uiteten. Een andere mogelijkheid is dat de kinderen doordeweeks met de vader afspreken om te videobellen. Het is hierbij belangrijk om de wens en de behoeften van de kinderen in overweging te nemen.
4.5
Ten aanzien van de reguliere zorgregeling heeft de moeder ter zitting aangegeven dat in verband met de schooltijden van de kinderen het wenselijker is als het overdrachtsmoment op vrijdag om 17:00 uur plaatsvindt in plaats van om 16:30 uur. De vader heeft zich hier niet tegen verweerd. Omdat ook het hof dit in het belang van de kinderen acht, zal het hof bepalen dat het overdrachtsmoment op vrijdag om 17:00 uur plaatsvindt.
Verder heeft de vader verzocht te bepalen dat het overdrachtsmoment op zondag om 20:00 uur plaatsvindt in plaats van 19:30 uur, zodat de kinderen rustig bij hem kunnen eten en daarna afscheid kunnen nemen van hun halfzusjes [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Net zoals de vader acht het hof het overdrachtsmoment op zondagavond om 20:00 uur rustiger voor de kinderen en zal de zorgregeling in die zin vastleggen.
4.6
In de bestreden beschikking is vastgesteld dat de kinderen iedere herfst- en voorjaarsvakantie bij de vader verblijven. Dit onderdeel is niet in hoger beroep bestreden en staat daarmee in rechte vast. Ten aanzien van de overige vakanties zal het hof bepalen dat de ouders aan het begin van het schooljaar in onderling overleg de vakanties bij helfte verdelen, waarbij de kinderen tijdens de zomervakantie maximaal twee weken aaneengesloten bij een ouder zullen verblijven. Niet is gebleken dat de ouders onvoldoende in staat zijn met elkaar tot een vakantieregeling te komen. Het hof neemt hierbij ook mee dat de vader met de moeder van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] werkt aan een ouderschapsplan, waarbij ook ten aanzien van die kinderen een vakantieregeling zal moeten worden afgesproken. Het hof acht het van belang dat de vader de vakanties van zijn vier kinderen op elkaar kan afstemmen. Een in beton gegoten vakantieregeling ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan daaraan in de weg staan.
4.7
Het verzoek van de moeder om een regeling vast te stellen met betrekking tot de studiedagen wijst het hof af. Zoals hiervoor ten aanzien van de vakanties is overwogen, acht het hof de ouders in staat om in onderling overleg af te stemmen, wat ook geldt voor de afspraken over waar de kinderen verblijven tijdens een studiedag.
4.8
Tot slot worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure. Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
4.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

Het hof:
In principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
stelt, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 17 februari 2021, een zorgregeling vast waarbij de kinderen om de week van vrijdag 17:00 uur tot zondag 20:00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt;
bekrachtigt dat de kinderen iedere voorjaar- en herfstvakantie bij de vader verblijven en bepaalt dat de overige vakanties door de ouders in onderling overleg bij helfte worden verdeeld;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. A.N. van de Beek en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van L.C. Evers als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.