ECLI:NL:GHAMS:2026:1403
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toewijzing huurrecht echtelijke woning aan vrouw na echtscheiding
Partijen zijn in 2017 gehuwd en zijn in 2025 gescheiden. De rechtbank had bepaald dat de vrouw huurder blijft van de woning aan de [A-straat] te [plaats A]. De man ging hiertegen in hoger beroep en vorderde toewijzing van het huurrecht aan hem, stellende dat hij meer belang had vanwege zijn beperkte woonmogelijkheden en financiële situatie.
De vrouw betwistte dit en benadrukte het belang van het minderjarige kind, dat haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft, en dat het kind niet uit haar vertrouwde omgeving mag worden gehaald. Zij stelde dat haar kansen op een andere woning vergelijkbaar zijn met die van de man en dat zij geen vermogen of woning in Rusland bezit.
Het hof oordeelde dat beide partijen een zwaarwegend en gelijkwaardig belang hebben bij het huurrecht, maar dat het belang van de vrouw zwaarder weegt vanwege de zorg en opvoeding van het minderjarige kind en het belang van continuïteit in diens woonomgeving. De stellingen van de man over de urgentieverklaring en het vermeende vermogen van de vrouw werden onvoldoende onderbouwd geacht. Het hof bekrachtigde daarom de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de vrouw huurder blijft van de woning vanwege het belang van het minderjarige kind.