Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1396

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.360.578/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek tot verhuizing en wijziging zorgregeling minderjarige

De moeder verzocht om vervangende toestemming om met haar minderjarige kind naar een andere plaats te verhuizen en het kind daar in te schrijven op een basisschool. De rechtbank wees dit verzoek af en wijzigde de zorgregeling ten gunste van de vader. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, terwijl de vader incidenteel hoger beroep instelde om de zorgregeling verder te wijzigen.

Het hof heeft de belangen van het kind, de moeder en de vader zorgvuldig afgewogen. Hoewel de moeder een ruimere woning nodig heeft vanwege de gezinsuitbreiding, is onvoldoende onderbouwd dat verhuizing naar de gevraagde plaats noodzakelijk is. De moeder en haar partner hebben geen sterke economische of sociale binding met die plaats, terwijl de reistijd voor het kind en de vader aanzienlijk zal toenemen, wat het contact tussen vader en kind negatief beïnvloedt.

Het hof sluit zich aan bij de belangenafweging van de rechtbank en wijst het verzoek tot verhuizing en inschrijving op de nieuwe school af. Ook wijst het hof de verzoeken tot wijziging van de zorgregeling af, omdat de huidige regeling voorspelbaar is en het belang van het kind bij continuïteit en emotionele veiligheid gediend is. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing en wijziging van de zorgregeling af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.578/01
zaaknummer rechtbank: C/13/768470 / FA RK 25-3170 (MT/ID)
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B. Schoonewil te Velsen-Zuid, gemeente Velsen,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. H. Vosmeijer te Amstelveen.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende(n) aangemerkt:
de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het verzoek van de moeder om met [minderjarige] (8 jaar) te verhuizen naar [plaats C] en de zorgregeling voor [minderjarige] . De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om te verhuizen afgewezen en een zorgregeling vastgelegd waarbij [minderjarige] de ene week van donderdag uit school tot maandag naar school bij de vader is en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school.
De moeder is het daar niet mee eens en wil nog steeds verhuizen naar [plaats C] . Als de zorgregeling zoals de rechtbank die heeft bepaald in de weg staat aan de vervangende toestemming voor verhuizing dan wil de moeder de zorgregeling zo wijzigen dat [minderjarige] de ene week van donderdag uit school tot vrijdagavond bij de vader is en de andere week van vrijdag uit school tot maandag naar school.
De vader is het niet eens met de zorgregeling die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld. Hij wil een ‘2-2-5-5- regeling’. Als de moeder toch naar [plaats C] verhuist, wil hij dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem wordt bepaald met voornoemde zorgregeling of met de omgekeerde zorgregeling als door de moeder verzocht.
Het hof is het eens met de rechtbank. Het zal de moeder geen toestemming verlenen om met [minderjarige] naar [plaats C] te verhuizen en zal evenmin de zorgregeling wijzigen. Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot deze beslissingen is gekomen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 20 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 9 december 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 23 januari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
  • een bericht van de zijde van de moeder van 7 april 2026 met bijlagen;
  • een bericht van de zijde van de vader van 7 april 2026 met bijlagen.
2.5
Het hof heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.6
De zitting heeft op 17 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2017. De ouders hebben tot oktober 2018 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend.
3.2
Bij beschikking van de rechtbank van 6 maart 2019 zijn de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast, is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en is een zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de vader [minderjarige] bij zich heeft:
  • de ene week van donderdag 16.30 uur tot vrijdag 18.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en weer terugbrengt, en de andere week van vrijdag 8.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt;
  • partijen dienen in onderling overleg afspraken te maken ter zake de vakanties, feestdagen, Moederdag en Vaderdag en verjaardagen.
3.3
Sinds juli 2024 geldt er een door partijen overeengekomen zorgregeling waarbij de vader
[minderjarige] bij zich heeft:
  • de ene week van donderdag uit school om 14.15 uur tot vrijdag 18.45 uur;
  • de andere week van vrijdag 8.00 uur tot maandag naar school.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang,
- het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing met [minderjarige] naar [plaats C] en om [minderjarige] daar in te schrijven op basisschool De [X] afgewezen;
  • met wijziging van de beschikking van 6 maart 2019 een zorgregeling bepaald waarbij de vader [minderjarige] bij zich heeft in een cyclus van twee weken:
  • de ene week van donderdag uit school tot maandag naar school;
  • de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw rechtdoende:
  • de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats C] en/of vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige] op basisschool De [X] in [plaats C] ;
  • indien de door de rechtbank bepaalde zorgregeling in de weg staat aan vervangende toestemming om te verhuizen met [minderjarige] , dan verzoekt de moeder een zorgregeling te bepalen waarbij [minderjarige] de ene week van donderdag uit school tot vrijdagavond bij de vader is en de andere week van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vader is, waarbij de moeder in de eerste week [minderjarige] op donderdagmiddag naar de vader brengt en op vrijdagavond weer ophaalt bij de vader;
  • althans een beslissing te nemen zoals het hof juist acht.
4.3
De vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen.
4.4
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw rechtdoende,
I. te bepalen dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
  • de ene week van woensdag uit school tot maandag naar school (5 nachten);
  • de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school (2 nachten);
II. in het geval dat de moeder besluit te verhuizen, het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te bepalen onder vaststelling van de onder I genoemde zorgregeling, dan wel de omgekeerde zorgregeling als door de moeder verzocht, waarbij [minderjarige] dan bij de moeder zal zijn:
  • de ene week van donderdag uit school om 14.15 uur tot vrijdag 18.45 uur;
  • de andere week van vrijdag 8.00 uur tot maandag naar school.
4.5
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep het incidenteel hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond te verklaren, althans af te wijzen en de huidige zorgregeling in stand te laten.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.
5.2
Aan de orde is de vraag of aan de moeder al dan niet vervangende toestemming kan worden verleend om met [minderjarige] naar [plaats C] te verhuizen en haar in te schrijven op basisschool de [X] in [plaats C] . Ook ligt de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voor.
5.3
Het hof zal het verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [plaats C] eerst behandelen, omdat deze beslissing directe invloed heeft op de beslissing over de basisschool, de te bepalen zorgregeling en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .
Vervangende toestemming verhuizing naar [plaats C]
Het wettelijk kader
5.4
Uit artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over hun kind zijn belast en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van de belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
De standpunten
5.5
De moeder voert aan dat zij is genoodzaakt met [minderjarige] te verhuizen naar de woning van haar huidige partner in [plaats C] . De moeder is in oktober 2025 bevallen van haar tweede kind. Haar huidige woning is niet geschikt om te bewonen met twee kinderen. Er is te weinig ruimte, er zijn onvoldoende slaapkamers en de woning heeft geen buitenruimte en geen lift. De woning in [plaats C] is ruim en heeft een tuin. Het is voor de moeder en haar partner financieel niet mogelijk om een vergelijkbare woning te vinden in [plaats A] .
De moeder heeft de verhuizing voldoende doordacht en voorbereid. Zij had geen aanleiding om te verwachten dat de vader geen toestemming zou geven voor de verhuizing. De moeder verblijft in de weekenden al in [plaats C] waardoor [minderjarige] daar al bekend is en vrienden heeft gemaakt. Voor [minderjarige] is plek op de basisschool in [plaats C] en zij kent al een aantal kinderen die daar naar school gaan. De moeder heeft al contact met een mogelijke werkgever in de buurt van [plaats C] en haar partner heeft zijn werkopdrachten in de omgeving.
De moeder vindt dat haar belang bij de verhuizing opweegt tegen de vermeerderde reistijd die [minderjarige] ten opzichte van de woning van de vader zal hebben. Bovendien is de reistijd vermeerderd door de wijziging van de zorgregeling op verzoek van de vader. Als de oude regeling zou worden hersteld, biedt de moeder aan om een groter aandeel in het halen en brengen op zich te nemen. Ook is zij bereid om de vader te compenseren in tijd met [minderjarige] , bijvoorbeeld door [minderjarige] een extra vakantie met de vader te laten doorbrengen. Daarbij benadrukt de moeder dat de vader nu ook al niet in dezelfde omgeving woont als waar [minderjarige] woont en naar school gaat.
5.6
De vader voert verweer. De moeder gaat volgens hem voorbij aan het belang van [minderjarige] om in haar eigen omgeving te blijven in de buurt bij haar vader. De enige reden dat de moeder naar [plaats C] wil verhuizen, is omdat haar partner daar toevallig een woning heeft gekocht om te verbouwen. Toen hij die woning kocht, kenden zij elkaar pas net en was de woning niet bedoeld om met het gezin te gaan wonen. Bovendien is de moeder noch haar partner financieel gebonden aan [plaats C] . De moeder werkt op een kinderdagverblijf in [plaats A] en werkt aan huis als pedicure. Haar partner werkt in het hele land, waarbij hij in de buurt verblijft van de plek waar hij een opdracht heeft. De door de moeder gesuggereerde economische gebondenheid van haar partner aan [plaats C] is ongeloofwaardig.
De moeder en haar partner wonen sinds 2024 feitelijk samen in de woning van de moeder in [plaats A] . De verdere familie van [minderjarige] woont in [plaats D] en [plaats B] en zij heeft buitenschoolse activiteiten in [plaats A] en [plaats E] . De vader vindt dat de moeder vanuit haar huidige woning in [plaats A] , en middels verkoop van de woning in [plaats C] , samen met haar partner kan zoeken naar passende woonruimte in de omgeving [plaats A] / [plaats B] / [plaats E] . De vader rekent voor dat de moeder en haar partner voldoende bestedingsruimte moeten hebben om dit te kunnen bekostigen.
De moeder heeft de verhuizing niet goed doordacht en voorbereid. Zij heeft haar plannen nooit met de vader besproken. De vader heeft van [minderjarige] gehoord dat de moeder wilde gaan verhuizen. Ook lijkt de moeder in weerwil van de bestreden beschikking alsnog met [minderjarige] in de woning in [plaats C] te verblijven. Inmiddels is [minderjarige] daardoor al een paar keer te laat op school gekomen. De reistijd in de spits bedraagt namelijk tussen de 50 en de 65 minuten.
De door de moeder aangeboden compensatie om het halen en brengen twee keer van de vader over te nemen, compenseert [minderjarige] niet in reistijd. Zij is de dupe van de verhuizing.
Het advies van de raad
5.7
De raad heeft ter zitting geen advies uitgebracht over de verhuizing van [minderjarige] , maar aangeboden daar een raadsonderzoek naar te verrichten. Het is de raad duidelijk dat [minderjarige] voor beide ouders heel belangrijk is. Andersom zijn de ouders op dit moment nog het belangrijkste anker voor [minderjarige] . Dat gaat in de komende tijd veranderen. [minderjarige] gaat een beste vriend of vriendin krijgen die heel belangrijk wordt en naarmate zij ouder wordt, gaan anderen buiten het gezin een grotere rol in haar leven spelen. Uiteindelijk is het [minderjarige] die de reisafstand tussen de ouders zal moeten overbruggen en het is niet op voorhand duidelijk hoe dat voor haar zal uitpakken.
De beoordeling
5.8
De vraag die voorligt is of het belang van de moeder bij verhuizing naar [plaats C] zwaarder weegt dan het belang van de vader en [minderjarige] om de huidige woonsituatie in stand te laten. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om daarover een beslissing te nemen en zal daarom geen raadsonderzoek gelasten.
Het hof kan zich vinden in de belangenafweging die de rechtbank destijds op dit punt heeft gemaakt en sluit zich daarbij aan. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
5.9
Uit de door de moeder overgelegde stukken in hoger beroep, blijkt dat haar huidige woning onvoldoende kamers heeft om voor zowel [minderjarige] als haar halfbroertje een eigen slaapkamer in te richten. Dat de moeder de wens heeft om uit haar huidige woning te verhuizen, is daarom begrijpelijk. Het hof is echter met de vader van oordeel dat de moeder niet de noodzaak heeft onderbouwd om juist naar [plaats C] te verhuizen. Weliswaar is daar een voldoende ruime woning beschikbaar, maar de moeder noch haar partner hebben enige economische of sociale binding met [plaats C] . Zij hebben geen familie in de buurt wonen en zij werken geen van beiden (uitsluitend) in [plaats C] . De moeder en haar partner wonen inmiddels juist al geruime tijd in [plaats A] . De moeder werkt daar ook. De partner verricht zijn werkzaamheden door het hele land, aldus ook de moeder.
Hoewel de moeder stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat het aanbod van passende woningen in [plaats A] (zeer) beperkt is, volgt daaruit niet dat geen passende woning kan worden gevonden op kortere afstand van de woning van de vader. De moeder heeft haar zoektocht blijkens de stukken beperkt tot [plaats A] en niet ook bijvoorbeeld [plaats B] en [plaats E] in de zoektocht betrokken, zoals de vader heeft voorgesteld. De zoektocht is bovendien gedaan op basis van een globale schatting van het inkomen van de moeder en haar partner en niet op een precieze berekening van een hypotheekadviseur. Dat de moeder noodzaak heeft om naar [plaats C] te verhuizen omdat het voor haar onmogelijk is om op een andere plek, dichter bij de woning van de vader, een passende woning te vinden, is daarom naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan.
Ook zonder een noodzaak tot verhuizing zou het belang van de moeder om haar leven met [minderjarige] elders in te richten zwaarder kunnen wegen dan het belang van [minderjarige] en de vader om bij elkaar in de buurt te blijven wonen. Het hof oordeelt echter dat de belangen van de vader en [minderjarige] zwaarder wegen. Hoewel de moeder terecht naar voren brengt dat de vader en [minderjarige] nu ook niet in dezelfde plaats wonen, is de reistijd tussen de huidige woning van de vader en de huidige woning van de moeder beperkt: hun woonplaatsen [plaats B] en [plaats A] grenzen aan elkaar. De vader speelt nu een grote rol in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] verblijft een aanzienlijk deel van de tijd bij de vader en kan vanuit zowel de woning van de vader als de woning van de moeder gemakkelijk naar school, vriendjes en vriendinnetjes en sportclubs reizen. Partijen verschillen van mening over de reistijd tussen [plaats B] en [plaats C] , mede omdat die nogal op kan lopen tijdens de spitsuren, maar vast staat dat de reistijd voor [minderjarige] en de vader substantieel zal toenemen wanneer [minderjarige] daar haar hoofdverblijfplaats zal hebben. Deze toegenomen reistijd zal het voor de vader moeilijker maken om op dezelfde wijze in het leven van [minderjarige] betrokken te blijven, nog daargelaten de extra belasting voor [minderjarige] , die in elk geval alle reisbewegingen zal moeten maken. Het zal de vader meer tijd kosten om [minderjarige] naar school of een andere sportieve of sociale activiteit te begeleiden. Ook staat vast dat [minderjarige] , wanneer zij ouder wordt, niet zelfstandig in staat zal zijn zich op de fiets tussen haar vader en moeder, of tussen ieder van de ouders en school te bewegen, als de moeder in [plaats C] woont. De verhuizing van de moeder met [minderjarige] heeft daarom naar verwachting van het hof gevolgen voor het contact tussen de vader en [minderjarige] . Naarmate [minderjarige] ouder wordt, zal de reistijd voor haar meer en meer een belemmering zijn, omdat zij niet vanuit elk van de ouders even gemakkelijk naar bijvoorbeeld een bijbaantje of sportclub zal kunnen reizen. Deze gevolgen zijn ook niet weg te nemen met het voorstel van de moeder om een deel van het halen en brengen van [minderjarige] voor haar rekening te nemen, of door [minderjarige] in een vakantie extra bij de vader te laten verblijven.
5.1
Het voorgaande brengt mee dat de belangen van [minderjarige] en de vader bij het niet verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing naar [plaats C] onder de huidige omstandigheden zwaarder wegen dan het belang van de moeder bij het wel verkrijgen van die toestemming. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook in zoverre bekrachtigen.
Vervangende toestemming inschrijving school
5.11
Nu het hof de moeder geen vervangende toestemming verleent om naar [plaats C] te verhuizen, zal het hof de moeder evenmin toestemming verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de basisschool in [plaats C] . Ook in zoverre bekrachtigt het hof de beschikking waarvan beroep.
Hoofdverblijfplaats
5.12
De vader heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen wanneer de moeder naar [plaats C] verhuist. Nu de moeder geen toestemming krijgt om met [minderjarige] naar [plaats C] te verhuizen, komt het hof aan de beoordeling van dit verzoek niet toe. Het hof zal het (voorwaardelijke) verzoek van de vader dan ook afwijzen.
Zorgregeling
Het wettelijk kader
5.13
Uit artikel 1:253a BW volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen.
De standpunten
5.14
De vader en de moeder hebben verzoeken over de zorgregeling geformuleerd voor het geval de moeder toestemming zou krijgen om naar [plaats C] te verhuizen. Nu het hof de moeder daarvoor geen toestemming geeft, komt het hof niet toe aan de beoordeling van de daarmee samenhangende verzoeken en wijst het die verzoeken af.
5.15
De vader zou daarnaast graag willen dat zijn initiële verzoek wordt toegewezen, waarbij [minderjarige] nog één nacht extra bij de vader verblijft, namelijk de ene week van woensdag (in plaats van donderdag) uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school. De vader meent dat die regeling aansluit bij het wettelijk uitgangspunt dat ouders ieder een gelijkwaardig aandeel in de verzorging en opvoeding van hun kinderen moeten hebben. Er zijn in dit geval geen contra-indicaties om de zorgregeling precies bij helfte te verdelen. De vader wil dat graag en is flexibel om zijn werkzaamheden daarop aan te passen. Hij heeft al jaren geen 24-uursdiensten en storingsdiensten meer.
5.16
De moeder verweert zich als volgt. [minderjarige] vond het erg lastig om te horen dat zij een dag extra naar de vader moest. Zij vond de contactmomenten van voorheen ruim voldoende en begreep niet waarom deze moesten worden uitgebreid. Zij heeft er moeite mee om zoveel aaneengesloten dagen haar moeder te missen. [minderjarige] moest daarom vaak huilen wanneer zij in bed lag. [minderjarige] wil dan ook echt niet dat de omgang verder wordt uitgebreid. Inmiddels is [minderjarige] wel gewend aan de zorgregeling zoals die door de rechtbank is vastgesteld. Maar nog verdere uitbreiding zou niet in haar belang zijn. [minderjarige] zou daar dan weer opnieuw aan moeten wennen.
Bovendien heeft [minderjarige] recent een broertje gekregen. De moeder vindt het belangrijk dat er in deze periode oog is voor [minderjarige] en haar gevoelens en positie binnen het gezin. De moeder is bang dat [minderjarige] zich bij verdere uitbreiding aan de kant gezet kan gaan voelen. Een voorbeeld hiervan is dat de moeder bij toewijzing van het verzoek van de vader nooit meer mee zou kunnen naar paardrijden op woensdagmiddag, terwijl dat een gedeelde hobby van de moeder en [minderjarige] is.
Ook staat de slechte communicatie van de ouders in de weg aan uitbreiding van de zorgregeling naar een co-ouderschap.
De moeder denkt dat de vader geen tijd heeft voor [minderjarige] . Hij werkt fulltime als elektricien en biedt 24/7 diensten en storingsdiensten aan. Hij neemt [minderjarige] vaak mee naar klussen of laat haar achter bij opa en oma. De moeder heeft wel tijd voor [minderjarige] , na haar verlof gaat zij twee dagen per week werken.
De moeder vindt dat de huidige regeling de vader en [minderjarige] voldoende ruimte biedt om een goede band met elkaar op te bouwen en te houden, de vader heeft voldoende ruimte om invulling te geven aan zijn rol als vader. Het verzoek van de vader moet dan ook worden afgewezen, aldus de moeder.
Het advies van de raad
5.17
De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat er geen zwaarwegende argumenten zijn om de zorgregeling wel of niet uit te breiden. Het wettelijke uitgangspunt is dat sprake is van een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders. Dat is iets anders dat een precies gelijke verdeling in tijd tussen beide ouders. Voor [minderjarige] is het van belang dat de zorgregeling voorspelbaar is, dat sprake is van continuïteit en emotionele veiligheid. [minderjarige] moet gelegenheid hebben om zich over beide ouders een beeld te vormen, omdat zij van beide ouders voor de helft afstamt. Het is daarvoor niet nodig dat [minderjarige] precies de helft van de tijd bij ieder van de ouders verblijft. De huidige zorgregeling, zoals door de rechtbank vastgelegd, geeft [minderjarige] voldoende gelegenheid om met beide ouders een goede band te onderhouden.
De beoordeling door het hof
5.18
Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is om de zorgregeling opnieuw te wijzigen, zoals door de vader is verzocht, en zal dit verzoek afwijzen. Zoals de raad terecht heeft opgemerkt gaat het de wetgever om een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, niet om een getalsmatig exact gelijke verdeling. Uit hetgeen hierna wordt overwogen volgt dat onder de regeling die nu is vastgesteld sprake is van gelijkwaardigheid tussen beide ouders, zodat aanpassing niet in de rede ligt. Vast staat dat zowel [minderjarige] als de vader en de moeder aan de zorgregeling zijn gewend en dat deze regeling, na een periode van gewenning inmiddels naar tevredenheid loopt. Met de huidige regeling zijn de zorgtaken voor [minderjarige] bijna gelijk verdeeld, zodat beide ouders een grote rol in het leven van [minderjarige] speelt. Voor een goede band tussen de vader en [minderjarige] is het niet nodig dat [minderjarige] nog een extra nacht per twee weken bij de vader overnacht. Het belang dat de vader bij zijn verzoek heeft, is daarom beperkt. [minderjarige] heeft belang bij rust en voorspelbaarheid. Tegenover dit belang van [minderjarige] heeft de vader onvoldoende zwaarwegende argumenten ingebracht om de zorgregeling opnieuw te wijzigen. Daarbij betrekt het hof dat [minderjarige] nu de ene week door de vader naar paardrijden wordt begeleid en de andere week door de moeder. De moeder heeft onbestreden gesteld dat het paardrijden een gezamenlijke hobby is van [minderjarige] en de moeder, zodat het hof het in het belang van [minderjarige] vindt dat de moeder en [minderjarige] die hobby om de week gezamenlijk kunnen uitoefenen. Ook betrekt het hof in de beoordeling dat de moeder na haar geboorteverlof van plan is twee dagen in de week te gaan werken en daarom ruim beschikbaar is om [minderjarige] op te vangen. Dat zij een iets groter aandeel heeft in de zorgtaken voor [minderjarige] dan de vader die fulltime werkt, is daarom passend bij de situatie van partijen.
5.19
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Subelack, mr. P.F.E Geerlings en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.