Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1381

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
23-000764-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WVW 1994Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor doorrijden na aanrijding met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin verdachte werd veroordeeld voor het doorrijden na een aanrijding op 13 juli 2022. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht.

De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof legde een gevangenisstraf van drie weken op, waarvan de uitvoering werd voorwaardelijk gemaakt voor de duur van twee jaar. Daarnaast werd een taakstraf van 80 uur opgelegd, die bij niet-nakoming vervangen kan worden door 40 dagen hechtenis.

Verder werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van €750,00 voor immateriële schade toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 juli 2022. De verdachte werd verplicht deze vergoeding aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. De duur van gijzeling werd vastgesteld op maximaal zeven dagen als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken, een taakstraf van 80 uur en een schadevergoeding van €750 aan het slachtoffer.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer eerste aanleg : 13-310802-24
parketnummer hoger beroep : 23-000764-25
TEGENSPRAAK (art. 279 Sv Pro)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige strafkamer, van 15 mei 2026 gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2025 in de zaak tegen de verdachte:
naam: [verdachte]
voornamen: [verdachte]
geboren: op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]
adres: [adres] .

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
gepleegd
op 13 juli 2022 te Amsterdam.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 13 juli 2022.
Gewezen door mr. J.W.P. van Heusden, in bijzijn van mr. S.S.I. Jackson, griffier.
mr. J.W.P. van Heusden