Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1374

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
23-000216-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 94a SvArt. 10 OpiumwetArt. 2 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk voordeel uit cocaïnehandel na hoger beroep

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024 vernietigd en opnieuw recht gedaan. De betrokkene was onherroepelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van handel in cocaïne in de periode van mei 2015 tot november 2016.

De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €6.826,11 en de betrokkene verplicht tot betaling van €6.143,50. Het hof heeft de berekening van het wederrechtelijk voordeel herzien op basis van afgeluisterde telefoongesprekken, getuigenverklaringen en een rapport van een opsporingsambtenaar. Het hof concludeert dat het voordeel €6.836,00 bedraagt.

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vijf jaar in eerste aanleg en vier maanden in hoger beroep, heeft het hof de betaling aan de Staat gematigd met 10 procent, waardoor de betrokkene €6.152,00 moet betalen. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 61 dagen.

De betrokkene voerde aan dat hij slechts op tijdstippen handelde en minder verdiende, maar het hof vond onvoldoende concrete onderbouwing om van de berekening af te wijken. De ontnemingsmaatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Betrokkene wordt verplicht tot betaling van €6.152,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000216-24 (ontneming)
Datum uitspraak: 21 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-650671-16 tegen de betrokkene
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 8.700,36.
De betrokkene is bij onherroepelijk arrest van het hof Amsterdam van 17 maart 2022 veroordeeld voor, kort gezegd: feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, van de Opiumwet en feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Verder heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 januari 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 6.826,11 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.143,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waartegen beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot iets andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Standpunt van partijen

De vordering
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 6.826,11 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 5.802,19 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de betrokkene heeft ter terechtzitting gesteld dat het vonnis in de ontnemingszaak berust op een verkeerde lezing van het arrest in de strafzaak. Gezien de bewezenverklaring van het hof heeft de betrokkene niet voortdurend in cocaïne gehandeld, maar op tijdstippen. De rechtbank heeft daarom zonder voldoende concrete aanknopingspunten het wederechtelijk verkregen voordeel bepaald op een te hoog bedrag. De betrokkene heeft gesteld dat hij in de bewezenverklaarde periode met de handel in cocaïne uiteindelijk niet meer dan € 1.800,00 heeft verdiend.

De grondslag van de ontnemingsvordering

De grondslag
De betrokkene is in de strafzaak onherroepelijk veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en het medeplegen van de handel in cocaïne in de periode van 15 mei 2015 tot en met 15 november 2016. Aannemelijk is dat deze strafbare feiten er toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De schatting van het wederrechtelijk voordeel wordt ontleend aan de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling bij het vonnis in de ontneming en de inhoud van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport). [1] De betrokkene heeft erkend dat hij samen met anderen in de periode van 15 mei 2015 tot en met 15 november 2016 in cocaïne heeft gehandeld.
De betrokkene stelt dat hij in die periode 2 à 3 dagen per week handelde in cocaïne. Hij heeft verklaard dat hij voor de verkoop van een halve gram € 5,00 verdiende. [2] De verdediging heeft ten aanzien van het aantal dagen dat de betrokkene handelde verwezen naar de inhoud van het arrest in de strafzaak waarin is vermeld dat de betrokkene zich gedurende een periode van zes maanden ‘op tijdstippen’ schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. Het hof ziet hierin geen aanleiding om aan te nemen dat de betrokkene, die zes maanden heeft gehandeld, minder per maand heeft verdiend dan de medebetrokkenen. Enige onderbouwing waaruit volgt dat de betrokkene 2 à 3 dagen per week handelde is niet gegeven. Gelet op de bewijslastverdeling in ontnemingszaken ligt het op de weg van de betrokkene om dit aannemelijk te maken. Het hof ziet daarom geen aanleiding af te wijken van de berekende opbrengst per maand per dealer zoals deze uit het rapport en de berekening die mr. Rijkhoff in de zaak van een medebetrokkene – en die in het voordeel van de betrokkene is – heeft gemaakt.
Uit het onderzoek is gebleken dat de betrokkene samen met anderen gebruik maakte van twee werktelefoons, hierna genoemd dealertelefoon 1 ( [telefoonnummer 1] ) en dealertelefoon 2 ( [telefoonnummer 2] ). [3] Deze telefoons rouleerden dagelijks binnen de leden van de groep.
Uit de inhoud van het dossier (met name afgeluisterde telefoongesprekken, observaties en getuigenverklaringen) en de eigen verklaring van betrokkene(n), kan worden afgeleid dat de volgende werkwijze door de groepering is gevolgd: de afnemers belden naar één van de dealertelefoons, gaven hun bestelling door en vervolgens werd afgesproken waar de cocaïne zou worden afgeleverd. Een halve gram cocaïne kostte € 25,00 en een hele gram € 50,00. Voor het afleveren van bestellingen in de binnenstad van Amsterdam werd veelal gebruik gemaakt van een (rode) huurfiets of een scooter. Buiten het centrum werd de cocaïne met de auto afgeleverd. [4]
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof verenigt zich met de wijze van berekening zoals door de rechtbank is gehanteerd, met dien verstande dat het hof de periode:
‘2 oktober 2016 - 11 oktober 2016’ wijzigt in ‘1 oktober 2016 - 11 oktober 2016’ Deze periode telt 11 dagen in plaats van 10 dagen.
Aantal deals
De twee dealertelefoons die zijn gebruikt voor de cocaïnehandel, zijn gedurende een periode afgetapt. Deze periode wordt hierna de gemeten periode genoemd. De gemeten periode beslaat voor dealertelefoon 1 de periode van 12 oktober 2016 tot en met 4 november 2016, oftewel 24 dagen. Voor dealertelefoon 2 is dit de periode van 19 oktober 2016 tot en met 14 november 2016, oftewel 27 dagen.
In het rapport is een aantal deals binnen de gemeten periode vastgesteld. Mr. Rijkhoff voornoemd, heeft in eerste aanleg een daarvan afwijkend aantal deals geteld. Met de rechtbank en de advocaat-generaal neemt het hof, in het voordeel van de betrokkene, de berekening van deze raadsvrouw als uitgangspunt.
Dit betekent dat in de gemeten periode voor dealertelefoon 1 181 deals tot stand zijn gekomen en voor dealertelefoon 2 174 deals. Met de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om 15% van dit aantal deals af te trekken. De omstandigheid dat sommige deals niet slagen, is immers al meegenomen in de berekening van mr. Rijkhoff.
Het gemiddeld aantal deals
per dagis voor dealertelefoon 1 (181: 24 =) 7,54.
Voor dealertelefoon 2 is dit (174 : 27 =) 6,44.
Het gemiddeld aantal deals
per maandvoor dealertelefoon 1 is (7,54 x 365 : 12 =) 229,39.
Voor dealertelefoon 2 (6,44 x 365 : 12 =) 196,02.
De periode waarin met de twee telefoons is gedeald, is de periode van 1 januari 2015 tot en met
15 november 2016. Op basis van extrapolatie kan het totaal aantal deals in deze periode als volgt worden berekend:
Dealertelefoon 1
1 januari 2015 - 1 oktober 2016: 21 maanden
229,39 x 21 = 4.817,24 deals
1 oktober 2016 - 11 oktober 2016: 11 dagen
7,54 x 11 = 82,96 deals
12 oktober 2016 - 4 november 2016 (gemeten periode): 181 deals
5 november 2016 - 15 november 2016: 11 dagen
7,54 x 11= 82,96 deals
Totaal aantal deals telefoon 1: 4.817,24 + 82,96 + 181 + 82,96 = 5.164,16 deals.
Dealertelefoon 2
1 januari 2015 - 1 oktober 2016: 21 maanden
196,02 x 21 = 4.116,39 deals
1 oktober 2016 - 18 oktober 2016: 18 dagen
6,44 x 18 = 115,92 deals
19 oktober 2016 - 14 november 2016 (gemeten periode): 174 deals
Totaal aantal deals telefoon 2: 4.116,39 + 115,92 + 174 = 4.406,31 deals.
Totaal aantal deals beide telefoons: 5.164,16 + 4.406,31 = 9.570,47 deals.
Opbrengst dealers
De betrokkene is één van de dealers geweest. Uit de verschillende verklaringen van de leden van de organisatie kan worden afgeleid dat de dealer € 5,00 voor elke verkochte halve gram en € 10,00 voor elke hele gram kreeg. Op basis van de getuigenverklaringen gaat het hof ervan uit dat 75% van de deals halve grammen betroffen en 25% van de deals hele grammen. Dit is anders dan in het proces-verbaal ontneming, waarin tot 50% halve grammen en 50% halve grammen werd gekomen.
Het aantal verkochte halve grammen is 9.570,47 x 0,75 = 7.177,85. Alle dealers bij elkaar hebben hiermee 7.177,85 x 5 = € 35.889,26 verdiend.
Het aantal verkochte hele grammen is 9.570,47 x 0,25 = 2.392,62. Alle dealers bij elkaar hebben hiermee 2.392,62 x 10 = € 23.926,20 verdiend.
Dat maakt dat alle dealers bij elkaar in totaal € 35.889,26 + € 23.926,20 = € 59.815,46 hebben verdiend. Alle 5 dealers bij elkaar hebben 52,5 maanden gehandeld in cocaïne. De opbrengst voor de dealers per maand is dan € 59.815,46 : 52,5 = € 1.139,34.
Opbrengst betrokkene
De betrokkene heeft zich gedurende een periode van 6 maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Het hof berekent zijn verdiensten uit de drugshandel als volgt:
€ 1.139,34 x 6 maanden = € 6.836,04.
Het hof concludeert uit het voorgaande dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, geschat op een bedrag van in totaal € 6.836,04, afgerond tot
€ 6.836,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De raadsman heeft het hof verzocht ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn minimaal 30% in mindering te brengen op het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in dit geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Uit het dossier blijkt dat de machtiging tot het leggen van beslag ex artikel 94a Sv op 23 december 2016 aan de betrokkene is betekend. Het ontnemingsvonnis dateert van
17 januari 2024. In eerste aanleg is daarmee de redelijke termijn overschreden met ongeveer 5 jaren en 3 weken. Op 26 januari 2024 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 21 mei 2026. Dat betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met ongeveer 4 maanden. Het hof ziet in deze forse overschrijding aanleiding om de verplichting tot betaling aan de Staat te matigen met 10 procent. Het hof ziet geen aanleiding voor een verdere matiging.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van (€ 6.836,04 minus
10 procent is) € 6.152,44, afgerond tot
€ 6.152,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.836,00 (zesduizend achthonderdzesendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 6.152,00 (zesduizend honderdtweeënvijftig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 61 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2026.
Mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36 e lid 2 Sr van 28 januari 2019, opgesteld door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina’s 1 tot en met 11.
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 november 2016, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossierpagina’s 739 tot en met 743, bewijsmiddel 2 bij het vonnis in de ontneming.
3.Proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, algemeen dossier deel 2, dossierpagina’s 463 tot en met 470.
4.het rapport, pagina 4 en 5.