Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1370

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
23-001872-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 SrArt. 31 SrArt. 57 SrArt. 194 SrArt. 343 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bestuurder voor faillissementsfraude door buitensporig middelenverbruik en niet verstrekken inlichtingen

De verdachte was algemeen directeur en statutair bestuurder van [bedrijf 1] B.V. in de periode voorafgaand aan het faillissement van de vennootschap op 2 februari 2018. Hij maakte zich schuldig aan het doen van buitensporige en niet-zakelijke uitgaven ten laste van de vennootschap, waaronder het beëindigen van een leasecontract van een Mercedes en het aangaan van een duurdere lease voor een Porsche, het aangaan van huurovereenkomsten voor woningen die privé werden gebruikt, en het laten uitvoeren van privéopdrachten via een dochteronderneming waarvan hij zelf bestuurder was. Tevens onttrok hij zonder zakelijke reden geldbedragen aan de boedel, waardoor schuldeisers werden benadeeld.

Daarnaast heeft de verdachte niet voldaan aan zijn wettelijke inlichtingenplicht door gevraagde stukken niet aan de curator te verstrekken, wat de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkte. De rechtbank veroordeelde hem eerder tot 9 maanden gevangenisstraf waarvan 6 voorwaardelijk en een ontzetting van 10 jaar. Het hof vernietigde dit vonnis en legde een gevangenisstraf van 8 maanden onvoorwaardelijk op, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en ontzette hem voor 5 jaar van het recht statutair bestuurder te zijn.

Het hof achtte bewezen dat de verdachte wist van de slechte financiële situatie van de vennootschap en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat schuldeisers door zijn handelen in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. Zijn eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten versterkte de strafoplegging. De verdachte verscheen niet in hoger beroep om zijn handelen toe te lichten en toonde geen inzicht in de ernst van zijn handelen.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf en ontzetting van het recht statutair bestuurder te zijn voor 5 jaar wegens faillissementsfraude en het niet verstrekken van inlichtingen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-001872-24
Datum uitspraak: 23 april 2026
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2024 in de strafzaak onder parketnummer 81-030927-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1957,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
9 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij, verdachte, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., voor de intreding van het faillissement van die rechtspersoon op 2 februari 2018, te weten in of omstreeks de periode van 10 januari 2017 tot en met 22 september 2017, te Harderwijk en/of Amersfoort en/of Maarssen (gemeente Stichtse Vecht), althans in Nederland,
buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd, dan wel hieraan heeft meegewerkt en/of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven, en/of
goederen, althans enig goed, aan de boedel heeft onttrokken, door:
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. de lease-overeenkomst van een Mercedes CLS te (doen) beëindigen en in plaats daarvan een Porsche Panamera 4.0 V8 te leasen (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 63.606, althans een bedrag); en/of
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. huurovereenkomsten aan te (doen) gaan met betrekking tot woningen te Amersfoort en Dordrecht (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 27.918, althans een bedrag); en/of
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. (een) opdracht(en) te (doen) geven aan [bedrijf 2] B.V. voor privédoeleinden (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 8.759, althans een bedrag); en/of
- bedragen ad:
- EUR 15.681 (DOC-007, p. 2, 3); en/of
- EUR 17.856 (DOC-007, p. 4, 5); en/of
- EUR 14.000 (DOC-007, p. 6); en/of
- EUR 6.925,42 (DOC-004, p.11, 12 en DOC-037), althans EUR 5.880 (te weten EUR 8.600 minus het brutoloon van dhr. [persoon 1] ad EUR 2.720, zie DOC-004, p. 11, 12, DOC-037 en DOC-009, p. 20 - 23); zonder zakelijke reden over te (doen) maken aan [bedrijf 3] B.V., waarvan verdachte zelf enig aandeelhouder en bestuurder was (DOC-002, p. 1 en 2);
terwijl hij, verdachte, wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
subsidiairhij, verdachte, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., voor de intreding van het faillissement van die rechtspersoon op 2 februari 2018, te weten in of omstreeks de periode van 10 januari 2017 tot en met 22 september 2017, te Harderwijk en/of Amersfoort en/of Maarssen (gemeente Stichtse Vecht), althans in Nederland,
buitensporig middelen van voornoemde rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd dan wel hieraan heeft meegewerkt en/of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven, door:
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. de lease-overeenkomst van een Mercedes CLS te (doen) beëindigen en in plaats daarvan een Porsche Panamera 4.0 V8 te leasen (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 63.606, althans een bedrag); en/of
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. huurovereenkomsten aan te (doen) gaan met betrekking tot woningen te Amersfoort en Dordrecht (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 27.918, althans een bedrag); en/of
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. (een) opdracht(en) te (doen) geven aan [bedrijf 2] B.V. voor privédoeleinden (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 8.759, althans een bedrag); en/of
- bedragen ad
- EUR 15.681 (DOC-007, p. 2, 3); en/of
- EUR 17.856 (DOC-007, p. 4, 5); en/of
- EUR 14.000 (DOC-007, p. 6); en/of
- EUR 6.925,42 (DOC-004, p.11, 12 en DOC-037), althans EUR 5.880 (te weten EUR 8.600 minus het brutoloon van dhr. [persoon 1] ad EUR 2.720, zie DOC-004, p. 11, 12, DOC-037 en DOC-009, p. 20 - 23); zonder zakelijke reden over te (doen) maken aan [bedrijf 3] B.V., waarvan verdachte zelf enig aandeelhouder en bestuurder was (DOC-002, p. 1 en 2);
ten gevolge waarvan een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld;
meer subsidiairhij, verdachte, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., al dan niet met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, buitensporig middelen van voornoemde rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven en/of vervreemd dan wel hieraan heeft meegewerkt en/of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven, door:
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. de lease-overeenkomst van een Mercedes CLS te (doen) beëindigen en in plaats daarvan een Porsche Panamera 4.0 V8 te leasen (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 63.606, althans een bedrag); en/of
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. huurovereenkomsten aan te (doen) gaan met betrekking tot woningen te Amersfoort en Dordrecht (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 27.918, althans een bedrag); en/of
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. (een) opdracht(en) te (doen) geven aan [bedrijf 2] B.V. voor privédoeleinden (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van EUR 8.759, althans een bedrag); en/of
- bedragen ad
- EUR 15.681 (DOC-007, p. 2, 3); en/of
- EUR 17.856 (DOC-007, p. 4, 5); en/of
- EUR 14.000 (DOC-007, p. 6); en/of
- EUR 6.925,42 (DOC-004, p.11, 12 en DOC-037), althans EUR 5.880 (te weten EUR 8.600 minus het brutoloon van dhr. [persoon 1] ad EUR 2.720, zie DOC-004, p. 11, 12, DOC-037 en DOC-009, p. 20 - 23); zonder zakelijke reden over te (doen) maken aan [bedrijf 3] B.V., waarvan verdachte zelf enig aandeelhouder en bestuurder was (DOC-002, p. 1 en 2);
ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden en het voortbestaan in gevaar is gekomen;
2.
hij, verdachte, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 oktober 2018 tot en met heden te Breda en/of Harderwijk en/of Dordrecht, althans in Nederland,
als degene die als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., die op 2 februari 2018 in staat van faillissement was verklaard, wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen,
heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven en/of opzettelijk onvolledige inlichtingen heeft gegeven door de door curator gevraagde stukken niet aan te leveren en/of door andere dan de gevraagde stukken aan te leveren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vernietiging vonnis

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Voor een belangrijk deel zijn de overwegingen van de rechtbank overgenomen.

Inleiding

Bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 2 februari 2018 is [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) in staat van faillissement verklaard. De verdachte is van 10 januari 2017 tot en met
22 september 2017 algemeen directeur van de vennootschap geweest. Op 9 juli 2019 heeft de curator
mr. C. Bijl melding gedaan van mogelijke faillissementsfraude door de verdachte als bestuurder van [bedrijf 1] . Op 18 januari 2021 heeft de curator mr. F.W. Aartsen aangifte gedaan. In de melding van mr. Bijl is gesteld dat de verdachte in zijn tijd als algemeen directeur van [bedrijf 1] meerdere, niet-zakelijke uitgaven heeft gedaan waarbij alleen hij in privé belang had. In de aangifte is beschreven dat deze uitgaven zijn gedaan in het zicht van het faillissement en dat hierdoor schuldeisers zijn benadeeld. Daarnaast heeft de aangever gesteld dat de verdachte niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht tegenover de curator.
Het hof moet de vraag beantwoorden of de verdachte als bestuurder van [bedrijf 1] buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt en/of geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken, wetende dat hierdoor schuldeisers zouden worden benadeeld (feit 1 primair), dan wel of sprake is van buitensporig middelenverbruik (subsidiair) voor faillissement of (meer subsidiair) buiten faillissement. Verder is de vraag of de verdachte als bestuurder van [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht ten opzichte van de curator (feit 2).

Bewijsoverwegingen

Feiten en omstandigheden
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. [1]
[bedrijf 1] , waaronder onder meer de dochtervennootschap [bedrijf 4] B.V. viel, is op 2 februari 2018 failliet verklaard. [2]
De verdachte is op 10 januari 2017 in functie getreden als algemeen directeur van [bedrijf 1] en bij besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van [bedrijf 1] van
1 februari 2017 is hij benoemd tot statutair-directeur en zelfstandig bevoegd bestuurder van de vennootschap. [3] Op 22 september 2017 is de verdachte ontslagen. [4] [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), bestuurder en grootaandeelhouder van de vennootschap, heeft de verdachte benoemd omdat hij geloofde dat de verdachte het bedrijf kon redden. [5] Het ging namelijk niet goed met de vennootschap. De controller van [bedrijf 1] , [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ), heeft verklaard dat [bedrijf 1] op dat moment al technisch failliet was. [6]
De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het bedrijf ‘technisch failliet’ was. [7]
De verdachte heeft ook verklaard als medebestuurder maatregelen te hebben genomen om de onderneming voort te kunnen zetten. Zo zou hij twee blauwdrukken hebben geschreven op basis waarvan ABN AMRO de financiering van [bedrijf 1] doorzette. Daarnaast zou hij de belastingschuld van de vennootschap omlaag hebben gebracht en een borgstelling hebben geregeld voor een ander deel van deze schuld. Ook had hij het plan om [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ) over te nemen, hetgeen ervoor zou hebben gezorgd dat [bedrijf 1] nooit had hoeven failleren. [bedrijf 1] zou in 2017 ‘floreren’. Het hof stelt op grond van de volgende getuigenverklaringen en documenten vast dat dit niet klopt.
[persoon 3] heeft verklaard dat er in 2017 niets is veranderd aan de financiële situatie van de vennootschap. De verdachte heeft praktisch geen maatregelen getroffen om de situatie van de vennootschap te verbeteren. Van beleidsombuigingen was geen sprake. [8] [persoon 3] heeft verklaard meerdere keren aan de verdachte kenbaar te hebben gemaakt dat de vennootschap niet in staat was om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Hij heeft iedere dag de financiële gegevens van de vennootschap aan de verdachte gerapporteerd. De verdachte kon ook op basis daarvan zien hoe het met het bedrijf ging. [9]
[persoon 4] , medewerker van de afdeling ‘Bijzonder Beheer’ van ABN AMRO, heeft verklaard dat de verstrekking van extra krediet door ABN AMRO niets te maken had met het door verdachte gevoerde beleid. Het extra krediet werd verleend vanwege een achterstand in de facturering waardoor [bedrijf 1] een liquiditeitsprobleem had. [10] Voor het plan van de overname van [bedrijf 5] , dat volgens de verdachte gefinancierd zou worden door ABN AMRO, heeft de verdachte nooit stukken aangeleverd. De bank heeft daarom überhaupt nooit een offerte voor een financiering hiervan opgesteld. [11] Verder heeft [persoon 4] verklaard dat [bedrijf 1] er in september 2017 vele malen slechter voor stond dan de bank de maand daarvoor te horen had gekregen. Ook was de achterstand bij de Belastingdienst vele malen hoger dan zij wist. [12]
In e-mailberichten verstuurd door de invorderaar van de Belastingdienst, [persoon 5] , is te lezen dat [persoon 5] op 19 april 2017 heeft aangegeven een dwanginvorderingsprocedure te starten omdat de verdachte heeft nagelaten een betalingsvoorstel te doen en om de gevraagde en vereiste zekerheid te verstrekken. [13] Op 9 augustus 2017 [14] en 14 september 2017 [15] heeft [persoon 5] gevraagd naar een hypotheekakte die de verdachte had beloofd te verstrekken. [16] Wederom is aangegeven dat een dwanginvorderingsprocedure zal worden gestart indien de verdachte nalaat dit te doen. Tot slot blijkt uit een overzicht van de Belastingdienst dat de openstaande schulden van [bedrijf 1] bij de Belastingdienst van januari 2017 tot en met september 2017 alleen maar zijn toegenomen. [17]
Nadat de toestand van [bedrijf 1] in september 2017 bij ABN AMRO aan het licht is gekomen, heeft de vennootschap nog geprobeerd overeenstemming te bereiken met de bank. De gesprekken hebben echter nergens toe geleid. Volgens de curator kon geen oplossing worden gevonden; [bedrijf 1] is vervolgens gefailleerd. [18]
Leaseovereenkomst Porsche
Begin juli 2017 heeft de verdachte de lease van de Mercedes die [bedrijf 1] financierde beëindigd en heeft in plaats daarvan een leasecontract voor een Porsche Panamera afgesloten. Het leasecontract van de Porsche, eveneens op naam gesteld van [bedrijf 1] , is door de verdachte ondertekend. [19] [persoon 2] heeft verklaard dat de bewering van de verdachte, dat [persoon 2] deze auto voor de verdachte zou hebben geregeld als beloning, niet klopt. [20] Het beëindigen van het ene en het aangaan van het andere leasecontract, bracht de volgende kosten met zich. De maandelijkse leasekosten van de Mercedes bedroegen € 2.106,78 excl. BTW. [21] Door de voortijdige beëindiging van de overeenkomst van de Mercedes ontving [bedrijf 1] een factuur van € 13.190,51 exclusief BTW. [22] Met ingang van 7 juli 2017 werd de Porsche Panamera 4.0 V8 geleased voor € 3.259,00 per maand excl. BTW. [23] De kosten van deze lease tot en met 30 september 2017 bedroegen € 9.146,00 exclusief BTW. [24] Minus de kosten die de lease van de Mercedes met zich zou hebben gebracht, te weten € 5.912,58, bedroeg de lease van de Porsche daarom € 3.233,42 aan extra kosten. Toen de lease van de Porsche – vanwege het ontslag van de verdachte – werd beëindigd, ontving [bedrijf 1] een factuur van € 47.182,81 excl. BTW. [25] Het totaal van deze kosten bedraagt € 63.606,74.
Huurovereenkomsten
Met ingang van 7 april 2017 is op naam van [bedrijf 1] voor een jaar een woning gehuurd aan de [adres 2] voor de huurprijs van € 1.995,00 per maand. [26] De woning werd bewoond door de verdachte en zijn vriendin [persoon 6] . [27] De huur werd betaald door [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ), een onderneming waarvan de verdachte zelf enig aandeelhouder en bestuurder was. [28] Vanaf 1 december 2017 bleef [bedrijf 3] daarmee echter in gebreke, waardoor [bedrijf 1] werd geconfronteerd met een huurvordering, vermeerderd met incassokosten, verbeurde boetes, rente en opleveringsschade van in totaal € 11.339,93 [29] die uiteindelijk als concurrente vordering in het faillissement is ingediend, en een boedelvordering vanwege huur vanaf faillissementsdatum (€ 4.317,75) [30] en kosten van een ontruimings-kortgeding van € 8.886,34 excl. BTW. [31] Daarmee bedroegen de totale kosten voor [bedrijf 1] € 24.544,02.
Verder bleek vanaf 1 juni 2017 op naam van [bedrijf 1] een woning te zijn gehuurd aan de [adres 3] voor de huurprijs van € 950,00 per maand, ten behoeve van de schoonzus van de verdachte, die daar woonde, en de vriendin van de verdachte die vanuit deze woning omgang zou kunnen hebben met haar kinderen. [32] De huur werd betaald door [bedrijf 3] tot 1 december 2017. De huur, die door opzegging is geëindigd per 28 februari 2018, is niet betaald vanaf 1 december 2017, zodat in het faillissement van [bedrijf 1] een vordering is ingediend van € 2.850,00 vermeerderd met rente en kosten. Daarmee bedroegen de kosten voor [bedrijf 1] in totaal € 3.374,21. [33]
[persoon 2] heeft verklaard dat hij niets wist van genoemde huurovereenkomsten en dat hij dit, had hij er van geweten, nooit zou hebben goedgekeurd. [34] Ook blijkt uit de correspondentie tussen de verdachte en de verhuurders van de woningen niet dat iemand van de vennootschap - anders dan de verdachte - kennis heeft gehad van de huur van woningen. Beide huurcontracten zijn ondertekend door de verdachte en op naam gesteld van [bedrijf 1] . Alle in het dossier opgenomen correspondentie is gericht aan de verdachte en niet aan [bedrijf 1] . [35]
Opdracht [bedrijf 2]
Op 9 juni 2017 heeft de verdachte namens [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] de opdracht gegeven om de kinderen van zijn vriendin te observeren terwijl zij bij hun vader verbleven. [36] heeft hiervoor € 8.759,- in rekening gebracht. [37] [persoon 2] heeft verklaard dat hij nooit met iemand van [bedrijf 2] heeft gesproken en dat hij niet wist van dit onderzoek dat de verdachte heeft laten uitvoeren. [38]
Het doen uitbetalen van geldbedragen aan [bedrijf 3]
Op 9 mei 2017 heeft de verdachte – als enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 3] – een factuur aan [bedrijf 4] B.V., een dochter van [bedrijf 1] , gestuurd voor € 15.681,00 exclusief BTW met de omschrijving ‘gemaakte kosten’. [39] Een specificatie van deze factuur ontbreekt. Het bedrag is (€ 18.974,01 inclusief BTW) door [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] betaald. [40]
Op 6 september 2017 heeft de verdachte – als enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 3] – een factuur aan [bedrijf 4] B.V. gestuurd voor een bedrag van € 17.856,00, zonder BTW, met als vermelding ‘diverse bankzaken’. [41] Een specificatie van deze factuur ontbreekt. Het bedrag is door [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] betaald (zo blijkt uit het factuurnummer op het bankafschrift). [42] [persoon 2] heeft verklaard dat de verdachte hem een cruise heeft aangeboden, die de verdachte uit eigen zak zou betalen. Dat is niet gebeurd, [bedrijf 1] heeft deze reis van € 17.856,00 betaald. [43]
Op 15 augustus 2017 heeft de verdachte [bedrijf 1] € 14.000,00 laten overboeken naar [bedrijf 3] met als omschrijving: RC (het hof begrijpt: rekening courant) diversen. [44] Stukken waarin toestemming voor deze betaling en onderliggende rekening courant-verhouding wordt gegeven, ontbreken.
Per 1 februari 2017 heeft de verdachte [persoon 1] benaderd om werkzaamheden voor [bedrijf 1] uit te voeren. Voor die werkzaamheden heeft [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] B.V. een bedrag van € 10.050,00 (exlusief BTW) in rekening gebracht. [45] Van dit bedrag is een factuur van € 1.450,00 onbetaald gebleven. [46] In totaal heeft [bedrijf 1] daardoor € 8.600,00 (exclusief BTW) aan [bedrijf 3] betaald, terwijl [persoon 1] van [bedrijf 3] € 1.674,58 heeft ontvangen. [47] Het resterende bedrag (€ 8.600,00 minus
€ 1.674,58) heeft de verdachte dus in [bedrijf 3] achtergehouden. [persoon 2] heeft verklaard dat [persoon 1] destijds al in loondienst was bij [bedrijf 1] en dat hij er pas later achter is gekomen dat [bedrijf 3] ook nog voor [persoon 1] factureerde. [48]
Handelend als bestuurder van de rechtspersoon
Uit de leaseovereenkomst met betrekking tot de Porsche, de huurovereenkomsten en de opdracht aan [bedrijf 2] , blijkt dat de verdachte degene is geweest die deze overeenkomsten namens [bedrijf 1] is aangegaan. Voor de overboeking van € 14.000,00 en de overboeking van € 15.681,00 (exclusief BTW) heeft de verdachte geen verklaring gegeven, maar vaststaat dat deze overboekingen vanaf de bedrijfsrekening rechtstreeks ten goede van (het bedrijf [bedrijf 3] van) de verdachte zijn gekomen. Dat iemand anders dan de verdachte voor deze uitgaven van [bedrijf 1] verantwoordelijk zou zijn geweest, is daarmee onaannemelijk. De stelling van de verdachte dat het bedrag van € 17.856,00 een terugbetaling, waarvan hij dus op de hoogte was, betreft voor het voorschieten van een cruise van [persoon 2] , wordt weersproken door de verklaring van [persoon 2] dat hij die cruise van de verdachte cadeau had gekregen. Tot slot wist de verdachte ook van de betaling door [bedrijf 1] voor werkzaamheden van [persoon 1] , aangezien de factuur van [bedrijf 3] kwam. Dat bedrijf hield daar overigens, en nog afgezien van het feit dat [persoon 1] in loondienst was van [bedrijf 1] , een buitensporige winstmarge aan over.
Niet verstrekken van inlichtingen
Uit een gespreksverslag van 16 oktober 2018 tussen de curator en de verdachte (door hem ondertekend op 19 december 2018), blijkt dat de curator verschillende stukken bij de verdachte heeft opgevraagd. [49] Op 26 januari 2021 heeft de curator aan de FIOD een lijst toegestuurd met de stukken die, ondanks afspraken hierover, niet aan hem zijn overhandigd tijdens de afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 1] . [50] Deze lijst komt overeen met de stukken die de curator op 16 oktober 2018 bij de verdachte heeft opgevraagd en die hij, zoals blijkt uit het ondertekende gespreksverslag, heeft toegezegd te zullen verstrekken.
Conclusie feit 1, benadeling van schuldeisers
De verdachte heeft als statutair-directeur en zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf 1] , voor het faillissement, verschillende uitgaven gedaan of laten doen en is onverplichte schulden aangegaan die ten laste van het vermogen en/of liquiditeit van de vennootschap zijn gekomen. De volgende vraag is of de verdachte hiermee opzettelijk een of meer schuldeisers van het nadien failliet verklaarde bedrijf heeft benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Onder dit opzet is ook voorwaardelijk opzet begrepen. Hiervoor moet worden bewezen dat er een aanmerkelijke kans was dat de schuldeisers zouden worden benadeeld en dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. Ook moet worden bewezen dat de schuldeisers als gevolg van dat handelen daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.
Aanmerkelijke kans op de benadeling van schuldeisers
Op het moment dat de verdachte de dagelijkse leiding van [bedrijf 1] in handen kreeg was het bedrijf ‘technisch failliet'. Hij wist dat ook zoals hij zelf heeft verklaard. De controller [persoon 3] heeft de verdachte nadien meerdere malen verteld dat de vennootschap niet of nauwelijks aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen. En dagelijks heeft [persoon 3] de financiële gegevens van de onderneming aan de verdachte gerapporteerd. De schulden van de vennootschap liepen op in de periode dat de verdachte bestuurder was. De verdachte wist dus van de zeer slechte financiële situatie van de vennootschap. Desondanks heeft de verdachte verschillende, niet zakelijke, uitgaven gedaan of laten doen. Gelet op de aard en grootte van deze uitgaven, zoals hiervoor omschreven en die op geen enkele manier tot financieel voordeel voor de vennootschap konden leiden, kwalificeren deze als buitensporig.
Terzijde merkt het hof op dat zelfs als de verklaringen van de verdachte over de uitgaven zouden kloppen, hij deze nooit had mogen doen. Als bestuurder van de vennootschap, ook alleen bevoegd, met een grote eigen verantwoordelijkheid, moet de verdachte hebben geweten dat de vennootschap zich deze uitgaven, waaraan geen zakelijke reden ten grondslag lag, niet kon permitteren. Als bestuurder had hij deze in het belang van de vennootschap moeten tegenhouden, ook als deze door [persoon 2] zouden zijn geïnitieerd en/of goedgekeurd.
Door deze uitgaven te doen en geldbedragen aan de boedel te onttrekken, heeft de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het benadelen van de schuldeisers van [bedrijf 1] , die daadwerkelijk failliet is gegaan. Financieel stond het bedrijf op het randje van de afgrond en toch heeft verdachte geld van de vennootschap uitgegeven, dat alleen hem ten goede kwam, voor zaken die niets of zeer weinig met de bedrijfsvoering te maken hadden. De verdachte moet zich daarom bewust zijn geweest van het feit dat ingeval van een faillissement de schuldeisers daardoor nog minder verhaal zouden hebben. Door zo te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers van [bedrijf 1] zouden worden benadeeld.
Daadwerkelijke benadeling schuldeisers
Uit de aangifte van de curator blijkt dat de schuldeisers van [bedrijf 1] ook daadwerkelijk zijn benadeeld door de gedragingen van de verdachte. Dat verdachte de kosten voor de huurwoning in Amersfoort inmiddels vergoed zou hebben, hetgeen volgens zijn verklaring in eerste aanleg zou blijken uit de door hem geleverde stukken, doet daar niet aan af. Immers, deze kosten maakten deel uit van de totale boedelschuld. De schuldeisers zijn hierdoor benadeeld, omdat het faillissement is geëindigd voordat deze vordering door de verdachte zou zijn voldaan.
Gelet op al het voorgaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde.
Conclusie feit 2, het niet geven van de vereiste inlichtingen
De verdachte heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven door de door de curator gevraagde stukken niet (tijdig) aan te leveren. De bewering dat de verdachte dit wel zou hebben gedaan, wordt weerlegd door de inhoud van de genoemde bewijsmiddelen. Het hof is van oordeel dat het mogelijk later aanleveren van een deel van de gevraagde stukken bij de FIOD, wat daarvan ook zij, niets aan dit oordeel verandert. Voor zover bepaalde stukken niet zouden bestaan, zoals de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard, stelt het hof vast dat de verdachte op 16 oktober 2018 tegenover de curator heeft toegezegd de gevraagde stukken te zullen verstrekken. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair
verdachte als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., voor de intreding van het faillissement van die rechtspersoon op 2 februari 2018, te weten in de periode van 10 januari 2017 tot en met 22 september 2017, in Nederland,
buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt en of uitgegeven, dan wel hieraan heeft meegewerkt en/of daarvoor zijn toestemming heeft gegeven, en
goederen aan de boedel heeft onttrokken, door:
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. de lease-overeenkomst van een Mercedes CLS te beëindigen en in plaats daarvan een Porsche Panamera 4.0 V8 te leasen (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van € 63.606,00); en
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. huurovereenkomsten aan te gaan met betrekking tot woningen in Amersfoort en Dordrecht (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van € 27.918,00); en
- in naam en op kosten van [bedrijf 1] B.V. een opdracht te doen geven aan [bedrijf 2] B.V. voor privédoeleinden (leidende tot kosten voor [bedrijf 1] B.V. van € 8.759,00);
- en bedragen ad € 15.681,00, € 17.856,00, € 14.000,00 en € 6.925,42, zonder zakelijke reden over te (doen) maken aan [bedrijf 3] B.V., waarvan verdachte zelf enig aandeelhouder en bestuurder was;
terwijl hij wist dat hierdoor een of meer schuldeisers van voornoemde rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;
2.
verdachte in de periode van 16 oktober 2018 tot en met 18 januari 2021 in Nederland,
als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., die op 2 februari 2018 in staat van faillissement was verklaard, wettelijk verplicht was tot het geven van inlichtingen,
heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, door de door de curator gevraagde stukken niet aan te leveren.
Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, zoals deze zijn beschreven onder het kopje ‘redengevende feiten en omstandigheden’.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd
en
als bestuurder van een rechtspersoon, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers van de rechtspersoon in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor de intreding van het faillissement, terwijl dit is gevolgd, buitensporig middelen van de rechtspersoon verbruiken of uitgeven, danwel hieraan meewerken of daarvoor zijn toestemming geven, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
in het faillissement van een ander wettelijk verplicht zijn tot het geven van inlichtingen en weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 10 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd voor de duur van 5 jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan faillissementsfraude, door buitensporig middelen te verbruiken en uit te geven en door ten onrechte geldbedragen aan de boedel te onttrekken. Het benadelingsbedrag zoals berekend door de curator is in totaal € 168.546,00 (DOC-004, p. 137).
De verdachte wist dat het bedrijf in zwaar weer verkeerde, maar heeft desondanks binnen een periode van bijna negen maanden tijd de positie van de onderneming verder verzwakt. Hij heeft zichzelf in privé bevoordeeld ten nadele van de rechtspersoon en de schuldeisers. Met het oog op snel en gemakkelijk eigen financieel gewin, heeft hij zich op geen enkele manier rekenschap gegeven van de financiële schade die hij heeft aangericht. Immers, op het moment dat de rechtspersoon in staat van faillissement werd verklaard, was door zijn handelen minder geld in de boedel aanwezig om onder de schuldeisers te verdelen. Schuldeisers kunnen hierdoor in de problemen komen met het betalen van hun eigen rekeningen en zelf eventueel ook failliet gaan. Daarnaast heeft de verdachte niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht ten opzichte van de curator door bepaalde gevraagde stukken niet aan te leveren. Daarmee heeft verdachte de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg de feiten ontkend en is in hoger beroep niet verschenen om zijn handelen toe te lichten. Hij heeft het hof zodoende geen enkel inzicht getoond in (het kwalijke van) zijn handelen.
Het hof houdt rekening met straffen die meestal worden opgelegd voor het plegen van soortgelijke misdrijven, zoals beschreven in de zogenoemde oriëntatiepunten van de LOVS. Bij een benadelingsbedrag van € 125.000,00 tot € 250.000,00 wordt een gevangenisstraf genoemd van negen tot twaalf maanden.
De aard en de ernst van deze feiten rechtvaardigt naar het oordeel van het hof in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden.
Uit een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor oplichting en verduistering in dienstbetrekking.
Het hof beschouwt deze veroordeling, aangezien de verdachte die feiten heeft gepleegd als commercieel directeur van een rechtspersoon, als een soortgelijk feit als de bewezenverklaarde feiten. Mede op grond daarvan ziet het hof geen aanleiding de verdachte een andere of een lagere straf op te leggen. Ook ziet het hof geen aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
Het hof moet echter vaststellen dat in de procedure bij de rechtbank de zogenoemde redelijke termijn is geschonden als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De procedure bij de rechtbank had moeten zijn afgerond met een vonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is gestart, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De verdachte is op 23 maart 2021 als verdachte gehoord en het vonnis van de rechtbank dateert van 8 augustus 2024. Het voorgaande betekent dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ongeveer een jaar en 6 maanden. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding om in plaats van een gevangenisstraf van 9 maanden, een gevangenisstraf van 8 maanden op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 8 maanden passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Bijkomende straf
Uit de inhoud van het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte als bestuurder in verband kan worden gebracht met het faillissement van verschillende rechtspersonen. De verdachte is eerder onherroepelijk veroordeeld voor oplichting en verduistering in dienstbetrekking, begaan als commercieel directeur van een rechtspersoon. Die omstandigheden, samen met deze nieuwe veroordeling, maken dat het hof de kans op herhaling van de feiten zoals bewezenverklaard, aanwezig acht. Het hof ziet daarin voldoende aanleiding om de verdachte te ontzetten van het recht tot de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van vijf jaren. De duur van deze bijkomende straf is korter dan de duur die de rechtbank had bepaald. Reden daarvoor is dat de duur van deze straf op grond van artikel 31 Wetboek Pro van Strafrecht in dit geval maximaal 5 jaren bedraagt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 28, 31, 57, 194 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg, mr. R.P. den Otter en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
23 april 2026.
Mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg en mr. J. Piena zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Deze feiten en omstandigheden zijn ontleend aan de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen. Bij de verwijzing naar de bewijsmiddelen uit het FIOD dossier met nummer 65295 gaat het om processen-verbaal, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (aangeduid met AMB, G of V), dan wel om geschriften (aangeduid met DOC). De geschriften zijn gebruikt in samenhang met de overige bewijsmiddelen. De aanduiding AMB heeft betrekking op ambtshandelingen, G op getuigenverklaringen en V op verklaringen van de verdachte.
2.DOC-004, p. 126.
3.DOC-01, p. 103 en DOC-022, p. 460.
4.DOC-004, bijlage bij melding faillissementsfraude, p. 132.
5.DOC-017, p. 365, alinea 7.
6.Proces-verbaal van verhoor van [persoon 3] door de RC, p. 2 alinea 3.
7.V01-01, p. 91 bovenaan.
8.Proces-verbaal van verhoor van [persoon 3] door de RC, p. 5 alinea 7.
9.Proces-verbaal van verhoor van [persoon 3] door de RC, p. 3 alinea 6.
10.Proces-verbaal van verhoor van [persoon 4] door de RC, p. 3 midden.
11.Proces-verbaal van verhoor van [persoon 4] door de RC, p. 7 bovenaan.
12.Proces-verbaal van verhoor van [persoon 4] door de RC, p. 5 onderaan.
13.DOC-012, p. 271.
14.DOC-012, p. 276.
15.DOC-012, p. 278.
16.DOC-012, p. 274.
17.Aanvulling Algemeen Dossier, Proces-verbaal AD-01-02, bijlage 5.
18.G01-01, p. 68.
19.DOC-023, p. 499 en 503.
20.G04-01, p. 99 bovenaan.
21.DOC-022, p. 494.
22.DOC-08, p. 174.
23.DOC-023, p. 499 en 504.
24.DOC-04, p. 135.
25.DOC-08, p. 188.
26.DOC-010, p. 219.
27.DOC-010, p. 214.
28.DOC-02, p. 110.
29.DOC-04, p. 136.
30.DOC-010, p. 233.
31.DOC-010, p. 233.
32.DOC-010, p. 243.
33.DOC-04, p. 136.
34.G04-01, p. 99 midden.
35.DOC-010, p. 214.
36.DOC-011, p. 256 en p. 260.
37.DOC-011, p. 266 en 267.
38.G04-01, p. 97 onderaan.
39.DOC-022, p. 470.
40.DOC-07, p. 154.
41.DOC-022, p. 465.
42.DOC-07, p. 156.
43.G04-01, p. 99 en 100.
44.DOC-07, p. 157.
45.DOC-04, p. 135 en p. 191, 194, 197, 200, 201 en 203
46.DOC-04, p. 135.
47.DOC-04, p. 135 en p. 212
48.G04-01, p. 97 midden.
49.DOC-019, p. 383 en 384.
50.DOC-027, p. 663.