Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
[appellant 3],
[appellant 4],
[appellant 5],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Procedure bij de rechtbank
4.Vordering in hoger beroep
5.Beoordeling
€ 2.580(tarief II, 2 punten)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten, bestaande uit vijf verbonden vennootschappen en hun bestuurder, vorderden in kort geding herstel van hun bankrelatie met ING en verwijdering van hun registratie in het intern verwijzingsregister (IVR) van ING. ING had de bankrelatie beëindigd na een klantonderzoek waarin zorgen waren geuit over de inlening van personeel, onduidelijkheden over betalingen en transacties naar privérekeningen en crypto-exchanges.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Appellanten gingen in hoger beroep en voegden een vordering toe om de opzegging ongedaan te maken. Het hof overwoog dat appellanten elders bankrekeningen hebben en dat het betalingsverkeer bij ING nagenoeg is opgedroogd, waardoor zij niet afhankelijk zijn van ING voor hun bankzaken.
Verder oordeelde het hof dat het IVR een intern register is dat alleen door ING en haar dochterondernemingen wordt geraadpleegd, en appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de registratie ook bij andere banken terechtkomt. Ook het mogelijke delen van informatie met toezichthouders leidt niet tot een spoedeisend belang. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde appellanten in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van appellanten af wegens gebrek aan spoedeisend belang.