Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1355

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
200.362.472/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vakantieregeling voor minderjarige kinderen na echtscheiding

De zaak betreft een geschil over de vakantieregeling voor twee minderjarige kinderen na de echtscheiding van hun ouders. De rechtbank had bepaald dat de kinderen in de zomervakantie twee aaneengesloten weken en in de mei- en kerstvakantie één week bij de vader verblijven. De moeder was het hier niet mee eens en wilde dat de kinderen tijdens vakanties volgens de reguliere weekendzorgregeling bij de vader verblijven.

In hoger beroep heeft het hof de belangen van de kinderen centraal gesteld. Uit gesprekken en rapportages bleek dat de kinderen, met name de oudste, spanning ervaren bij langere verblijven bij de vader. De vader heeft een geschiedenis van agressief gedrag, wat de moeder zorgen baart. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden om de vakantieregeling aan te passen en de regie bij de GI te leggen.

Het hof oordeelde dat het in het belang van de kinderen is dat zij contact met de vader houden, maar dat de huidige regeling van twee weken zomervakantie te lang is. Daarom werd de vakantieregeling aangepast naar één week per vakantieperiode. De omgang in de weekenden blijft ongewijzigd. Het hof benadrukte het belang van goede communicatie en ondersteuning door de GI om de regeling soepel te laten verlopen en ruimte te bieden voor uitbreiding van de vakanties indien de kinderen daar in de toekomst draagvlak voor hebben.

Uitkomst: Het hof past de vakantieregeling aan zodat de kinderen één week per vakantie bij de vader verblijven in plaats van twee weken, met behoud van de weekendregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.362.472/01
zaaknummer rechtbank: C/15/345603 / FA RK 23-5273
beschikking van de meervoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E.E. Tiebie te Heerhugowaard,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: voorheen mr. M.J. van Lingen te Alkmaar (die zich als advocaat heeft onttrokken op 7 april 2026).
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
Als informant is aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de GI).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vakantieregeling voor [minderjarige 1] (14 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar) (hierna gezamenlijk ook: de kinderen) met de vader. De rechtbank heeft bepaald dat de kinderen in de zomervakantie twee aaneengesloten weken en in de mei- en kerstvakantie één week bij de vader verblijven. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de kinderen in de vakanties ook volgens de reguliere (weekend)zorgregeling bij de vader verblijven, te weten twee weekenden per vier weken (bij voorkeur om de week).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 11 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
11 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 3 april 2026 met bijlagen;
- een bericht van onttrekking van de advocaat van de vader van 7 april 2026;
- een bericht van de GI van 9 april 2026 met bijlage.
2.4
De oudste raadsheer heeft op 9 april 2026, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. Ter zitting van 10 april 2026 heeft de oudste raadsheer de inhoud van deze gesprekken zakelijk weergegeven.
2.5
De zitting heeft op 10 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader,
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
De GI was, met bericht van afmelding, niet bij de zitting aanwezig.
Bij aanvang van de zitting was de vader niet aanwezig. Hij is op een later moment alsnog aangesloten bij de zitting. De voorzitter heeft toen aan de vader zakelijk weergegeven wat tot dan toe op de zitting was besproken.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2012 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 te [plaats A] .
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 11 augustus 2025 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken;
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald;
- een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de kinderen bij de vader verblijven, rekening houdend met zijn werkrooster, twee weekenden per maand van vrijdag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur.
De beslissing over de definitieve zorgregeling en de vakanties en feestdagen is pro forma aangehouden tot 15 februari 2025
,in afwachting van het verloop en het resultaat van de ingezette hulpverlening en de uitkomst van het beschermingsonderzoek van de raad, met dien verstande dat de kinderen in de kerstvakantie in 2024 twee dagen bovenop de huidige regeling bij de vader verblijven.
3.3
Bij beschikking van 11 november 2024 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht van de GI gesteld. De maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 11 augustus 2026.
3.4
Bij – de in zoverre niet bestreden – beschikking van 11 september 2025 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de vader verblijven twee weekenden per vier weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.30 uur, met bepaling dat bij de vader een inspanningsverplichting ligt om invloed uit te oefenen op zijn werkrooster zodat de kinderen in beginsel om de week in het weekend bij hem kunnen verblijven.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een vakantieregeling vastgesteld waarbij de kinderen bij de vader verblijven:
- twee aaneengesloten weken in de zomervakantie, in onderling overleg te bepalen en als het overleg stokt, dan heeft de vader in de even jaren eerste keuze en heeft de moeder in de oneven jaren eerste keuze;
- één week in de meivakantie, in onderling overleg te bepalen en als het overleg stokt, dan heeft de vader in de even jaren de eerste keuze en heeft de moeder in de oneven jaren de eerste keuze;
- één week in de kerstvakantie (waaronder altijd één losse kerstdag + overnachting) en om het jaar oud en nieuw, in onderling overleg te bepalen en als het overleg stokt, dan heeft de vader in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie waaronder kerstavond en eerste kerstdag (en de moeder tweede kerstdag + overnachting en oud en nieuw), en in de oneven jaren de tweede week van de kerstvakantie (met tweede kerstdag + overnachting en oud en nieuw).
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en uitvoerbaar bij voorraad, het inleidende verzoek van de vader over de vakantieregeling alsnog af te wijzen en te bepalen dat de kinderen tijdens de vakanties volgens de reguliere zorgregeling bij de vader verblijven.
4.3
De vader verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten, voor zover hier relevant, een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (lid 2 sub a).
De standpunten van de ouders
5.2
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte een vakantieregeling heeft vastgesteld. Het belang van de kinderen verzet zich tegen een vakantieregeling, omdat zij veel spanning ervaren bij vakanties met de vader. De kinderen hebben veel meegemaakt en zij hebben belang bij rust, stabiliteit en veiligheid. De weekendregeling verloopt ook moeizaam, maar is wel beter haalbaar omdat de kinderen dan voor een kortere periode bij de vader zijn. De moeder maakt zich zorgen over het verblijf van de kinderen bij de vader gedurende een langere periode, omdat er dan meer risico is op escalatie. De vader was tijdens de relatie van de ouders agressief. Hij heeft een kort lontje en uit zijn frustraties tegen de kinderen. Zij vonden door dit gedrag de meest recente vakantie bij de vader, tijdens de kerstperiode, niet fijn en zij hebben daarbij veel stress gehad. Ook eerdere vakanties die de kinderen met de vader hebben gehad zijn niet goed verlopen. [minderjarige 1] geeft zelf aan dat hij niet meteen een langere periode bij de vader wil zijn. De afgelopen jaren heeft de vader geen actie ondernomen om zijn gedrag te verbeteren, wat wel nodig is om toe te werken naar een vakantieregeling. Als de vader hulp accepteert kan stapsgewijs worden toegewerkt naar een vakantieregeling. De vader belemmert de goede uitvoering van de vakantieregeling doordat hij niet goed communiceert. Hij blijft zich steeds verschuilen achter zijn werkrooster, waardoor hij moelijker vooruit zou kunnen plannen, maar niet is gebleken dat de vader zijn rooster niet kan aanpassen. Om de situatie te verbeteren is nodig dat de GI de regie heeft over de vakantieregeling.
5.3
De vader vindt de door de rechtbank vastgestelde vakantieregeling goed. Het contact tussen de vader en de kinderen verloopt goed, ook tijdens de vakanties, en zij hebben het fijn samen. Bij continuering van de huidige vakantieregeling kunnen de vader en de kinderen in de vakanties samen leuke dingen doen. In het verleden zijn wel wat vervelende dingen gebeurd, maar dat is nu niet meer aan de orde. De ouders hebben in hun relatie weleens hun stem tegen elkaar verheven, maar dat was omdat zij verschillende opvoedstijlen hadden en de moeder de vader daarin ondermijnde. Bij de vader gelden bepaalde regels en hij praat altijd op een normale toon tegen de kinderen. Verder belemmert de moeder een goede uitvoering van de vakantieregeling; zij communiceert niet met de vader en houdt hem onvoldoende op de hoogte van de vakanties van de kinderen. In de kerstvakantie zijn de kinderen maar drie dagen bij de vader geweest, omdat de moeder langere omgang heeft verhinderd. Ook de GI houdt de vader niet op de hoogte en onderneemt niets om de situatie te verbeteren. De afgelopen tijd zijn er veel wisselingen in gezinsmanagers geweest en de vader heeft geen vertrouwen meer in de GI. De GI moet dan ook niet de regie hebben over de vakanties. De GI en de moeder belemmeren dat er goede afspraken gemaakt kunnen worden over de vakanties. Tot slot moet de vader rekening houden met zijn werk, waardoor hij moeilijker op de lange termijn kan plannen.
De visie van de GI
5.4
De GI heeft schriftelijk het volgende verklaard. De ouders hebben over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de ander. Hierop dient meer zicht te komen. Verder is het voor de GI onduidelijk wat de kinderen vinden van de vakantieregeling en of zij daarbij spanning ervaren. Door vervanging van de gezinsmanager is dat niet met de kinderen besproken. De GI heeft er daarom nu geen zicht op of de vakantieregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld in het belang van de kinderen is.
Het advies van de raad
5.5
De raad adviseert het hof om geen vakantieregeling vast te stellen, maar te bepalen dat de GI de regie heeft over de vakantieregeling. Daarbij geldt wel dat de kinderen in ieder geval de mogelijkheid moeten hebben om één week vakantie met de vader door te brengen. Het is belangrijk dat de kinderen contact hebben met de vader, maar dat moet wel onder veilige omstandigheden plaatsvinden. De vakantieregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld is te lang voor de kinderen. [minderjarige 1] heeft herhaaldelijk bij verschillende hulpverleningsinstanties en op school aangegeven dat de vader tegen hem schreeuwt en dat hij daar last van heeft. Hij is af en toe angstig door de gebeurtenissen in het verleden en het geschreeuw is voor hem een trigger. [minderjarige 1] vindt het daardoor niet altijd fijn bij de vader. Hij heeft daarnaast aangegeven dat er ook dingen goed gaan en dat hij het op momenten fijn heeft bij de vader. Verder hebben beide kinderen meermaals aangegeven dat zij willen dat er een opbouw komt ten aanzien van de duur van de vakanties. Het is het belangrijk dat goed wordt geluisterd naar de kinderen. Het zou daarbij helpend zijn als er een overleg plaatsvindt tussen alle betrokken hulpverleningsinstanties en de vader, zodat de zorgen besproken kunnen worden. Daarnaast is nodig dat de vader hulp krijgt om beter te reageren op de kinderen. Om de situatie meer tot rust te brengen moet hulpverlening worden ingezet.
De beoordeling door het hof
5.6
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken is het volgende gebleken. Tijdens de relatie van de ouders en daarna waren er forse spanningen tussen hen. In november 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld, omdat zij werden belast met de aanhoudende strijd tussen de ouders. De ouders zijn in augustus 2025 gescheiden. Tussen de ouders hebben de afgelopen tijd verschillende procedures gelopen. Zij konden het onder meer niet eens worden over wie in de voormalig echtelijke woning zou blijven wonen. Inmiddels woont de vader in de voormalig echtelijke woning, zoals dit hof heeft beslist bij beschikking van 22 april 2025. De moeder heeft een spoedzoekerswoning gevonden, waar zij samen met de kinderen woont. De ondertoezichtstelling is verlengd tot augustus 2026. Verlenging van de ondertoezichtstelling werd nodig geacht omdat de ouders elkaar over en weer diskwalificeren, er sprake is van wederzijds wantrouwen en de ouders een ander beeld lijken te hebben van de gebeurtenissen in het verleden. Daarnaast blijft de moeder vasthouden aan het idee dat de thuissituatie bij de vader onveilig is voor de kinderen, terwijl er geen veiligheidsrisico’s worden gezien, en wordt het contact tussen de vader en de kinderen daardoor belemmerd. De ouders konden het de afgelopen tijd niet eens worden over de omgang, waarover ook procedures tussen hen zijn (geweest). De rechtbank heeft bepaald dat een zorgregeling geldt waarbij de kinderen bij de vader verblijven twee weekenden per vier weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.30 uur. Daarbij geldt dat de vader zich dient in te spannen om met zijn werk te regelen dat de kinderen in beginsel om de week in het weekend bij hem kunnen zijn. Ter zitting in hoger beroep en uit de brief van de GI van 9 april 2026 is naar voren gekomen dat de zorgregeling wel twee weekenden per vier weken wordt uitgevoerd, maar dat de omgang niet altijd om de week plaatsvindt. Volgens de vader kan hij, doordat hij gedeeltelijk offshore werkt, zijn werkzaamheden niet zo inrichten dat hij standaard om de week thuis is.
Bij de ouders en kinderen is verschillende hulpverlening betrokken. De GI is vanuit de ondertoezichtstelling betrokken. Daarnaast krijgen de ouders hulp van Parlan. [minderjarige 1] wordt wekelijks thuis ondersteund door Speranza. [minderjarige 2] krijgt thuisondersteuning van Esdégé-Reigersdaal.
5.7
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting in hoger beroep is de uitvoering van de reguliere zorgregeling ter sprake gekomen en hebben de ouders daarover ook stellingen ingenomen. Ook heeft de GI in de brief van 9 april 2026 stellingen ingenomen ten aanzien van de reguliere zorgregeling. Hoewel het verloop van de reguliere zorgregeling een rol speelt voor de beslissing over de vakantieregeling, ligt in deze zaak alleen de vakantieregeling ter beoordeling aan het hof voor omdat alleen daarover grieven zijn geformuleerd en verzoeken zijn ingediend.
5.8
Ten aanzien van de vakantieregeling overweegt het hof als volgt. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij vakanties met de vader doorbrengen. Ook is dat passend bij de rol van de vader in het leven van de kinderen. Zij verblijven op basis van de reguliere zorgregeling regelmatig bij de vader. Hoewel de reguliere omgang niet altijd om de week plaatsvindt, is wel gebleken dat de zorgregeling wordt uitgevoerd en er twee weekenden per vier weken omgang is en dat dat naar behoren verloopt. Wel zal de moeder binnen afzienbare tijd vaste weekenden gaan werken, wat de uitvoering van de zorgregeling compliceert. Het hof vertrouwt erop dat de GI de ouders zal ondersteunen bij een goede uitvoering van de zorgregeling. Naar het oordeel van het hof is een vakantie van twee weken, zoals door de rechtbank is vastgesteld voor tijdens de zomervakantie, echter te lang. Daarvoor bestaat thans bij de kinderen nog onvoldoende draagvlak. Uit het verhandelde ter zitting en de overgelegde verslagen van Parlan, Heemz.org en Speranza blijkt dat de kinderen het niet altijd fijn vinden om (lang) bij de vader te zijn en daarover soms spanningen ervaren. Vooral [minderjarige 1] heeft dat laten blijken; hij heeft dat herhaaldelijk op school en bij verschillende hulpverleningsinstanties aangegeven. De kinderen geven ook aan dat zij het op andere momenten wel naar hun zin hebben bij de vader, zoals ook ter zitting en uit de verslagen van de betrokken instanties is gebleken. Het hof erkent dat bij de kinderen enige weerstand bestaat tegen (langere) omgang tijdens de vakanties, maar naar het oordeel van het hof is geen sprake van dusdanige contra-indicaties dat een vakantieregeling in het geheel niet haalbaar is. Het hof acht één week omgang tijdens de vakanties goed te overzien voor de kinderen en in hun belang. Op die manier krijgen zij de tijd en ruimte om in de vakanties samen met de vader activiteiten te ondernemen en de band met hem verder op te bouwen.
5.9
Het hof stelt daarom een verdeling van de vakanties vast waarbij de kinderen in de mei-, zomer- en kerstvakantie gedurende één week bij de vader verblijven. De omgang in de weekenden blijft zoals die is, namelijk dat de kinderen twee van de vier weekenden in de maand bij de vader zijn.
5.1
Het hof is wel gebleken dat de vakantieregeling de afgelopen tijd niet altijd (volledig) is uitgevoerd, als gevolg van de communicatieproblemen tussen de ouders. Om de vakantieregeling zo goed mogelijk te laten verlopen is het belangrijk dat de GI de ouders en de kinderen ondersteunt bij de uitvoering daarvan. Daarbij is ook van belang dat de vader zich op voorhand laat informeren wanneer de vakanties plaatsvinden en in welke week de kinderen bij hem zullen zijn. Het is aan de GI om daarover tijdig met de ouders af te stemmen. Daarnaast is het steunend als de GI hulp biedt om bij de kinderen zoveel mogelijk draagvlak te creëren voor contact met de vader en om de blokkades die bij hen bestaan voor langere vakanties met de vader, weg te nemen. Indien bij de kinderen in de toekomst draagvlak bestaat voor langere vakanties, kunnen de vakanties worden uitgebreid.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:
bepaalt een verdeling van de vakanties, waarbij de kinderen bij de vader verblijven:
- in de mei- en zomervakantie gedurende één week, in onderling overleg te bepalen en als het overleg stokt heeft de vader in de even jaren de eerste keuze en de moeder in de oneven jaren;
- in de kerstvakantie gedurende één week, waaronder altijd één losse kerstdag met overnachting, en om het jaar tijdens oud en nieuw, in onderling overleg te bepalen. Als het overleg stokt geldt:
in de even jaren zijn de kinderen bij de vader de eerste week van de kerstvakantie waaronder kerstavond en eerste kerstdag (en zijn zij bij de moeder tijdens tweede kerstdag, met overnachting, en oud en nieuw);
in de oneven jaren zijn de kinderen bij de vader de tweede week van de kerstvakantie waaronder tweede kerstdag, met overnachting, en oud en nieuw (en zijn zij bij de moeder tijdens kerstavond en eerste kerstdag);
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser- Bakker , mr. F. Kleefmann en
mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op
19 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.