Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1317

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.356.314/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a lid 1 BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing aan moeder in belang van kinderen

De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam die het gezamenlijk gezag over drie minderjarige kinderen beëindigde en het gezag aan de moeder toewijst. De vader wenst het gezamenlijk gezag te behouden, terwijl de moeder instemt met de beëindiging.

De procedure omvatte schriftelijke stukken, gesprekken met de minderjarigen en een mondelinge behandeling waarbij de vader niet verscheen. De feiten tonen een moeizame verstandhouding tussen de ouders, met een geschiedenis van huiselijk geweld, agressief gedrag en problematisch alcoholgebruik van de vader. De vader is strafrechtelijk veroordeeld en onderworpen aan een contactverbod.

Het hof oordeelt dat gezamenlijk gezag niet langer houdbaar is omdat de ouders niet in staat zijn tot gezamenlijke gezagsuitoefening en dat voortzetting van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico voor de kinderen inhoudt. De beëindiging van het gezamenlijk gezag en toewijzing aan de moeder is noodzakelijk in het belang van de kinderen, die inmiddels rust ervaren en therapie volgen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en belast de moeder alleen met het gezag over de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.314/01
zaaknummer rechtbank: C/13/761218 FA RK 24/8715 (LH/MD)
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: voorheen mr. G. Öntas, thans zonder advocaat,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. L.W. Castelijns te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] );
- de minderjarige [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ),
hierna gezamenlijk ook: de kinderen.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna te noemen: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] (17 jaar, op de datum van uitspraak 18 jaar), [minderjarige 2] (16 jaar) en [minderjarige 3] (10 jaar). De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en de moeder voortaan alleen met het gezag over de kinderen belast. De vader is het daar niet mee eens. Hij wil samen met de moeder het gezag over de kinderen behouden. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 1 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 29 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Verder heeft het hof nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 2 december 2025, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 februari 2026, met bijlagen.
2.4
De voorzitter heeft op 11 december 2025 met [minderjarige 1] gesproken, in het bijzijn van de griffier. De voorzitter heeft tijdens de zitting een korte samenvatting van de inhoud van het gesprek gegeven. Daarnaast heeft [minderjarige 2] het hof bij bericht van 10 november 2025 laten weten wat zij van de zaak vindt. [minderjarige 3] is ook door het hof ook in de gelegenheid gesteld om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2.5
De geplande mondelinge behandeling op 12 december 2025 is niet doorgegaan wegens de onttrekking van de advocaat van de vader. Om de vader de gelegenheid te geven een nieuwe advocaat te zoeken is de mondelinge behandeling uitgesteld tot 5 maart 2026. Een dag voorafgaand aan de geplande zitting, bij bericht van 4 maart 2026, heeft de vader opnieuw om uitstel van de mondelinge behandeling verzocht in verband met het ontbreken van een advocaat. Namens de moeder is hiertegen schriftelijk bezwaar gemaakt. Het hof heeft de vader dezelfde dag schriftelijk laten weten niet voornemens te zijn het verzoek om uitstel in te willigen en ervan uit te gaan dat beide partijen bij de geplande zitting aanwezig zijn.
2.6
De zitting heeft op 5 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw I. Stuifbergen.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn [in] 2017 gehuwd. Hun huwelijk is op 3 juli 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 maart 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2008;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2010;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2016.
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3
Bij de echtscheidingsbeschikking van 13 maart 2024 is, voor zover nu van belang, een verdeling van de zorg- en opvoedtaken (hierna: zorgregeling) bepaald, waarbij [minderjarige 3] bij de vader verblijft - en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in overleg met henzelf op dezelfde momenten bij de vader
kunnenverblijven - en waarbij de vader geen alcohol (heeft) gebruikt:
- elke maandag uit school tot 19.30 uur;
- elke woensdag uit school, waarbij de vader [minderjarige 3] haalt en brengt naar voetbaltraining, tot 19.30 uur;
- elke vrijdag uit school tot 19.30 uur of tot zaterdag 17.00 uur wanneer de moeder ruimte ziet
voor een overnachting;
waarbij de vader [minderjarige 3] telkens ophaalt en weer thuisbrengt.
Bij beschikking van 21 januari 2025 heeft dit hof de zorgregeling bekrachtigd.
3.4
Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2025 (hierna: het strafvonnis) is de vader wegens poging tot zware mishandeling van de moeder, bedreiging van de moeder, mishandeling van zijn partner en het voorhanden hebben van een gasdrukpistool en losse onderdelen van een pistool, veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. Hierbij is als bijzondere voorwaarde onder meer een contactverbod opgelegd, inhoudende dat de vader op geen enkele wijze direct of indirect contact heeft of zoekt met de moeder en met haar ouders, zolang het openbaar ministerie het verbod tijdens de proeftijd nodig vindt.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder voortaan alleen met het gezag over de kinderen belast. Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de moeder.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag (alsnog) af te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof dient te beoordelen of er gronden bestaan en het noodzakelijk is om het gezamenlijk gezag van de ouders te beëindigen en de moeder alleen met het gezag over de kinderen te belasten.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover van belang, volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. In de onderhavige zaak is tussen de ouders niet in geschil, en staat ook voor het hof vast, dat sprake is van dergelijke gewijzigde omstandigheden.
De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is (artikel 1:251a lid 1 BW).
De standpunten
5.3
De vader stelt dat het gezamenlijk gezag ten onrechte is beëindigd en voert hiertoe - kort samengevat - het volgende aan. De vader heeft een intensieve, liefdevolle en structurele relatie met de kinderen. Zijn communicatie met de kinderen is vrijwel dagelijks en kenmerkt zich door openheid, vertrouwen en emotionele betrokkenheid. Hij heeft daarnaast een actieve en constructieve rol in onder andere het overleg met de school van de kinderen en betrokken zorginstanties. De vader wil met de moeder een manier vinden om samen te werken aan verbetering van de communicatie. De rechtbank heeft hierop ten onrechte geen acht geslagen en het voorstel van de vader van de hand gewezen met een verwijzing naar het strafvonnis, terwijl de veroordeling niet onherroepelijk is. De vader heeft hoger beroep tegen het strafvonnis ingesteld. De vader is bereid en gemotiveerd om te werken aan het verbeteren van de communicatie met de moeder. De rechtbank had eerst minder ingrijpende alternatieven, zoals mediation of opvoedondersteuning, moeten onderzoeken voordat tot beëindiging van het gezamenlijk gezag werd besloten. Verder weerspreekt de vader de beschuldigingen van alcoholmisbruik, middelengebruik en verwaarlozing. De vader heeft deelgenomen aan een begeleidingstraject onder leiding van een forensisch psycholoog, welk traject hij positief en succesvol heeft afgerond. Hieruit volgt dat er geen aanwijzingen zijn voor belemmeringen voor zijn ouderlijk functioneren. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat voortzetting van het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de kinderen is.
5.4
De moeder is het eens met de beëindiging van het gezamenlijk gezag en voert hiertoe het volgende aan. Zij betwist dat de vader een actieve en constructieve rol heeft als het gaat om de school en de zorg voor de kinderen. De vader is meerdere malen niet komen opdagen bij afspraken op school en reageert vaak niet op de berichten vanuit school. Daarnaast heeft de vader sinds het uitgeengaan van partijen elke medische beslissing tegengewerkt door geen toestemming te geven voor een medische behandeling, niet op te komen dagen bij medische afspraken of rekeningen niet te betalen. Daarnaast is hij de zorgregeling met [minderjarige 3] meerdere keren niet nagekomen en heeft hij herhaaldelijk toestemming voor vakanties van de moeder met de kinderen geweigerd. De vader heeft de afgelopen jaren op geen enkele manier constructief gecommuniceerd met de moeder. De moeder heeft de meest verschrikkelijke teksten en bedreigingen van de vader ontvangen. De vader heeft een alcoholprobleem, waarbij hij in het verleden fysiek en verbaal agressief is geweest naar de moeder, ook in het bijzijn van de kinderen. In verband met het contactverbod en de voorgeschiedenis tussen partijen is mediation volgens de moeder geen optie meer. Dat het strafvonnis nog niet onherroepelijk is, maakt de beslissing dat gezamenlijk gezag niet langer houdbaar is niet anders.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad geeft aan het spijtig te vinden dat de vader de ernst en de gevolgen van zijn alcoholproblematiek onvoldoende onderkent. Indien hij zijn problematiek zou onderkennen, zou het geen contra-indicatie hoeven zijn voor gezamenlijk ouderschap. Door de problematiek niet te onderkennen, ligt de verantwoordelijkheid om te beslissen of de vader wel of niet voor de kinderen kan zorgen bij de moeder, hetgeen steeds weer tot onenigheid leidt. Daarnaast is gebleken dat hulp aan de kinderen stagneerde toen de ouders nog gezamenlijk gezag hadden en dat elke keer discussie bestond over de vakanties en paspoorten. Dit is niet in het belang van de kinderen. De raad spreekt de hoop uit dat de vader ondanks de beëindiging van het gezag in de toekomst toch weer een rol in het leven van de kinderen kan spelen.
De beoordeling door het hof
5.6
Gezamenlijk gezag veronderstelt dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen.
Naar het oordeel van het hof is daaraan niet voldaan. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen de ouders al geruime tijd een zeer moeizame verstandhouding bestaat, waarbij tijdens de relatie - naar in hoger beroep voldoende aannemelijk is geworden - sprake is geweest van huiselijk geweld, althans agressief gedrag van de vader jegens de moeder en van problematisch alcoholgebruik van de vader. De politie is in het verleden herhaaldelijk ingeschakeld geweest na escalaties en na aangiftes van de moeder. Er zijn meldingen gedaan bij Veilig Thuis, de Blijf Groep is ingeschakeld en de vader heeft een contact- en locatieverbod gekregen. Sinds het uiteengaan van de ouders is nagenoeg geen communicatie tussen hen mogelijk; de communicatie die er is verloopt via de advocaten. Het vertrouwen van de moeder in de vader ontbreekt en voldoende aannemelijk is dat de moeder bang is voor de vader en zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de vader. Dit alles staat in de weg aan het gezamenlijk overleg tussen de ouders dat nodig is om in het belang van de kinderen beslissingen over hen te nemen of afspraken over hen te maken. Gelet op al hetgeen tussen de ouders is voorgevallen, met name de gedragingen van de vader jegens de moeder, is het hof net als de rechtbank van oordeel dat niet van de moeder gevergd kan worden dat zij zich (eenzijdig) blijft inspannen voor het verbeteren van de onderlinge communicatie tussen de ouders. Het bij strafvonnis aan de vader opgelegde contactverbod vormt daarbij nog eens een extra belemmering.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de ouders niet tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening in staat zijn en ook niet te verwachten is dat de verhouding tussen partijen binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren. Dat de vader een begeleidingstraject onder leiding van een psycholoog heeft doorlopen, maakt dat niet anders. Ook na het afsluitingsbericht van 31 maart 2025 van de behandelend psycholoog zijn er, als na te melden, voorvallen geweest die erop duiden dat een verantwoorde (mede)gezagsuitoefening door de vader niet haalbaar is gebleken. De vader is onberekenbaar gebleken in de uitoefening van het gezamenlijk gezag, hetgeen veel spanning en stress bij de moeder en de kinderen heeft veroorzaakt. Zo is voldoende aannemelijk geworden dat de vader zonder overleg met de moeder de zorgverzekering van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft gewijzigd, maar de orthodontiekosten niet (tijdig) heeft betaald waardoor de behandelingen van de kinderen werden gestaakt. Ook na de zitting bij de rechtbank, waarbij de vader heeft verklaard een betalingsregeling te hebben getroffen, heeft de moeder aanmaningen ontvangen voor de rekeningen van de orthodontist. Daarnaast is voldoende komen vast te staan dat de vader een geplande flapoorcorrectie van [minderjarige 1] heeft afgezegd en meerdere malen de vakantieplannen van de moeder met de kinderen heeft gedwarsboomd.
Ter zitting in hoger beroep en uit het gesprek tussen de voorzitter en [minderjarige 1] is gebleken dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag heeft geleid tot rust bij de moeder en de kinderen. Zij zijn nu allen in therapie, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, waarbij zij baat hebben. Ook is de door [minderjarige 1] gewenste flapoorcorrectie opnieuw ingepland in de week na de zitting in hoger beroep en heeft deze dus (naar verwachting) eindelijk doorgang kunnen vinden.
Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat beëindiging van het gezamenlijk gezag en daarmee continuering van de huidige situatie, waarbij de moeder alleen het gezag over de kinderen uitoefent, in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen. Het hof constateert dat [minderjarige 1] na de zitting in hoger beroep en voorafgaand aan het geven van deze beschikking meerderjarig is geworden, zodat deze beschikking op haar niet langer betrekking heeft.
5.7
Dit leidt tot de volgende beslising.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. A.N. van de Beek en mr. M.E Burger, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.