Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1313

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.358.994/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling vader met kinderen wegens belang kinderen

De zaak betreft een verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn twee minderjarige kinderen vast te stellen. De rechtbank had dit verzoek afgewezen en de vader ging hiertegen in hoger beroep. De vader wenste contact met de kinderen op vaste dagen en weekenden, maar de kinderen en de tante, die als pleegmoeder en voogdes optreedt, waren tegen een dergelijke regeling.

De kinderen zijn op jonge leeftijd uit huis geplaatst en wonen bij hun tante sinds 2014. De moeder is overleden en de vader heeft de Nigeriaanse nationaliteit. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het hof om de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen, omdat een gedwongen omgangsregeling de kinderen zou belasten.

Het hof oordeelt dat het contact met de vader voor de kinderen belastend is en dat zij geen vast contact willen. De vader heeft het contact in 2021 zelf stopgezet, waardoor er nauwelijks een band is opgebouwd. Het opleggen van een omgangsregeling zou de positieve ontwikkeling van de kinderen kunnen verstoren en de relatie met de tante onder druk zetten. Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de bestreden beschikking.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de beschikking dat omgang met de vader niet in het belang van de kinderen is.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.994/01
zaaknummer rechtbank: C/15/361857 / FA RK 25-681
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A.F.M. Visscher te Volendam,
en
[e tante] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de tante,
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over een omgangsregeling tussen [minderjarige 1] (16 jaar), [minderjarige 2] (15 jaar) (hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen) en de vader. De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling, afgewezen.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat een omgangsregeling tussen hem en de kinderen wordt vastgesteld. Als dit verzoek niet wordt toegewezen, dan wil de vader dat de raad onderzoek gaat doen in hoeverre een omgangsregeling in het belang van de kinderen is en hoe deze regeling er dan uit moet komen te zien.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 10 september 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 17 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De tante heeft op 22 oktober 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
De kinderen hebben beiden in een afzonderlijke brief van 21 januari 2026 laten weten wat zij van de zaak vinden. De voorzitter heeft ter zitting een korte samenvatting hiervan aan partijen voorgehouden.
2.4
De zitting heeft op 1 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de tante, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De vader en [de moeder] (hierna te noemen: de moeder) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2009 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , [in] 2011 te [plaats A] .
De vader heeft de kinderen erkend. De moeder is in 2021 overleden.
3.2
Bij beschikking van de kinderrechter van 17 juli 2014 zijn de kinderen onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna steeds is verlengd. Bij beschikking van 25 november 2014 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend, welke machtiging daarna eveneens steeds is verlengd. De tante, de zus van de moeder, heeft sinds de uithuisplaatsing van de kinderen als pleegmoeder de zorg over hen op zich genomen.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank van 6 september 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en is de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats] (hierna te noemen: de GI) benoemd tot voogdes.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 juni 2023 is de GI ontslagen als voogdes en is de tante als voogdes benoemd.
3.5
De vader heeft de Nigeriaanse nationaliteit. De tante en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader met betrekking tot het vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen, afgewezen. De vader had verzocht een omgangsregeling vast te stellen die inhoudt dat de vader en de kinderen contact met elkaar hebben op de volgende wijze:
a. iedere woensdag uit school tot na het avondeten, waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit school haalt en hen weer terugbrengt bij de tante of ieder weekend een dagdeel waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ophaalt en weer terugbrengt bij de tante;
b. iedere maand gedurende een weekend, van zaterdagmiddag 12.00 uur tot zondagavond 18.00 uur;
c. dan wel een regeling te bepalen die het hof juist zal achten.
4.2
De vader verzoekt primair, met vernietiging van de bestreden beschikking, in zoverre, de volgende contactregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen:
- wekelijks: één doordeweekse dag uit school tot na het eten;
- wekelijks: één dagdeel in het weekend;
- één weekend per maand van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur met overnachting, althans een zodanige regeling die het hof juist zal achten.
Subsidiair verzoekt de vader een raadsonderzoek te gelasten, waarbij onderzocht zal worden of en in hoeverre een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen op dit moment in het belang van de kinderen is en zo ja, hoe deze omgangsregeling er dan uit zou moeten zien en waarbij onderzocht zal worden welke hulpverlening dient te worden ingezet om de vader en de kinderen onbelast contact met elkaar te laten hebben.
4.3
De tante verzoekt de vader in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Zoals hiervoor vermeld, bezit de vader de Nigeriaanse nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van het verzoek. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Standpunten
5.3
Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte geen omgangsregeling tussen hem en de kinderen vastgesteld. Toen de kinderen in 2014 bij de tante gingen wonen, had de vader nog structureel omgang met hen op dinsdag, vrijdag en zondag. Hij begeleidde de kinderen naar zwemles en naar de bibliotheek. De tante heeft, nadat de zwemlessen waren afgerond, de omgang steeds verder teruggeschroefd en na de coronaperiode mocht de vader de kinderen alleen nog bellen, totdat de telefoonnummers werden gewijzigd en de vader de kinderen niet meer kon bereiken. Uiteindelijk heeft de vader in augustus 2021 besloten om een tijdje geen contact meer te hebben met de kinderen. Hij was moegestreden en volledig op de achtergrond geplaatst door de tante. Daarnaast wilde de vader geen druk zetten op de kinderen. De vader komt de kinderen af en toe tegen in [plaats A] . Er volgt dan altijd een gesprekje. De vader mist de kinderen en hij heeft er veel verdriet van dat hij geen deel kan uitmaken van hun leven. Verder contact strandt bij de tante die de kinderen daarvoor geen emotionele toestemming kan geven. Het is voor de ontwikkeling van de kinderen belangrijk dat zij enige vorm van contact met de vader hebben, temeer nu de vader nog de enige in levend zijnde ouder is van de kinderen.
De raad kan onderzoeken of en zo ja welke omgangsregeling in het belang van de kinderen is en over de te bewandelen weg om het contactherstel van de grond te krijgen, aldus de vader.
5.4
De tante stelt dat de rechtbank het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen terecht heeft afgewezen. De kinderen willen geen vast contact met de vader, zo blijkt ook uit het verslag van Levvel. Dit standpunt van de kinderen is consistent en staat los van de mening van de tante. Zij heeft de kinderen van jongs af aan in huis en voor hen gezorgd. De vader lijkt onvoldoende te beseffen dat zijn visie op het verleden en de rol van de tante, belastend kan zijn voor de kinderen. Alles wat hem is overkomen, is volgens hem de schuld van de tante. Hij respecteert niet wat de tante allemaal heeft gedaan voor de kinderen. Daardoor kan zij niet meer met de vader communiceren. De vader dient zich rekenschap te geven van het verleden, ook naar de kinderen. Op de zitting voegt de advocaat van de moeder toe dat enige vooruitgang zichtbaar is; als de kinderen de vader tegen komen staan zij open voor een gesprekje.
Tot slot stelt de tante dat een raadsonderzoek niet gewenst is gelet op de leeftijd van de kinderen en de belasting daarvan voor hen, terwijl de uitkomst naar verwachting niet anders zal zijn.
Advies van de raad
5.5
De raad heeft het hof tijdens de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De kinderen kunnen niet gedwongen worden tot een structurele omgang met de vader, dan wordt de drempel tot contact alleen maar groter. Er is al lang geen vast contact met de vader en daardoor hebben ze geen band met hem kunnen opbouwen. De kinderen weten dat de vader graag contact wil en dat hij hen mist. Die betrokkenheid is belangrijk en dat zullen de kinderen zich later ook herinneren. Ongedwongen contact met de vader roept geen heftige weerstand op bij de kinderen, bijvoorbeeld als zij hem toevallig ergens tegenkomen; dan willen ze wel een praatje maken. De kinderen hebben een druk (sociaal) leven en het gaat goed met hen, ook op school. Het is jammer dat er geen informatie over de kinderen naar de vader gaat, want dat zou de vader helpen beter aan te sluiten bij de kinderen als hij hen tegenkomt. Het uitvoeren van een raadsonderzoek zal niet meer informatie opleveren. Daarnaast is de medewerking van de kinderen hiervoor nodig, wat belastend voor hen is. Ook zou een raadsonderzoek lang duren en zijn de kinderen tegen de tijd dat dit onderzoek is afgerond al bijna meerderjarig, aldus de raad.
Beoordeling door het hof
5.6
Het hof acht zich op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de zitting voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een raadsonderzoek te gelasten.
5.7
Het hof zal, net als de rechtbank, geen omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vaststellen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting in hoger beroep blijkt dat contact met de vader voor de kinderen nog steeds belastend is. Zij hebben veel meegemaakt in hun leven. Zo hebben de zorgen over hun opvoedsituatie er destijds toe geleid dat de kinderen op jonge leeftijd uithuisgeplaatst zijn bij de tante en een aantal jaren geleden hebben zij hun moeder verloren. Er heeft in het verleden wel omgang tussen de vader en de kinderen plaatsgevonden, maar dit is niet (structureel en) bestendig gebleken. De kinderen, nu zestien respectievelijk vijftien jaar oud, hebben in een brief aan het hof duidelijk aangegeven dat zij geen (opgelegd) contact met de vader willen. De kinderen zijn druk bezig met school/opleiding, sport en vrienden. Dat gaat goed en daarop ligt ook hun focus.
De kinderen hebben nog wel beperkt indirect contact met de vader, namelijk via zijn dochter. Ook komen ze de vader soms tegen in de buurt. De kinderen ontwikkelen zich goed in de huidige situatie bij de tante en hebben een goede band met haar. De zorg bestaat dat die positieve ontwikkeling wordt verstoord als zij worden verplicht tot contact met de vader. Daarbij bestaat het risico dat de band tussen de tante en de kinderen onder druk komt te staan als zij daartoe door haar zouden worden gedwongen. De tante zorgt al jarenlang voor de kinderen en speelt een belangrijke rol in hun leven.
Daarnaast maakt de negatieve wijze waarop de vader over de tante spreekt, het voor de kinderen moeilijker om open te staan voor contact met hem. De vader lijkt onvoldoende inzicht te hebben in zijn eigen handelen en onvoldoende bewust te zijn van de gevolgen van zijn gedrag. Zo heeft de vader in augustus 2021 op eigen initiatief het contact met de kinderen stopgezet. Hierdoor hebben de kinderen nauwelijks met hem een band kunnen opbouwen. Mogelijk dat in de toekomst meer ruimte ontstaat voor contact, op een manier die voor de kinderen niet belastend is. Daarvoor is het van belang dat de vader de rol van de tante erkent en respecteert, zodat ook meer ruimte ontstaat voor het uitwisselen van informatie over de kinderen. Tot die tijd blijven de kinderen herinneren dat de vader toenadering heeft gezocht en later, als zij eraan toe zijn, kan dat een opening tot contactherstel zijn.
5.8
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, de weerstand van de kinderen tegen omgang met de vader en hun leeftijd, acht het hof het afdwingen van omgang niet wenselijk en/of haalbaar. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat omgang met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Bovendien kan het opleggen van een omgangsregeling waartegen de kinderen zelf herhaaldelijk ernstige bezwaren hebben geuit, een averechts effect hebben op een eventuele toenadering van de kinderen tot de vader in de toekomst. Het hof zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen en de beslissing van de rechtbank bekrachtigen.
5.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. J.M. van Baardewijk en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.