Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1307

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.360.242/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en afwijzing omgangsregeling vader met zorgbehoevende kinderen

De zaak betreft het gezag over drie jonge kinderen met een complexe medische en ontwikkelingsachterstand en de omgang met hun vader. De rechtbank had het gezamenlijk gezag beëindigd en de moeder het eenhoofdig gezag gegeven, terwijl het verzoek van de vader om een omgangsregeling werd afgewezen. De vader ging in hoger beroep en wilde het gezamenlijk gezag behouden en omgang met de kinderen.

De ouders zijn in 2013 getrouwd en in 2022 gescheiden. De kinderen wonen bij de moeder, die sinds november 2022 de zorg volledig draagt. De kinderen hebben ernstige medische problemen, waaronder het syndroom van Down, cerebrale parese en hartproblemen, en zijn afhankelijk van intensieve zorg en begeleiding. De vader is sinds november 2022 afwezig in het leven van de kinderen en heeft geen bijdrage geleverd aan hun zorg.

Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag alleen mogelijk is als ouders in staat zijn om adequaat en snel beslissingen te nemen. De vader is recent gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking en is niet stabiel genoeg om de noodzakelijke spoedeisende beslissingen te nemen. De moeder draagt de zorg en heeft een sterk zorgnetwerk opgebouwd. Het hof acht het risico dat noodzakelijke beslissingen niet tijdig worden genomen bij gezamenlijk gezag onaanvaardbaar.

Ten aanzien van omgang oordeelt het hof dat de kinderen rust en stabiliteit nodig hebben en dat omgang met de vader op dit moment een te grote belasting zou vormen. De vader heeft onvoldoende mogelijkheden om omgang veilig en passend vorm te geven. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de vader af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het besluit om het gezamenlijk gezag te beëindigen en wijst het verzoek van de vader om omgang af vanwege de complexe zorgbehoefte van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.242/01
zaaknummer rechtbank: C/13/766880 / FA RK 25/2321
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Benayad te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] );
- de minderjarige [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (6 jaar), [minderjarige 2] (5 jaar) en [minderjarige 3] (5 jaar) en de omgang met hun vader.
1.2
De rechtbank Amsterdam heeft op 11 juli 2025 het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd, de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen en het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen. De vader is het daar niet mee eens. Hij wil dat het gezamenlijk gezag gehandhaafd blijft. Daarnaast wil hij een (opbouwende) omgangsregeling met de kinderen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 13 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 11 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De moeder heeft op 14 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 20 november 2025, met bijlage;
- een bericht van de vader van 18 maart 2026, met bijlage;
- een bericht van de moeder van 18 maart 2026, met bijlage;
- een bericht van de moeder van 23 maart 2026, met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 1 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat voornoemd, mr. S. Acikgoz en A. El Manouzi, tolk in de Arabisch-Marokkaanse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.

3.De feiten

3.1
De ouders zijn met elkaar gehuwd [in] 2013 te [plaats C] (Marokko). Op 15 juni 2022 is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 3 augustus 2022.
3.2
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2019 te [plaats D] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2020 te [plaats E] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2020 te [plaats E] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen).
De ouders waren tot aan de bestreden beschikking belast met het ouderlijk gezag. De kinderen wonen bij de moeder.
3.3
In de echtscheidingsbeschikking is een (opbouwende) zorgregeling tussen de vader en de kinderen bepaald, waaraan sinds november 2022 geen uitvoering is gegeven.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder belast met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over de kinderen. Daarnaast is het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
- het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder te belasten met het gezag over de kinderen, (alsnog) af te wijzen;
- te bepalen dat (alsnog) een omgangsregeling wordt vastgesteld.
4.3
De moeder verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:251 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen.
Uit artikel 1:251a BW volgt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit artikel 1:253n BW volgt dat op verzoek van (één van) de niet met elkaar gehuwde ouders het gezamenlijk gezag als bedoeld in (onder meer) artikel 1:251, tweede lid BW kan worden beëindigd indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW zijn van overeenkomstige toepassing.
5.2
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt hij, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.3
De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag over de kinderen heeft beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag heeft belast. De vader stelt zich op het standpunt dat hij bereid en in staat is om invulling te geven aan het ouderlijk gezag. De vader heeft zich altijd om de kinderen bekommerd. Ondanks zijn persoonlijke problematiek – waarvoor hij nu hulpverlening heeft ingeschakeld - werkt hij eraan om in de toekomst de belangen van de kinderen mede te kunnen behartigen. Hij heeft nooit een gezagsbeslissing geblokkeerd en is steeds bereid geweest zijn medewerking te verlenen. Zijn doel is om de communicatie met de moeder te verbeteren, zodat zij gezamenlijk in het belang van de kinderen kunnen handelen. Voor een goede uitoefening van het gezag acht hij het echter noodzakelijk dat hij over actuele informatie omtrent de kinderen beschikt, zodat hij in staat is om mee te beslissen.
Ten aanzien van de omgang stelt de vader dat hoewel hij in het recente verleden geen contact heeft gehad met de kinderen hij gemotiveerd is om hier in de toekomst op zorgvuldige wijze verandering in te brengen. De vader wil de relatie met de kinderen voorzichtig en gefaseerd opbouwen, met oog voor hun kwetsbaarheden. Hij wil een passende vaderrol vervullen en acht het in het belang van de kinderen dat zij een betrokken vader hebben. Daarbij zal hij zich voegen naar de voorwaarden en aanwijzingen van deskundigen.
5.4
De moeder wil haar eenhoofdig gezag over de kinderen behouden. De moeder stelt dat zij de vader herhaaldelijk op de hoogte heeft gebracht van de medische behandelingen en de hulpverlening rondom de kinderen, en hem meerdere keren om toestemming heeft gevraagd. Daarop is echter veelal geen reactie gekomen. Zij benadrukt dat de complexe medische situatie van de kinderen al sinds hun geboorte bekend is en de vader bewust heeft gekozen zijn verantwoordelijkheid hierin niet te nemen. De vader heeft daardoor onvoldoende zicht op de ernst van de situatie en de specifieke behoeften van de kinderen. Sinds de geboorte is de moeder de enige hoofdverzorgster van de kinderen geweest, en de focus dient te liggen op het waarborgen van hun stabiliteit. Daarnaast voert de moeder aan dat de vader de Nederlandse taal nog altijd onvoldoende beheerst, wat het begrijpen van medische informatie en het nemen van weloverwogen beslissingen bemoeilijkt. In haar visie onderstreept de huidige instabiliteit van de vader het belang van voortzetting van het eenhoofdig gezag. Gezien de complexe gezondheidsproblematiek van de kinderen is geen ruimte voor een instabiele ouder.
Ten aanzien van de omgang merkt de moeder op dat de kinderen hun vader al jaren niet hebben gezien en dat hij niet weet hoe hij met hun zorgproblematiek moet omgaan. Op dit moment is omgang niet mogelijk, omdat er nog zoveel rond de kinderen gaande is, zoals onderzoek naar de oorzaak van hun problematiek en de zorg die zij daarvoor nodig hebben. Mocht omgang in de toekomst aan de orde komen, dan dient deze uiterst voorzichtig en onder begeleiding van hulpverlening te worden opgebouwd. De moeder informeert de vader maandelijks, zodat de vader hiermee iets kan doen zodra er ruimte is voor omgang.
Advies van de raad
5.5
De raad heeft het hof tijdens de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Volgens de raad is sprake van een bijzondere situatie: het gaat om jonge kinderen met een complexe zorgbehoefte, bij wie veel onderzoeken plaatsvinden om vast te stellen wat zij nodig hebben. Er dienen dan ook veel (medische) beslissingen genomen te worden. Dit brengt een grote belasting met zich mee voor de moeder. De vader vervult momenteel geen actieve rol in het leven van de kinderen. De moeder beschikt over de meeste kennis van de situatie en is nauw betrokken bij alle zorg en onderzoeken. De raad spreekt waardering uit voor de wijze waarop de moeder deze verantwoordelijkheid draagt en de inzet die zij daarbij toont.
Ten aanzien van de omgang heeft de raad aangegeven dat, hoewel de raad begrip heeft voor de wens van de vader om contact met de kinderen te hebben, het belang van de kinderen voorop staat. Gelet op de huidige precaire situatie van de kinderen acht de raad op dit moment het herstellen van de omgang niet mogelijk. In de toekomst zal samen met betrokken professionals moeten worden gekeken naar de rol die de vader in het leven van de kinderen kan innemen, waarbij eventuele opbouw van contact geleidelijk en in kleine stappen zal moeten plaatsvinden. Voor nu liggen de prioriteiten elders en dient de focus volledig op de behoeften van de kinderen te liggen.
De beoordeling door het hof
5.6
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest en zijn in juni 2022 gescheiden. Sinds november 2022 is de vader afwezig in het leven van de kinderen en heeft hij niet bijgedragen aan hun zorg en opvoeding. De kinderen hebben de vader sindsdien ook niet meer gezien. Hiermee zijn de omstandigheden gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de echtscheiding waarbij het gezamenlijk gezag in stand is gebleven.
De kinderen kampen met een ontwikkelingsachterstand en zijn afhankelijk van zeer intensieve zorg. [minderjarige 1] lijdt aan het syndroom van Down en heeft een zeer kwetsbare gezondheid, waardoor zij een open hartoperatie heeft ondergaan en veel tijd in het ziekenhuis heeft doorgebracht. Tijdens zijn geboorte is [minderjarige 4] , het drielingbroertje van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] , overleden. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] zijn prematuur geboren (bij 30 weken) en hebben vanaf de start van hun leven ernstige medische problemen. [minderjarige 3] had bij zijn geboorte een zuurstoftekort – wat heeft geleid tot cerebrale parese - en [minderjarige 2] een hartprobleem, waardoor ook zij veel behandeling en zorg vanuit het ziekenhuis hebben gekregen. Los van de ontwikkelingsachterstand, hebben de kinderen voorts alle drie moeite met het verwerken van prikkels, reguleren van hun emotie en is sprake van non-verbale communicatie, waardoor niet op eenvoudige wijze contact met hen kan worden gemaakt. Daarbij is er ook een hoog risico op weglopen van de kinderen. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kunnen, gelet op hun beperkingen, niet naar het reguliere onderwijs en zitten momenteel thuis. [minderjarige 1] gaat wel naar regulier onderwijs en krijgt daar passende en extra begeleiding. De kinderen staan alle drie op de wachtlijst voor een kinderdienstencentrum (KDC) en cluster 3 onderwijs. De moeder heeft ter zitting verklaard dat aldaar wordt gekeken wat hun verdere zorgbehoefte is. In de tussentijd ontvangen [minderjarige 3] en [minderjarige 2] thuis intensieve één-op-één begeleiding, te weten 12,5 uur per week per kind. Daarnaast hebben alle drie de kinderen een traject doorlopen bij het MOC Kabouterhuis voor diagnostiek/begeleiding bij hun algehele ontwikkelingsachterstand.
Gebleken is dat de moeder een sterk zorgnetwerk rond de kinderen heeft opgebouwd. Zij heeft korte lijnen met kinderartsen, gedragsdeskundigen, scholen en het Kabouterhuis. Daarnaast heeft zij veel steun vanuit familie en vrienden. Sinds januari 2025 is de moeder gestopt met werken en zorgt zij volledig voor de kinderen.
Tijdens de zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de vader recent is gediagnostiseerd met een lichtverstandelijke beperking (LVB). Senza zorg is nauw bij de vader betrokken en ondersteunt hem bij praktische zaken. Daarnaast bieden ze hem ook psychologische ondersteuning.
Gezag
5.7
Ten aanzien van het gezag overweegt het hof als volgt.
Uitgangspunt van de wet is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke uitoefening hiervan, waarbij zij niet alleen beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen maar waarbij ook belangrijke beslissingen met enige voortvarendheid genomen kunnen worden in situaties die dat vereisen.
In deze zaak is de moeder feitelijk al langere tijd de enig opvoeder van de kinderen. Zij neemt de beslissingen over de kinderen. Tijdens de zitting in hoger beroep is gebleken dat het gezamenlijk gezag de moeder veel energie, tijd en stress heeft gekost. Haar vrees dat de situatie van de vader niet stabiel genoeg is om juiste en, indien nodig op korte termijn, beslissingen te nemen, is bovendien gegrond. De vader is kwetsbaar. Het is onvoldoende voorspelbaar of de vader bereikbaar is en of hij in staat is om mee te werken aan te nemen noodzakelijke gezagsbeslissingen. Het hof acht daarbij van doorslaggevend belang dat, gelet op de complexe en kwetsbare medische situatie van alle drie de kinderen, frequent en vaak met spoed gezagsbeslissingen moeten worden genomen. Het betreft onder meer beslissingen over medische behandelingen, begeleidingstrajecten en onderwijsvoorzieningen. Voor het nemen van dergelijke beslissingen is vereist dat snel en adequaat kan worden gehandeld. Daarbij weegt het hof mee dat de vader slechts beperkt zicht heeft op het dagelijks functioneren en de specifieke zorgbehoeften van de kinderen. Hierdoor bestaat een reëel risico dat noodzakelijke beslissingen niet tijdig of niet in het belang van de kinderen worden genomen indien het gezag gezamenlijk zou worden uitgeoefend. Dit risico acht het hof, gelet op de ernst van de problematiek van de kinderen, onaanvaardbaar. Daarbij weegt het hof mee dat de kinderen zeer kwetsbaar zijn, wat extra aandacht vraagt van de opvoeders. Hierdoor hebben de kinderen bovengemiddeld behoefte aan een stabiele moederfiguur. De onrust die het gezamenlijk gezag voor de moeder met zich meebrengt, is daarmee niet in hun belang.
5.8
Op grond van alles dat hierboven is overwogen zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag bekrachtigen.
Omgang
5.9
Ten aanzien van de omgang overweegt het hof het volgende.
De kinderen hebben na de beëindiging van het huwelijk van de ouders onafgebroken bij de moeder gewoond en sindsdien heeft er niet tot nauwelijks omgang of ander contact tussen de kinderen en de vader plaatsgevonden. De kinderen zijn zeer zorgbehoevend. Op dit moment – en naar verwachting ook in de nabije toekomst via het KDC – wordt uitgebreid onderzoek verricht om een goed beeld te krijgen van de passende hulp en zorg die zij nodig hebben. In deze fase van hun leven is het van groot belang dat de kinderen rust en stabiliteit ervaren, zodat hun ontwikkeling zich hierop optimaal kan richten. Gelet op hun medische problematiek, ontwikkelingsachterstand, prikkelverwerkingsproblemen en grote behoefte aan structuur en voorspelbaarheid, zou het opstarten van omgang met hun vader een te grote belasting voor hen vormen. Daarnaast is niet gebleken van voldoende mogelijkheden aan de zijde van de vader om omgang op een voor de kinderen veilige en passende wijze vorm te geven. Het hof acht omgang onder deze omstandigheden bovendien belemmerend voor de moeder, die al volledig belast is met de intensieve zorg en coördinatie daarvan.
5.1
Het hof acht, gelet op het bovenstaande, de kans te groot dat (pogingen tot) contactherstel tussen de vader en de kinderen de noodzakelijke rust en stabiliteit zal verstoren. Omgang met de vader moet daarom worden geacht in strijd te zijn met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Voor het inschakelen van (een) deskundige(n), zoals namens de vader nog is voorgesteld, om te beoordelen welke stappen hierin gezet zouden kunnen worden is, gelet op alle omstandigheden, op dit moment evenmin plaats. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de omgang daarom bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.T. Hoogland en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.