Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1301

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.360.044/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep te laat ingesteld tegen beschikking echtscheiding en gezag

De man stelde tijdig hoger beroep te hebben ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2025, waarin de echtscheiding, het ouderlijk gezag, de omgangsregeling en de verdeling van de gemeenschap werden vastgesteld. Het hof onderzocht of het hoger beroep tijdig was ingediend.

Volgens vaste rechtspraak zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze strikt worden nageleefd. De beroepstermijn voor hoger beroep tegen eindbeschikkingen bedraagt drie maanden vanaf de uitspraak voor verschenen belanghebbenden. De man had in eerste aanleg een verweerschrift met zelfstandig verzoek ingediend, waardoor hij als belanghebbende werd aangemerkt en de termijn vanaf 6 juni 2025 liep.

De man stelde dat de beschikking pas op 11 juli 2025 aan hem was betekend en dat de termijn daarom later was aangevangen. Het hof oordeelde dat dit voor rekening van de man komt, omdat hij zorg moest dragen dat post hem bereikt. Bovendien was de beschikking binnen de termijn aan hem betekend in het detentiecentrum, waar hij weigerde deze in ontvangst te nemen, waarna de deurwaarder de beschikking bij hem achterliet.

De man had tijdig kennis van de beschikking en kon rechtsbijstand inschakelen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die verlenging van de termijn rechtvaardigden. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitkomst: Het hoger beroep van de man is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.044/01
zaaknummer rechtbank: C/15/339260 / FA RK 23-1954
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Jonkman te Rotterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B.L.A. Bancken te Haarlem.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .

1.De zaak in het kort

In deze zaak gaat het over de vraag of de man op tijd het hoger beroep heeft ingesteld en of het hof het hoger beroep in behandeling kan nemen dat de man heeft ingesteld tegen de beschikking waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, is beslist over het ouderlijk gezag over en de omgang met [minderjarige] , een kinderbijdrage is bepaald en de verdeling van de gemeenschap is vastgesteld.

2.De procedure in hoger beroep

2. De man is op 8 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 6 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
Op 25 november 2025 heeft de vrouw een verweerschrift ingediend.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 2 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de advocaat van de man;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en P. Veluwenkamp, tolk in de Thaise taal.
De man is, hoewel op juiste wijze opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3.De beoordeling van het hoger beroep

3.1
Aan de orde is de vraag of de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
3.2
Volgens vaste rechtspraak zijn rechtsmiddelentermijnen van openbare orde en moeten deze door de rechter ambtshalve worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen dient dan ook strikt de hand te worden gehouden.
3.3
Op grond van artikel 358 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet het hoger beroep tegen eindbeschikkingen door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbende worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
3.4
De man stelt dat hij tijdig in hoger beroep is gekomen, omdat de beschikking pas op 11 juli 2025 aan hem is betekend. Hij stelt, zo vat het hof zijn stelling op, dat de hoger beroepstermijn op die datum is aangevangen, omdat hij in de procedure bij de rechtbank niet is verschenen. De man meent dat hij niet is verschenen omdat hij niet aanwezig was op de zitting waar de zaak werd behandeld.
3.5
Verschijnen als belanghebbende staat niet gelijk aan fysieke aanwezigheid van een partij ten tijde van de mondelinge behandeling van de zaak. De man heeft in de procedure in eerste aanleg op 12 oktober 2023 een verweerschrift met zelfstandig verzoek ingediend. Daarmee is hij als belanghebbende verschenen in de procedure en is de bestreden beschikking op tegenspraak gewezen. Dat de advocaat van de man zich in november 2024 (en dus voorafgaande aan de mondelinge behandeling) als advocaat heeft onttrokken, maakt dit niet anders.
3.6
Omdat vaststaat dat de man als belanghebbende is verschenen, geldt de beroepstermijn van drie maanden vanaf de datum van de uitspraak, zodat de man van de beschikking van 6 juni 2025 uiterlijk op 6 september 2025 in hoger beroep had moeten komen.
3.7
De vraag of de man desondanks in zijn hoger beroep zou moeten worden ontvangen, beantwoordt het hof ontkennend. Niet is gebleken dat de bestreden beschikking als gevolg van een apparaatsfout de man te laat zou hebben bereikt en de termijn daarom zou moeten worden verlengd. De rechtbank heeft de bestreden beschikking naar het bij haar bekende adres van de man gestuurd. De man stelt dat de bestreden beschikking mogelijk is verstuurd naar het adres van de voorheen door hem bewoonde, maar ten tijde van de bestreden beschikking al verkochte woning. Indien dit al het geval zou zijn en de bestreden beschikking de man daarom niet meteen zou hebben bereikt, is dit een omstandigheid die voor rekening en risico van de man komt, omdat het op zijn weg ligt er zorg voor te dragen dat post hem kan bereiken. En al zou er van een gebrekkige verzending van de beschikking aan de man moeten worden uitgegaan, dan is er voor verlenging van de termijn geen reden omdat de man de bestreden beschikking binnen de beroepstermijn heeft ontvangen, hetgeen blijkt uit het hierna volgende.
Door de advocaat van de vrouw is de bestreden beschikking per mail verstuurd naar het, bij de vrouw bekende, mailadres van de man. Daarnaast is de beschikking op 11 juli 2025, en dus ruim binnen de hoger beroepstermijn, aan de man betekend in het detentiecentrum waar hij toen verbleef. Uit het betekeningsexploot blijkt, dat de man op 11 juli 2025 weigerde de beschikking van de deurwaarder in ontvangst te nemen, waarop de deurwaarder de beschikking bij de man heeft achtergelaten. De man heeft in de periode daarna zijn advocaat verschillende keren gebeld. Namens de man is aanvankelijk naar voren gebracht dat de beschikking pas op 9 september 2025 bij de advocaat van de man bekend werd, maar ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het mailcontact tussen de advocaten op 3 september
2025 plaatshad. In het mailbericht van die datum van de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw wordt gerefereerd aan de bestreden beschikking, zodat ook niet gezegd kan worden dat de man geen tijd heeft gehad rechtskundige bijstand in te schakelen.
Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere, de man niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij het rechtsmiddel van hoger beroep niet tijdig heeft ingesteld of kunnen instellen.
3.8
Conclusie uit het voorgaande is dat de man zijn hoger beroep te laat heeft ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 6 juni 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A. van den Berg, mr. J.F. Miedema en mr. M.C. Braak, bijgestaan door mr. F.A. Tolman als griffier, en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.