Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1300

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.361.420/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en vaststelling informatieregeling tussen ouders na beëindiging relatie

De ouders zijn in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam over de zorgregeling en kinderalimentatie voor hun twee minderjarige kinderen. De moeder verzocht om een uitbreiding van de zorgregeling zodat de kinderen ook doordeweeks bij de vader verblijven, terwijl de vader dit niet mogelijk achtte vanwege werk en reistijd. Daarnaast wilde de vader een informatieregeling over gewichtige zaken omtrent de kinderen.

Tijdens de zitting bereikten de ouders overeenstemming over een aangepaste zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend en een extra weekend per maand bij de vader verblijven, met overdracht op het station. Tevens is afgesproken dat de vader wekelijks via videobellen contact heeft met de kinderen en dat de moeder maandelijks per e-mail informeert over belangrijke ontwikkelingen.

De rechtbank had eerder de kinderalimentatie vastgesteld, maar het hof oordeelde dat de vastgestelde bijdrage hoger was dan de draagkracht van de vader en de behoefte van de kinderen in 2020. Daarom werd de bijdrage over de periode 2020-2025 bepaald op hetgeen de vader daadwerkelijk heeft betaald of is verhaald.

Het hof bekrachtigde de overige onderdelen van de bestreden beschikking en benadrukte het belang van hulpverlening om de communicatie tussen ouders te verbeteren, in het belang van de kinderen.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling en legt een informatieregeling vast, terwijl de kinderbijdrage wordt bekrachtigd zoals vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.420/01
zaaknummer rechtbank: C/13/760567 FA RK 24-8348 (LH/NN)
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. N.S. van Es te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] )
;
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) tussen de kinderen en de vader zal gelden. De vader en de moeder hebben hierover ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt. Daarnaast wil de vader dat de moeder hem elke maand informeert over de kinderen Verder gaat de zaak over de vraag of de vader nog kinderalimentatie moet betalen over een eerdere periode.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 11 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 augustus 2025 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De vader heeft op 15 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 2 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 4 december 2025 met een bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 5 maart 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 6 maart 2026 met bijlagen.
2.5
Het hof heeft de kinderen de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. [minderjarige 1] heeft het hof, na de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, een brief geschreven. Het hof heeft een samenvatting van deze brief gegeven en partijen de gelegenheid gegeven zich daar nog schriftelijk over uit te laten. Bij bericht van 15 april 2026 is hierop van de zijde van de vader gereageerd.
2.6
De zitting heeft op 18 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.

3.De feiten

3.1
De ouders hebben een relatie gehad die is beëindigd in 2019. Tijdens de relatie zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2015 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , [in] 2017 te [plaats A] .
De vader heeft de kinderen erkend en de ouders oefenen, sinds de in zoverre niet bestreden beschikking van 12 augustus 2025, gezamenlijk het gezag uit over beide kinderen.
3.2
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3
Bij beschikking van 12 augustus 2020 van de rechtbank is in het kader van provisionele voorzieningen, voor zover hier van belang, een voorlopige zorgregeling vastgesteld:
- in de oneven weken (van zondag tot dinsdag): zondag om 11.00 uur haalt de vader beide kinderen op bij de moeder en zij verblijven tot dinsdag 18.30 uur bij de vader, waarna zij door
de moeder worden opgehaald bij de vader;
- in de even weken (van zaterdag tot dinsdag): zaterdag om 11.00 uur haalt de vader beide
kinderen op bij de moeder en zij verblijven tot dinsdag 18.30 uur bij de vader, waarna zij door
de moeder worden opgehaald bij de vader.
Voorts is bepaald dat de vader een kinderbijdrage dient te betalen van € 358,- per kind per maand, met ingang van 1 februari 2020, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
3.4
Bij beschikking van 30 september 2020 van de rechtbank is in de bodemprocedure, voor zover hier van belang, bepaald dat de vader € 358,- per kind per maand dient te betalen als kinderbijdrage, met ingang van 1 februari 2020.
3.5
Bij beschikking van 20 januari 2021 van de rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat de vader de kinderen één keer per twee weken van vrijdag 18:00 uur tot zondag 17:30 bij zich zal hebben.
3.6
Bij vonnis van 30 april 2021 van de voorzieningenrechter in de rechtbank is bepaald dat de vader de omgangsregeling zoals is vastgesteld in de beschikking van 20 januari 2021 dient na te komen op straffe van een dwangsom.
3.7
Bij beschikking van 20 januari 2025 van de rechtbank is in het kader van provisionele voorzieningen door de rechtbank vastgesteld dat de ouders een zorgregeling met ingang van 10 januari 2025 zijn overeengekomen waarbij de vader de kinderen eens per twee weken vanaf vrijdag 19:00 uur tot zondag 18:00 uur bij zich heeft, waarbij de overdracht van de kinderen plaatsvindt op station [station] . De moeder zorgt ervoor dat de kinderen op vrijdag warm hebben gegeten en de vader zorgt ervoor dat de kinderen op zondag warm hebben gegeten. Daarnaast heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, vastgesteld dat de ouders een door de vader te betalen kinderbijdrage van € 275,- per maand zijn overeengekomen met ingang van 1 februari 2025.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een zorgregeling bepaald waarbij de vader de kinderen bij zich heeft: eens per twee weken vanaf vrijdag 19:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de overdracht van de kinderen plaatsvindt op station [station] . De moeder zorgt ervoor dat de kinderen op vrijdag warm hebben gegeten en de vader zorgt ervoor dat de kinderen op zondag warm hebben gegeten. De rechtbank heeft daarnaast een eerdere beschikking van 30 september 2020 gewijzigd ten aanzien van de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderbijdrage) en bepaald dat:
- aan de betalingsverplichting die voortvloeit uit de beslissing waarvan wijziging is verzocht, is voldaan met hetgeen tot op 1 februari 2025 is betaald of is verhaald;
- de kinderbijdrage van 1 februari 2025 tot heden is bepaald op hetgeen de vader uit hoofde van de beschikking van 20 januari 2025 inzake de provisionele voorziening heeft betaald;
- de vader met ingang van 12 augustus 2025 een kinderbijdrage van € 150,- per kind per maand dient te voldoen, bij vooruitbetaling op uiterlijk de eerste van de maand te voldoen.
In principaal appel
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende ten aanzien van de omgang:
Primair en aanvullend: de zorgregeling zoals is vastgesteld in de beschikking van de rechtbank van 20 januari 2021 te wijzigen in die zin dat wordt bepaald dat de kinderen eens per twee weken vanaf vrijdag 19:00 uur tot maandag naar school bij de vader verblijven, waarbij hij de kinderen vrijdag ophaalt van station [station] en op maandag afzet op school. De moeder zorgt ervoor dat de kinderen op vrijdag warm hebben gegeten en de vader zorgt ervoor dat de kinderen op maandag hebben ontbeten. Daarnaast dient de vader de kinderen één keer per week op te halen van school, naar voetbaltraining te brengen en vervolgens naar de moeder te brengen.
Subsidiair verzoekt de moeder de zorgregeling te wijzigen in die zin dat wordt bepaald dat de kinderen in de even weken van vrijdag 19:00 uur tot maandag naar school bij de vader verblijven, waarbij hij de kinderen vrijdag ophaalt van station [station] en maandag afzet op school. De oneven weken verblijven de kinderen vanaf vrijdag 19:00 uur tot zaterdag 19:00 uur bij de vader, waarbij hij de kinderen op vrijdag ophaalt van station [station] en op zaterdag afzet bij de woning van de moeder. De moeder zorgt ervoor dat de kinderen op vrijdag warm hebben gegeten en de vader zorgt ervoor dat de kinderen op maandag hebben ontbeten en zaterdag warm hebben gegeten.
Met betrekking tot de kinderbijdrage verzoekt de moeder de verzoeken van de vader in eerste aanleg alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In incidenteel appel
4.4
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze betrekking heeft op de reguliere zorgregeling, meer specifiek de beslissing over waar en wanneer de kinderen warm gegeten moeten hebben, deze te wijzigen en te bepalen dat de kinderen eens per twee weken van vrijdag 19:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de vader verblijven, waarbij de overdracht van de kinderen plaatsvindt op station [station] . De moeder zorgt ervoor dat de kinderen op vrijdag en op zondag warm hebben gegeten. Daarnaast verzoekt de vader te bepalen dat de moeder de vader eenmaal per maand per e-mail informeert over gewichtige aangelegenheden omtrent de kinderen, waaronder ontwikkelingen op school, lichamelijke ontwikkeling en andere bijzonderheden.
4.5
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoeken af te wijzen.
4.6
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

De reguliere zorgregeling
Het wettelijk kader
5.1
Bij de bestreden beschikking heeft, naar het hof begrijpt, de vader (ook) het medegezag over [minderjarige 2] gekregen (over [minderjarige 1] had hij het al). Dat betekent dat het onderhavige wettelijk kader van toepassing is. Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan onder meer omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
Standpunten
5.2
De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de regeling van de provisionele voorziening als definitieve zorgregeling heeft vastgelegd. De vader is met de door de rechtbank bepaalde zorgregeling op geen enkele wijze betrokken bij school of buitenschoolse activiteiten van de kinderen. Het is van belang dat de kinderen ook doordeweeks bij de vader verblijven zodat zij niet het gevoel hebben dat hij een pretvader is. De kinderen hebben meer behoefte aan de vader en de huidige regeling doet daar geen recht aan. De rechtbank heeft zich voornamelijk gericht op de door de vader gestelde onmogelijkheden en niet op de continuïteit, stabiliteit en het recht van de kinderen op een band met beide ouders. De vader stelt, maar bewijst niet, dat hij niet minder zou kunnen werken. De rechtbank is hier te makkelijk mee omgegaan. De vader heeft veel vrije tijd en onderneemt veel activiteiten maar helpt niet met het halen of brengen naar sport of andere buitenschoolse activiteiten. De moeder wordt maar één dag per week ontlast van haar taken en van haar kan niet worden verwacht dat zij de zorg van de kinderen voor het overgrote deel op zich blijft nemen. Zij komt hierdoor namelijk niet vooruit in het leven. Zij kan niet werken, niet studeren en geen sociale contacten opbouwen. De vader neemt niet uit zichzelf extra zorgtaken op zich. De kinderen brengen minimale tijd door met de vader terwijl de vader wel in staat moet zijn om meer dagen voor de kinderen te zorgen. Als de zorgregeling wordt doorgetrokken naar de maandagochtend en de vader de reisbewegingen van en naar de voetbaltrainingen doet kunnen de kinderen meer tijd bij hem doorbrengen.
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de moeder aangegeven dat wanneer de vader een extra weekend per maand op zich neemt, dit ook akkoord is.
5.3
De vader stelt zich op het standpunt dat geen grond bestaat om de zorgregeling te wijzigen zoals door de moeder is verzocht. De door de moeder verzochte regeling is voor hem niet mogelijk. De vader kan zijn arbeidscontract niet zonder meer wijzigen en loopt het risico zijn baan te verliezen als hij hierop zou aandringen. Ook financieel is dit niet haalbaar voor hem. Hij heeft zijn inkomen nodig om in zijn vaste lasten te voorzien en om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Bovendien heeft de vader onlangs een baby gekregen met zijn huidige partner. Met de door de moeder voorgestelde regeling zou hij twee volledige werkdagen moeten missen. Dat kan hij zich niet permitteren. Daarnaast is een wijziging niet in het belang van de kinderen omdat zij behoefte hebben aan rust en regelmaat. De vader woont in [plaats B] en heeft geen auto. De reisafstand van de woning van de vader naar de scholen van de kinderen bedraagt minimaal 1 uur en 45 minuten. De door de moeder voorgestelde regeling zorgt nauwelijks voor extra contactmomenten. De vader is wel degelijk betrokken bij schoolse en buitenschoolse activiteiten, voor zover dit binnen zijn mogelijkheden ligt. De huidige regeling is door de moeder zelf verzocht en dat zij nu behoefte heeft aan meer verlichting rechtvaardigt niet ineens dat zij niet meer het overgrote deel van de verzorging op zich neemt. Verder geldt dat de moeder zich op een denigrerende en bedreigende wijze uit naar de vader en zijn partner, ook in het bijzijn van de kinderen. De vader wil niet elk weekend met zulke communicatie geconfronteerd worden. Een extra weekend voor de kinderen zorgen is geen optie.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader aangegeven dat hij niet in het bezit is van een rijbewijs en daarom is aangewezen op het openbaar vervoer. Dit brengt hoge kosten mee.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangegeven. Kinderen hebben een basisbehoefte aan voorspelbaarheid, continuïteit en emotionele veiligheid. Voor de kinderen is het belangrijk dat zij een zo breed mogelijk beeld krijgen van wie hun ouders zijn. Hoe groter de afstand tussen de ouders is, hoe lastiger het is om dit in te vullen. Voor kinderen is het in het algemeen belangrijk dat zij op verschillende momenten zoveel mogelijk informatie kunnen ophalen bij allebei hun ouders. Overdracht van informatie tussen de ouders is er op dit moment niet. Een traject zoals Ouderschap Blijft zou helpend kunnen zijn voor de ouders om hun onderlinge verstandhouding te verbeteren. Voor de kinderen is het van belang dat zij een extra moment in het weekend of doordeweeks bij de vader zouden kunnen verblijven en een vast videobelmoment in de week met hem hebben.
Beoordeling door het hof
5.5
Tijdens de zitting in hoger beroep zijn de ouders overeengekomen dat de reguliere zorgregeling zoals in de bestreden beschikking is vastgesteld door de rechtbank, waarbij de kinderen om het weekend bij de vader verblijven, zal worden voortgezet, met dien verstande dat de kinderen op zondag tot 19:00 uur bij de vader zijn, zodat zij dan wat meer tijd hebben om warm te eten. De overdracht zal plaatsvinden op station [station] . Dit betekent dat de kinderen om het weekend bij de vader verblijven van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij de kinderen op vrijdag warm hebben gegeten bij de moeder en op zondag warm hebben gegeten bij de vader.
5.6
De ouders zijn verder overeengekomen dat de vader daarnaast één extra weekend (het laatste weekend van de maand) per maand de kinderen deels bij zich zal hebben namelijk dat de kinderen van vrijdag 19:00 uur tot zaterdag 19:00 uur bij de vader verblijven. Ook ten aanzien van dit deel van de regeling geldt dat de overdracht op station [station] zal plaatshebben en dat de kinderen op vrijdag bij de moeder en op zaterdag bij de vader hebben gegeten. Verder hebben de ouders afgesproken dat de moeder de kosten van één enkele treinreis zal betalen, nadat de vader haar ter zake een Tikkie voor dit bedrag heeft gestuurd.
5.7
Tot slot zijn de ouders overeengekomen dat de vader elke week op woensdag om 19:00 uur naar de telefoon van [minderjarige 1] belt om te videobellen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.8
Het voorgaande betekent dat:
- in het eerste weekend van de maand de kinderen van vrijdag 19:00 uur (warm gegeten bij de moeder) tot zondag 19:00 uur (warm gegeten bij de vader) bij de vader verblijven;
- in het tweede weekend van de maand de kinderen bij de moeder blijven;
- in het derde weekend van de maand de kinderen van vrijdag 19:00 uur (warm gegeten bij de moeder) tot zondag 19:00 uur (warm gegeten bij de vader) bij de vader verblijven
- het laatste weekend van de maand de kinderen van vrijdag 19:00 uur (warm gegeten bij de moeder) tot zaterdag 19:00 uur (warm gegeten bij de vader) bij de vader verblijven. Omdat niet elke maand vier maar een maand soms ook vijf weekenden telt, verstaat het hof de regeling aldus dat de vader elke maand (ook) het laatste weekend voor de kinderen zal zorgen.
De overdrachten vinden plaats op station [station] .
Aanvullend op de regeling belt de vader elke week op woensdag om 19:00 uur naar de telefoon van [minderjarige 1] om te videobellen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Informatieregeling
Wettelijk kader
5.9
Bij de bestreden beschikking heeft, naar het hof begrijpt, de vader (ook) het medegezag over [minderjarige 2] gekregen. Dat betekent dat het onderhavige wettelijk kader van toepassing is. Uit artikel 1:253a BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
Standpunten
5.1
De vader heeft verzocht te bepalen dat een informatieregeling geldt waarbij de moeder de vader eenmaal per maand per e-mail informeert over gewichtige aangelegenheden omtrent de kinderen, waaronder de ontwikkelingen op school, lichamelijke ontwikkeling en andere bijzonderheden. Volgens de vader verstrekt de moeder geen informatie uit eigen beweging. Als de vader zelf om informatie vraagt krijgt hij geen reactie of ontstaat er discussie, aldus de vader.
5.11
De moeder is van mening dat dit verzoek moet worden afgewezen. Zij verstrekt informatie waar nodig. Dat de communicatie met de vader niet optimaal is betekent niet dat zij informatie achterhoudt. Op grond van zijn gezagspositie kan de vader zelfstandig informatie bij derden opvragen.
Advies van de raad
5.12
De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat een gezaghebbende ouder actuele informatie nodig heeft om gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Op de gezaghebbende ouder(s) rust een verplichting om die informatie zelfstandig op te halen. Als het gaat om informatie die je niet kunt ophalen, zoals wat er op dagelijkse basis in het leven van de kinderen speelt, rust op de verzorgende ouder een bovengemiddelde verantwoordelijkheid om informatie daarover te delen.
Beoordeling door het hof
5.13
Het hof is van oordeel dat de informatieregeling zoals door de vader is verzocht, moet worden toegewezen. De vader heeft op regelmatige basis omgang met de kinderen maar de communicatie tussen de ouders verloopt zeer stroef. Tijdens de overdrachten wordt niet met elkaar gesproken. De vader heeft daardoor weinig zicht op wat zich in het leven van de kinderen bij de moeder afspeelt en kan daardoor (mogelijk) minder goed aansluiten bij de kinderen. Gelet hierop ziet het hof aanleiding om de door de vader verzochte informatieregeling vast te leggen. Tijdens de zitting in hoger beroep is door beide ouders aangegeven dat zij het belang inzien van hulpverlening om hun communicatie te verbeteren. Net als de raad benadrukt ook het hof de noodzaak om hiermee aan de slag te gaan, in het belang van de kinderen.
Kinderbijdrage
Standpunten
5.14
De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft de kinderbijdrage over de periode van 30 september 2020 tot 1 februari 2025 heeft bepaald op hetgeen door de vader is betaald of op hem is verhaald. De vader was jarenlang op de hoogte van zijn alimentatieverplichting maar liet na om stappen te ondernemen tegen de beschikking van 30 september 2020 waarin de kinderbijdrage was vastgesteld. Dat de vader pas jaren later in actie komt moet niet tot de conclusie leiden dat de kinderbijdrage over die jaren wordt gewijzigd. De moeder heeft in die periode alle kosten van de kinderen voorgeschoten of geleend, met het vertrouwen dat zij deze bedragen van de vader zou ontvangen. Het volgens de vader op hem verhaalde bedrag over de periode 30 september 2020 tot oktober 2024 bedraagt € 10.496,- in plaats van het verschuldigde bedrag van € 34.942,-. De moeder betwist overigens de hoogte van eerstgenoemd bedrag. Het is onbegrijpelijk dat het verzoek van de vader om de kinderbijdrage met terugwerkende kracht te verlagen, is toegewezen. Gelet op het beperkte aandeel van de vader in de zorg voor de kinderen kan de moeder niet werken en leeft zij van een bijstandsuitkering. Gezien deze omstandigheden moet de vader de achterstallige kinderbijdrage voldoen. De vader heeft geen verweer gevoerd in de zaken die hebben geleid tot de beschikkingen van 12 augustus 2020 en 30 september 2020 en is hiervan evenmin in hoger beroep gegaan. Pas vanaf 25 september 2024 (de brief van de advocaat van de vader) kon de moeder rekening houden met een lager bedrag aan kinderbijdrage dan indertijd werd vastgesteld.
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder aangegeven dat haar WW-uitkering is stopgezet en dat zij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Zij heeft erop vertrouwd dat zij over de afgelopen jaren nog een bedrag aan kinderbijdrage van de vader ontvangt. De vader betaalt de nu verschuldigde kinderbijdrage elke maand maar niet altijd op tijd.
5.15
De vader is van mening dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de gewijzigde kinderbijdrage per datum beschikking ingaat en dat de kinderbijdrage over de periode van 30 september 2020 tot 1 februari 2025 wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald of op hem is verhaald. Ter zitting bij de rechtbank zijn de ouders overeengekomen dat de kinderbijdrage € 150,- per kind per maand zal bedragen en de rechtbank heeft de ingangsdatum bepaald. De moeder kan met haar verzoek in hoger beroep niet bewerkstelligen dat hij naast de gewijzigde overeengekomen bijdrage ook nog een achterstand moet betalen van een bijdrage waarvan de rechtbank heeft vastgesteld dat deze nooit aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en waaraan bovendien destijds geen berekening ten grondslag heeft gelegen. Het is niet van belang of de vader al dan niet heeft gereageerd op de eerdere uitspraken betreffende de kinderbijdrage. Het gaat erom dat de vastgestelde kinderbijdrage vanaf het begin niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan omdat bij de uitspraak onjuiste of onvolledige gegevens zijn gebruikt. De behoefte van de kinderen in 2020 lag veel lager dan de vastgestelde kinderbijdrage. Daarnaast lag de vastgestelde bijdrage ver boven de draagkracht van de vader. Er zijn in het kader van de eerdere procedures onvoldoende financiële stukken overgelegd en voorts zijn geen berekeningen gemaakt. Het is daarom onbegrijpelijk dat de moeder meent hier aanspraak op te kunnen maken. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de moeder daadwerkelijk niet kan werken. De kinderen gaan overdag naar school en kunnen naar de BSO waardoor de moeder voldoende mogelijkheden heeft om werkzaamheden uit te voeren. De moeder heeft een schoonheidssalon aan huis, aldus de vader.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader nog aangegeven dat hij inmiddels circa € 13.500,- heeft betaald aan achterstallige kinderbijdrage. De overeengekomen kinderbijdrage van € 150,- per maand wordt elke maand betaald.
Beoordeling door het hof
5.16
Het hof dient te beoordelen of de rechtbank terecht heeft bepaald dat de kinderbijdrage over de periode van 30 september 2020 tot 1 februari 2025, wordt bepaald op hetgeen op de vader is verhaald dan wel door hem is betaald.
5.17
De door de vader te betalen kinderbijdrage is bij beschikking van 30 september 2020 voor het eerst vastgesteld, op een bedrag van € 358,- per kind per maand. De vader is niet verschenen in de procedure die tot die beschikking heeft geleid. In die procedure heeft geen zitting plaatsgevonden. Het verzoek van de moeder is, bij gebrek aan verweer, als onweersproken toegewezen zonder dat een behoefte- dan wel draagkrachtberekening is gemaakt.
5.18
Tijdens de procedure in eerste aanleg is door de vader aangetoond dat hij ten tijde van de vaststelling van de kinderalimentatie in 2020 over een evident lager inkomen beschikte dan het inkomen dat past bij de vastgestelde kinderbijdrage van in totaal € 716,- per maand. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking namelijk berekend dat de draagkracht van de vader in totaal € 106,- per maand bedroeg. Bovendien heeft de vader, onbetwist gesteld dat de behoefte van de kinderen in 2020 € 331,- per kind per maand bedroeg. De destijds vastgelegde kinderbijdrage is daarmee hoger dan de behoefte van de kinderen en bovendien aanzienlijk hoger dan de toenmalige draagkracht van de vader.
Dit betekent dat de vastgestelde kinderbijdrage van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Gelet hierop is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vader ruimschoots heeft voldaan aan de onderhoudsverplichtingen die over genoemde periode op hem rustten ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De vader heeft gesteld dat hij in het kader van de achterstand aan kinderalimentatie een bedrag van ongeveer € 13.500,- heeft betaald. De moeder heeft deze stelling onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de kinderbijdrage over de periode van 30 september 2020 tot 1 februari 2025 wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald of op hem is verhaald. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen. Dat de moeder aangeeft dat zij erop vertrouwde dat de vader het destijds in 2020 bepaalde bedrag aan kinderbijdrage alsnog allemaal moest betalen maakt dit niet anders.

6.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover de beschikking ziet op de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de beschikking van 20 januari 2021 ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en stelt vast dat de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van de datum van deze beschikking geldt:
- in het eerste weekend van de maand verblijven de kinderen van vrijdag 19:00 uur (warm gegeten bij de moeder) tot zondag 19:00 uur (warm gegeten bij de vader) bij de vader;
- in het derde weekend van de maand verblijven de kinderen van vrijdag 19:00 uur (warm gegeten bij de moeder) tot zondag 19:00 uur (warm gegeten bij de vader) bij de vader;
- het laatste weekend van de maand verblijven de kinderen van vrijdag 19:00 uur (warm gegeten bij de moeder) tot zaterdag 19:00 uur (warm gegeten bij de vader) bij de vader;
waarbij de overdrachten plaatsvinden op station [station] ;
bepaalt dat de vader elke week op woensdag om 19:00 uur een videobelmoment heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waarbij de vader naar de telefoon van [minderjarige 1] belt;
bepaalt dat de moeder de vader eenmaal per maand per e-mail informeert over de ontwikkelingen van de kinderen, waaronder de ontwikkelingen op school, lichamelijke ontwikkeling en andere bijzonderheden;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.