In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en een iets andere bewezenverklaring gegeven. De verdachte werd primair ten laste gelegd van diefstal van koper en overige goederen van een bouwterrein door middel van inklimming, samen met een medeverdachte.
Het bewijs bestond uit meldingen van een particuliere alarmcentrale, aangetroffen bouwhekken die waren losgeschroefd, aangetroffen koper en ijzer buiten het terrein, verklaringen van verdachte en medeverdachte, en camerabeelden waarop twee personen met spullen op het terrein te zien waren. Het hof achtte bewezen dat de verdachte en medeverdachte gezamenlijk de diefstal pleegden en verwierp het verweer dat zij alleen op het terrein waren om te slapen.
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd. Gezien de ernst van het feit, de hinder en overlast voor de gedupeerden, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (buitenlander, dakloos, verslaafd), achtte het hof een taakstraf niet uitvoerbaar en legde een gevangenisstraf van één maand op, gelijk aan de straf van de politierechter.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 mei 2026, waarbij één rechter niet kon ondertekenen.