Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1280

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
23-002151-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep veroordeelt verdachte voor medeplegen diefstal door inklimming op bouwterrein

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en een iets andere bewezenverklaring gegeven. De verdachte werd primair ten laste gelegd van diefstal van koper en overige goederen van een bouwterrein door middel van inklimming, samen met een medeverdachte.

Het bewijs bestond uit meldingen van een particuliere alarmcentrale, aangetroffen bouwhekken die waren losgeschroefd, aangetroffen koper en ijzer buiten het terrein, verklaringen van verdachte en medeverdachte, en camerabeelden waarop twee personen met spullen op het terrein te zien waren. Het hof achtte bewezen dat de verdachte en medeverdachte gezamenlijk de diefstal pleegden en verwierp het verweer dat zij alleen op het terrein waren om te slapen.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd. Gezien de ernst van het feit, de hinder en overlast voor de gedupeerden, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (buitenlander, dakloos, verslaafd), achtte het hof een taakstraf niet uitvoerbaar en legde een gevangenisstraf van één maand op, gelijk aan de straf van de politierechter.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 mei 2026, waarbij één rechter niet kon ondertekenen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voor medeplegen diefstal door inklimming op een bouwterrein.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002151-25
datum uitspraak: 7 mei 2026
TEGENSPRAAK(gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-219283-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1998,
adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij op of omstreeks 18 juli 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, koper en/of overige goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] BV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiairhij op of omstreeks 18 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om koper en/of overige goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] BV, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking, en/of inklimming, de bouwhekken heeft losgeschroefd en/of het slot heeft geforceerd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het proces-verbaal van aangifte, het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van de verdachte waaruit wel degelijk blijkt dat hij de intentie had het metaal te stelen, voldoende bewijs opleveren om tot een bewezenverklaring te komen.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat de bewijsmiddelen niet tot een bewezenverklaring kunnen leiden. Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat een alternatief scenario niet kan worden uitgesloten: doordat het bouwterrein min of meer vrij toegankelijk was kan de diefstal ook gepleegd zijn door een ander dan de verdachte en de medeverdachte. De beide verdachten zijn aangetroffen op het bouwterrein om daar – zo verklaren ze – te gaan slapen; die verklaring is niet onaannemelijk.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat door een particuliere alarmcentrale melding is gedaan van een inbraak door twee personen op een bouwterrein aan de Naritaweg in Amsterdam. Door de aangever is gezien dat de bouwhekken, die naar het hof begrijpt om het terrein stonden, eraf waren geschroefd; mogelijk om onder de hekken door te kruipen en om via dezelfde weg de gestolen goederen weg te nemen. Buiten het bouwterrein werden door de politie twee personen, de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , aangetroffen die deels voldeden aan het signalement dat door de melder was doorgegeven. Beide verdachten zaten onder het zand en gras, wat erop kan wijzen dat de verdachten, vrienden van elkaar, inderdaad onder het hek zijn doorgekropen en zo het bouwterrein door middel van inklimming hebben betreden. Ook is buiten het hek van het terrein koper en ijzer aangetroffen. De verdachte en [medeverdachte] hebben bij de politie erkend dat zij op het bouwterrein waren geweest. De verdachte verklaarde tevens dat hij lood had gevonden en dat richting de uitgang heeft gesleept. Dat wijst erop dat het metaal dat buiten het hek is aangetroffen (mede) door hem daar is neergelegd en hij wel degelijk het oogmerk had om dat metaal zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het hof heeft op de ter terechtzitting besproken camerabeelden waargenomen dat twee personen op het bouwterrein met spullen aan het slepen zijn. Hoewel een herkenning van die personen aan de hand van deze beelden niet mogelijk is stelt het hof in samenhang met de overige bewijsmiddelen vast dat deze personen de verdachte en [medeverdachte] zijn en zij gezamenlijk uitvoering gaven aan de diefstal.
De verklaring van de verdachte en [medeverdachte] dat zij enkel op het bouwterrein waren omdat ze samen op zoek waren naar een slaapplek acht het hof ongeloofwaardig. Op het bouwterrein of bij de verdachten zijn geen slaapspullen aangetroffen. Ook overigens geeft het dossier geen aanknopingspunten voor dit scenario. Het hof gaat hieraan dan ook voorbij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primairhij omstreeks 18 juli 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, koper en overige goederen toebehorende aan [bedrijf] BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte: hij leeft op straat, gebruikt verdovende middelen en heeft een onzekere toekomst.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachte, schuldig gemaakt aan diefstal door middel van inklimming op een bouwterrein, waar ze koper en andere waardevolle goederen hebben gestolen. Dit betreft een ernstig feit dat voor de gedupeerden hinder en overlast veroorzaakt en veelal tot schade leidt. Dergelijke feiten dragen bovendien bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
Het hof houdt rekening met straffen die veelal door rechters worden opgelegd voor soortgelijke feiten en die zijn beschreven in de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten. Omdat een taakstraf niet uitvoerbaar wordt geacht – de verdachte is buitenlander, dakloos en verslaafd – kan niet worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Het hof ziet geen reden af te wijken van de gevangenisstraf zoals die door de politierechter is opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van één maand passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 311 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 mei 2026.
mr. J.H. van der Werff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.