ECLI:NL:GHAMS:2026:125

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.355.314/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gezag en omgang van minderjarige na ongeoorloofde overbrenging naar het buitenland

In deze zaak gaat het om het gezag over de minderjarige [minderjarige] en de omgang met zijn moeder. De rechtbank Amsterdam heeft het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de vader belast met het eenhoofdig gezag, terwijl de moeder het recht op omgang is ontzegd. De moeder is het niet eens met deze beslissing en stelt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om te oordelen, omdat [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in Zwitserland verbleef. De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank en stelt dat de moeder [minderjarige] ongeoorloofd naar Zwitserland heeft overgebracht. Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de moeder [minderjarige] zonder toestemming heeft overgebracht en de vader een verzoek tot teruggeleiding heeft ingediend. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank, omdat de moeder herhaaldelijk niet in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld en het noodzakelijk is dat de vader alleen met het gezag over hem belast blijft. De omgang met de moeder wordt ontzegd, omdat dit in strijd is met de belangen van [minderjarige]. De moeder moet inzicht geven in haar persoonlijke situatie voordat er een omgangsregeling kan worden vastgesteld. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.314/01
zaaknummer rechtbank: C/13/746311 / FA RK 24-928
beschikking van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
volgens de basisregistratie personen wonende te Zwitserland,
naar mededeling ter zitting verblijvende te [plaats A] (Portugal),
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Akkas te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] (België),
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A.F. Mandos te Den Haag .
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [plaats C] ,
gevestigd te Den Haag,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (10 jaar) en de omgang met zijn moeder.
1.2
De rechtbank Amsterdam heeft het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd, de vader belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en aan de moeder de omgang met [minderjarige] ontzegd.
De moeder is het daarmee niet eens. Zij meent dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om te beslissen, dan wel de verzoeken van de vader had moeten afwijzen, als in strijd met het belang van [minderjarige] .
De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 4 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De vader heeft op 18 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.4
De zitting heeft op 24 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door F.L.M. Huizinga.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader (hierna: de ouders) zijn gehuwd geweest van [datum] 2014 tot 8 april 2022.
3.2
Tijdens het huwelijk van de ouders is [minderjarige] geboren op [datum] 2015 in [plaats D] .
3.3
Bij beschikking van 21 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald, die op dat moment in [plaats D] woonde. Partijen hadden toen nog beiden het gezag over [minderjarige] .
3.4
De vader is na het uiteengaan van partijen verhuisd naar België.
3.5
Bij beschikking van 12 januari 2023 heeft de rechtbank Den Haag een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [minderjarige] om de week van vrijdag 19:00 uur tot zondag 17:00 uur en gedurende de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijft.
3.6
Eind 2022 / begin 2023 is de moeder, zonder toestemming en medeweten van de vader, met [minderjarige] verhuisd van [plaats D] naar [plaats C] .
3.7
Bij mondelinge uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) – kort samengevat – bepaald dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan het opbouwen van de omgang tussen de vader en [minderjarige] tot de zorgregeling zoals bepaald bij de hiervoor genoemde beschikking van 12 januari 2023. Ook heeft de rechtbank partijen over en weer vervangende toestemming verleend om in de zomer van 2023 met [minderjarige] op vakantie te gaan.
3.8
Na de zomervakantie 2023 heeft de moeder geen uitvoering meer gegeven aan de zorgregeling.
3.9.
In januari 2024 is de moeder, zonder toestemming en medeweten van de vader, met [minderjarige] verhuisd van [plaats C] naar Zwitserland.
3.1
Op 27 januari 2024 heeft de vader tegen de moeder aangifte gedaan van onttrekking van [minderjarige] aan het gezag en heeft hij bij de Centrale Autoriteit een verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] naar Nederland ingediend.
3.11
Op 2 februari 2024 heeft de vader het inleidend verzoekschrift ingediend.
3.12
Veilig Thuis heeft in maart 2024 een zorgmelding gedaan bij de Centrale Autoriteit. Naar aanleiding van deze melding is de Kinderbescherming in Zwitserland (Kindes- und Erwachsenenschutzbehörde, Bezirk [plaats E] ZH – hierna: KESB) een onderzoek naar de situatie van [minderjarige] gestart.
3.13
Bij tussenbeschikking van 17 april 2024 heeft de rechtbank de beslissing op de inleidende verzoeken van de vader aangehouden in afwachting van het verloop van de procedure tot teruggeleiding van [minderjarige] . Het verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft de rechtbank afgewezen, net als het verzoek van de vader tot (voorlopige) ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
3.14
Op 10 juni 2024 heeft de KESB (voorlopige- of spoed) beschermingsmaatregelen ten aanzien van [minderjarige] getroffen en hem tijdelijk geplaatst in een instelling te [plaats F] . Bij beslissing van 11 juli 2024 zijn deze spoedmaatregelen bekrachtigd en is aan de moeder een bezoekrecht toegekend. Nadat de moeder [minderjarige] na een bezoek niet tijdig terugbracht naar de instelling, is aan haar de plicht opgelegd zich twee keer per week met [minderjarige] te melden bij de politie [plaats E] .
3.15
Op 15 augustus 2024 heeft de moeder zich in de teruggeleidingsprocedure ten overstaan van het Obergericht des Kantons [plaats F] verplicht, waarna het gerecht overeenkomstig heeft beslist, dat zij uiterlijk 21 augustus 2025 met [minderjarige] zal terugkeren naar Nederland.
3.16
Op 19 augustus 2024 is de moeder samen met [minderjarige] teruggekeerd naar Nederland. [minderjarige] is door de vader en Veilig Thuis opgehaald van de luchthaven. Op de luchthaven hebben partijen afgesproken dat [minderjarige] bij oma (vz) zal verblijven totdat de moeder in Nederland een bestendige woonruimte heeft gevonden. Eind augustus/begin september 2024 heeft de vader [minderjarige] meegenomen naar zijn woning in België (nabij de grens met Nederland) waar [minderjarige] sindsdien verblijft. [minderjarige] gaat naar school in het grensdorp Putte (Nederland).
3.17
Bij mondelinge uitspraak van 2 september 2024 heeft de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de GI) met ingang van 2 september 2024 tot 23 september 2024 en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht bij de vader met gezag afgegeven met ingang van 2 september 2024 tot 23 september 2024. Daarna zijn deze maatregelen bij beschikking van de kinderrechter van 20 september 2024 de facto verlengd tot 3 december 2024.
3.18
Op 20 september 2024 heeft de rechtbank de beslissing op de inleidende verzoeken van de vader opnieuw aangehouden en de raad verzocht onderzoek te doen, onder meer naar de voortzetting dan wel beëindiging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] en de zorgregeling.
3.19
Bij rapport van 26 november 2024 heeft de raad geadviseerd het verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] toe te wijzen, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen en de moeder het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen.
Verder heeft de raad in het rapport vermeld dat is besloten om het beschermingsonderzoek naar de opvoedingssituatie van [minderjarige] af te sluiten, dat geen ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal worden verzocht, dat de ouders worden verwezen naar de in België ingezette vrijwillige hulpverlening en dat de raad via de Centrale Autoriteit een zorgmelding zal doen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op het verzoek van de vader het gezamenlijk ouderlijk gezag van partijen beëindigd en de vader voortaan alleen belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de moeder het recht op omgang wordt ontzegd.
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog de verzoeken van de vader af te wijzen.
4.3
De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het primaire standpunt van de moeder is dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te oordelen over de verzoeken van de vader, omdat [minderjarige] ten tijde van indiening van dat verzoek niet zijn feitelijke verblijfplaats in Nederland had, maar in Zwitserland. De rechtbank had zich dus onbevoegd moeten verklaren, aldus de moeder.
Volgens de vader heeft de rechtbank zich terecht bevoegd verklaard om van de verzoeken kennis te nemen. Er is sprake geweest van ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] door de moeder naar Zwitserland en als gevolg van het door de vader ingediende teruggeleidingsverzoek heeft de moeder met [minderjarige] moeten terugkeren naar Nederland. Het tijdelijke (onrechtmatige) verblijf van [minderjarige] in Zwitserland heeft dan ook niet geleid tot een wijziging van zijn gewone verblijfplaats, aldus de vader.
5.2
Het hof overweegt als volgt.
Op 2 februari 2024 zijn de inleidende verzoeken van de vader, die betrekking hebben op de ouderlijke verantwoordelijkheid over [minderjarige] , ingediend. Wat de rechtsmacht betreft vallen zij binnen het toepassingsbereik van het [plaats D] Kinderbeschermingsverdrag 1996, Trb. 1997, 299 (verder: HKV 1996) en de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2201/2003 (verder: Verordening Brussel II-ter).
5.3
Noch het HKV 1996, noch de Verordening Brussel II-ter bevat een bepaling waarin het formele toepassingsgebied (het ruimtelijke geldingsbereik) van de bevoegdheidsregeling expliciet is geregeld. Uit de bevoegdheidsregels volgt echter dat beide regelingen formeel van toepassing zijn wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats in een verdragsstaat c.q. lidstaat heeft. Indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft in een verdragsstaat die tevens lidstaat is, is sprake van samenloop. Op grond van artikel 97 lid 1 Verordening Brussel II-ter heeft de Verordening Brussel II-ter in dat geval voorrang boven het HKV 1996.
5.4
Op grond van art. 7 van de Verordening Brussel II-ter (dat in de kern overeenstemt met art. 5 HKV) is de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, bevoegd.
5.5
Met betrekking tot kinderontvoering bepaalt artikel 7 HKV 1996, voor zover relevant:
1. In geval van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van het kind blijven de autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waarin het kind onmiddellijk voor de overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind een gewone verblijfplaats heeft verworven in een andere Staat en
a. enige persoon, instelling of ander lichaam dat gezagsrechten heeft, in de overbrenging of het niet doen terugkeren heeft berust; of
b. het kind in die andere Staat zijn verblijfplaats heeft gehad, gedurende een periode van ten minste een jaar nadat de persoon, de instelling of het andere lichaam dat gezagsrechten heeft, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, geen verzoek tot terugkeer, dat binnen die periode is ingediend, nog in behandeling is, en het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld.
5.6
Artikel 9 van de Verordening Brussel II-ter stemt in hoofdlijnen overeen met artikel 7 HKV 1996.
5.7
Vaststaat dat de moeder [minderjarige] ongeoorloofd heeft overgebracht naar Zwitserland, zijnde een niet-lidstaat. De vader is direct na het vertrek van de moeder en [minderjarige] een procedure tot teruggeleiding van [minderjarige] naar Nederland gestart. Op 15 augustus 2024 heeft het Obergericht des Kantons [plaats F] beslist dat de moeder met [minderjarige] diende terug te keren naar Nederland, en aan deze beslissing is op 19 augustus 2024 uitvoering gegeven. [minderjarige] heeft uiteindelijk ongeveer acht maanden in Zwitserland verbleven als gevolg van de onrechtmatige overbrenging. Gelet op het voorgaande is de Nederlandse rechter onverminderd bevoegd gebleven. De rechtbank heeft zich terecht bevoegd verklaard. Dat [minderjarige] inmiddels alweer geruime tijd in België woont, doet aan het voorgaande niet af, nu hij ten tijde van indiening van de inleidende verzoeken zijn gewone verblijfplaats in Nederland had.
5.8
De rechtbank heeft de verzoeken beoordeeld naar Nederlands recht (als het interne recht van de bevoegde rechter). Daartegen is geen grief opgeworpen, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Het wettelijk kader - gezag
5.9
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.1
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag van partijen heeft beëindigd en de vader heeft belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De moeder is een zeer betrokken moeder die goed voor [minderjarige] zorgt en hem alles biedt wat hij nodig heeft.
Al sinds zijn geboorte zorgt de moeder voor [minderjarige] en bij de echtscheiding heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar bepaald. Zij heeft altijd beslissingen genomen in het belang van [minderjarige] . Bovendien is zij beschikbaar voor overleg met de instanties en met de vader wanneer dat nodig is.
5.11
De vader stelt dat de rechtbank terecht het gezamenlijk gezag van partijen heeft beëindigd.
De stellingen van de moeder staan haaks op de bevindingen van de Zwitserse autoriteiten en de bevindingen van de raad en de moeder legt niet eens uit waarom dat zou kunnen zijn.
Het advies van de raad
5.12
De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover die ziet op het gezag over [minderjarige] .
De beoordeling door het hof
5.13
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde op de zitting in hoger beroep blijkt dat er langere tijd zorgen zijn geweest over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. Begin 2023 is de moeder met [minderjarige] van [plaats D] naar [plaats C] verhuisd zonder overleg en medeweten van de vader. De door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is zij vervolgens niet naar behoren nagekomen. Haar gedrag bij de overdracht van [minderjarige] (wegrennen) heeft in maart 2023 tot een zorgmelding door de politie bij Veilig Thuis geleid. De vader kon [minderjarige] niet overdragen aan de moeder, waardoor hij genoodzaakt is geweest [minderjarige] mee (terug) te nemen naar België. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader heeft uiteindelijk drie weken geduurd en al die tijd is [minderjarige] niet naar school gegaan, omdat het voor de vader niet haalbaar was om [minderjarige] vanuit België naar zijn school in [plaats C] te brengen. Na de zomervakantie 2023 heeft de moeder helemaal geen uitvoering meer aan de zorgregeling gegeven. Maandenlang lukte het de vader niet om in contact te komen met de moeder. In de loop van de kerstvakantie 2023/2024 is gebleken dat de moeder met [minderjarige] is verhuisd naar Zwitserland zonder overleg en medeweten van de vader. De vader heeft hierop aangifte gedaan tegen de moeder wegens onttrekking van [minderjarige] aan zijn ouderlijk gezag en bij de Centrale Autoriteit een verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] naar Nederland ingediend. Naar aanleiding van de zorgmelding van Veilig Thuis bij de Centrale Autoriteit is de kinderbescherming in Zwitserland een onderzoek naar de opvoedsituatie van [minderjarige] gestart. De KESB heeft vervolgens geconcludeerd dat het welzijn van [minderjarige] ernstig in gevaar is. Er zijn zorgen geuit over het gedrag van de moeder en de gevolgen daarvan voor [minderjarige] . [minderjarige] was veel absent van school. Er zijn bedenkingen geuit over(de bestendigheid van) het werk van de moeder, haar financiële situatie en de huisvesting (een hotelkamer van 16m2). Ook is gebleken dat de moeder enkel beschikt over een kortdurende verblijfsvergunning, waardoor zij slechts tijdelijk in Zwitserland mag verblijven. De KESB heeft daarop op 11 juli 2024 ten aanzien van [minderjarige] (voorlopige- of spoed) beschermingsmaatregelen getroffen en hem tijdelijk geplaatst in een instelling te [plaats F] . Daar heeft [minderjarige] ruim twee maanden verbleven, waarop vervolgens is beslist dat de moeder met hem dient terug te keren naar Nederland, aan welke beslissing op 19 augustus 2024 uitvoering is gegeven. Gedurende het verblijf van [minderjarige] in de instelling in Zwitserland zijn er signalen geweest dat de moeder [minderjarige] heeft willen meenemen naar Italië. Hoewel de moeder dit alles heeft afgedaan als een misverstand, heeft [minderjarige] in zijn gesprek met de raadsonderzoekers op 29 oktober 2024 aangegeven dat zijn moeder een plan heeft om hem te ontvoeren en dat hij met school heeft afgesproken dat de poorten op slot gaan en de juf hem in de gaten houdt. Aan de raad heeft de huidige school van [minderjarige] laten weten dat een lieve jongen wordt gezien, die kampt met een loyaliteitsconflict, angstig is en erg bezig is met zijn veiligheid.
5.14
Voor het hof is duidelijk dat de keuzes van de moeder niet in het belang van [minderjarige] zijn geweest en dat deze hem zelfs schade hebben toegebracht. Met haar beslissing om te verhuizen naar Zwitserland heeft de moeder [minderjarige] in een zodanig zorgelijke situatie gebracht dat hij in een instelling is geplaatst in een voor hem vreemd land, waarvan hij de taal onvoldoende beheerst. Deze situatie heeft [minderjarige] zo angstig gemaakt dat hij nu overdreven aangepast (vriendelijk en gewenst) gedrag laat zien. School omschrijft hem als een mini-volwassene, die niet zichzelf lijkt of durft te kunnen zijn. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat zij eenmalig een verkeerde beslissing heeft genomen. Zoals hiervoor is weergegeven laat de moeder sinds de echtscheiding van partijen zien dat zij beslissingen neemt, die niet in het belang van [minderjarige] zijn en ingrijpende gevolgen voor hem hebben en dat zij telkens weer ervoor kiest de vader daarbij niet te betrekken. Hoewel de vader een belangrijke rol in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft, is de moeder meerdere keren met [minderjarige] verhuisd zonder de vader in te lichten en is zij ook de vastgestelde zorgregeling niet (behoorlijk) nagekomen. Niet alleen laat de moeder hiermee zien dat zij zich onvoldoende realiseert (of laat meewegen) wat de gevolgen van een verhuizing, laat staan een internationale verhuizing, voor een kind zijn, maar ook dat zij daarbij onvoldoende het belang van (het behoud van) de band tussen [minderjarige] en zijn vader onderkent. Inmiddels woont [minderjarige] alweer ruim een jaar bij de vader. In plaats van dichterbij [minderjarige] te gaan wonen, kiest de moeder in juni 2025 er kennelijk voor om te gaan wonen in [plaats A] (Portugal) en oppert zij op de zitting in hoger beroep dat daar ook Nederlandse scholen zijn. Hoewel het hof wil aannemen dat de moeder het beste voor heeft met [minderjarige] , blijkt dat niet uit haar handelen. De moeder lijkt bij haar beslissingen niet echt rekening te houden met het belang van [minderjarige] (of de vader); haar beslissingen lijken met name door haar eigen belang te zijn ingegeven. Het hof acht het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de vader alleen met het gezag over hem belast blijft
.
5.15
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de gezagsbeslissing van de rechtbank bekrachtigen.
De omgangsregeling
Het wettelijk kader
5.16
Op grond van art. 1:377 e, eerste lid BW – voor zover van belang – in samenhang met art. 1:253a, vierde lid BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Uit artikel 1:377a, tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.17
De moeder meent dat de rechtbank ten onrechte haar de omgang met [minderjarige] heeft ontzegd. Zij heeft sinds de geboorte van [minderjarige] voor hem gezorgd en er is altijd een warm en hecht contact tussen [minderjarige] en haar geweest. Door een jarenlang liefdevol en intensief contact tussen [minderjarige] en de moeder abrupt te beëindigen, worden de belangen van [minderjarige] geschaad. De abrupte verbreking van het contact heeft een diepgaande negatieve impact op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Het volledig ontzeggen van omgang is een uiterst vergaande maatregel, die uitsluitend bij uiterste noodzaak mag worden toegepast. Minder ingrijpende alternatieven zijn niet onderzocht. De moeder is altijd bereid geweest tot samenwerking met de vader, met instanties en staat open voor hulpverlening, begeleide omgang, ouderschapsbemiddeling of gezinscoaching. Het gaat niet alleen om het recht van moeder, maar bovenal om het fundamentele recht van [minderjarige] om contact te hebben met zijn biologische moeder. De rechtbank heeft dit miskend, aldus de moeder.
5.18
De vader stelt dat de rechtbank terecht aan de moeder het recht op omgang met [minderjarige] heeft ontzegd. Destijds zag de rechtbank het als onverantwoordelijk om een omgangsregeling met de moeder vast te leggen. Ten aanzien van de stelling dat de rechtbank niet heeft gekeken naar alternatieven, merkt de vader op dat de moeder dat niet eerder heeft opgeworpen of heeft besproken met de raad. Dat de moeder altijd bereid is geweest tot samenwerking met de vader, met instanties en open zou staan voor hulpverlening, begeleide omgang of ouderschapsbemiddeling, blijkt niet uit de aanloop naar de procedure in eerste aanleg en hoe alles tot op heden is uitgekristalliseerd, aldus de vader.
Het advies van de raad
5.19
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de zaak voor wat betreft de omgang te verwijzen naar de Belgische rechter, zodat die kan (laten) onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de omgang tussen de moeder en [minderjarige] opnieuw vorm te geven en welke hulpverlening daarbij nodig is. De raad is zelf niet bevoegd om onderzoek te doen, omdat [minderjarige] inmiddels feitelijk in België woont. Om die reden heeft de raad een zorgmelding gedaan bij de Centrale Autoriteit. Het is van belang dat goed onderzocht wordt onder welke voorwaarden contact tussen de moeder en [minderjarige] mogelijk is. De Centrale Autoriteit heeft bij bericht van 18 december 2024 aan de raad laten weten dat het dossier is afgesloten. De Belgische autoriteiten hebben echter gemeld dat een nieuw proces-verbaal is opgemaakt vanwege de zorgen om het gedrag en de houding van de moeder en dat een onderzoek zal worden gestart. Het gerechtelijk arrondissement Antwerpen heeft kennis van hetgeen er op dit moment speelt. De raad vermoedt dat nog niet is ingezet op de onderzoeksvragen die de raad heeft gesteld met betrekking tot het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Maar het lijkt alsof er contact is geweest tussen de moeder en [minderjarige] , en vermoed werd dat bij de moeder een nieuw plan was ontstaan om met [minderjarige] te vertrekken naar Italië. [minderjarige] heeft rust en stabiliteit nodig en allebei de ouders in zijn leven, zonder de dreiging dat hij weg moet. Dat vindt de raad een ernstige bedreiging in zijn ontwikkeling. [minderjarige] moet de zekerheid hebben dat hij woont waar hij woont en dat daaraan niet wordt getornd. De situatie in Zwitserland heeft [minderjarige] schade toegebracht.
De vader geeft aan dat nu belangrijk is dat gebeurt wat [minderjarige] wil en dat de moeder een stabiele situatie moet hebben. De vraag is dan wat een stabiele situatie is. Het enkel beschikken over een huis en werk is voor de raad geen stabiele situatie. Dat had de moeder immers in Nederland ook en toch heeft zij [minderjarige] meegenomen naar Zwitserland. De raad begrijpt de wens van de moeder om [minderjarige] bij zich te hebben, maar de door haar in acht te nemen grenzen en belangen van – met name – [minderjarige] zijn niet gerespecteerd. Daar zit bij de raad de grote zorg en dat heeft geleid tot het advies om de omgang te ontzeggen.
De beoordeling door het hof
5.2
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de raad heeft geadviseerd, zal het hof de zaak niet verwijzen naar de Belgische rechter, maar deze zelf afdoen. Voor het hof is daarbij doorslaggevend dat de moeder tot op heden geen inzicht heeft gegeven in haar persoonlijke situatie. Niet ter discussie staat dat er contact dient te zijn tussen [minderjarige] en de moeder. Van belang is echter dat dit op een voor [minderjarige] veilige manier plaatsvindt. Om dit te bewerkstelligen is noodzakelijk dat de moeder inzicht geeft in haar eigen situatie en dat zij de samenwerking aangaat met de betrokken hulpverlening. Hoewel zij stelt dat zij daarvoor openstaat, is dat tot op heden niet het geval gebleken. Pas op de zitting in hoger beroep heeft de moeder naar voren gebracht dat zij is verhuisd naar Portugal en dat zij daar huisvesting en werk heeft. Stukken ter onderbouwing van deze stellingen ontbreken. Maar ook als dat het geval zou zijn, dan nog is dat op dit moment niet voldoende om op basis daarvan een omgangsregeling met [minderjarige] vast te stellen. Het recente verleden laat namelijk zien dat de moeder ook in Nederland en Zwitserland over werk en huisvesting beschikte, maar dat zij niet in staat was om [minderjarige] een veilig en stabiel opvoedklimaat te bieden. Noodzakelijk is dat de moeder inzicht geeft in haar persoonlijke functioneren. Diverse betrokkenen, zoals het Leger des Heils, Veilig Thuis, school en de raad omschrijven het gedrag van de moeder als onvoorspelbaar, grillig, manisch en verward. Het hof acht het dan ook van belang dat eerst duidelijk wordt of de moeder voor [minderjarige] een veilige en beschikbare opvoeder kan zijn en dat inzicht wordt verkregen over de vraag welke hulpverlening daarbij eventueel nodig is. [minderjarige] heeft in de afgelopen jaren het nodige meegemaakt met zijn moeder. Voor hem is het nu noodzakelijk dat het contact met zijn moeder voorspelbaar, duidelijk en veilig is. Anders dan het advies van de raad zal het hof het initiatief voor het onderzoek naar de mogelijkheden van een omgangsregeling niet neerleggen bij de Belgische rechter, maar bij de moeder zelf. Het is aan haar om zich in verbinding te stellen met de betrokken hulpverlening in België en inzicht te geven in haar functioneren, al dan niet via een persoonlijkheidsonderzoek of een ouderschapsbeoordeling. Pas dan kan onderzocht worden wat er voor [minderjarige] nodig is om het contact met de moeder te herstellen. Op dit moment acht het hof omgang met de moeder in strijd met zwaarwegende belangen van [minderjarige] .
5.21
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof ook de beslissing tot het ontzeggen van het recht op omgang van de rechtbank bekrachtigen.
5.22
Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, wijst het hof erop dat een beslissing waarbij de omgang is ontzegd, tijdelijk van aard is, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de bevoegde rechter kan wenden met het verzoek een omgangsregeling vast te stellen.
5.23
Verder wijst het hof erop dat de vader zich ter zitting in hoger beroep bereid heeft verklaard de moeder regelmatiger en uitgebreider te informeren over [minderjarige] . Het hof gaat ervan uit dat de vader dit aanbod gestand zal doen.
Proceskosten
5.24
Het hof ziet in het door de vader aangevoerde onvoldoende aanleiding om de moeder in de proceskosten te veroordelen. Het betreft een procedure tussen ex-echtgenoten over gezag en omgang met betrekking tot hun beider zoon. Partijen dienen de eigen kosten van de procedure in hoger beroep te dragen.
5.25
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2025;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. H.A. van den Berg en mr. A.E. Oderkerk, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.