Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
- een bericht van de rechtbank Amsterdam, team bewind, van 1 oktober 2025 met als bijlage het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de instelling van een mentorschap voor de betrokkene, die als gevolg van haar geestelijke en lichamelijke toestand niet in staat is haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen. De kantonrechter had eerder op 6 maart 2025 een mentorschap ingesteld, waarbij [X] B.V. als mentor was benoemd. De betrokkene, geboren in 1970 in Pakistan, is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 19 november 2025 is de betrokkene bijgestaan door haar advocaat, terwijl de mentor vertegenwoordigd was door F.J. Koomen. De betrokkene heeft aangevoerd dat zij geestelijk en lichamelijk gezond is en dat er geen noodzaak is voor een mentorschap. De mentor daarentegen heeft gesteld dat de betrokkene kwetsbaar is en dat een mentorschap noodzakelijk is voor haar welzijn. Het hof heeft de argumenten van beide partijen zorgvuldig gewogen en geconcludeerd dat de betrokkene hulp nodig heeft bij het nemen van beslissingen en dat vrijwillige ondersteuning door de familie niet voldoende is. Het hof heeft de bestreden beschikking van de kantonrechter bekrachtigd, waarmee het mentorschap is gehandhaafd.