Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
11 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van de vader over de kinderen beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag belast. De vader is het daarmee niet eens en wil zijn gezag over de kinderen behouden. De moeder is het eens met de bestreden beschikking.
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het hoger beroep
5.De motivering van de beslissing
e-mails die de vader haar heeft gestuurd en correspondentie van de betrokken instanties. Het hof ziet dat er geen vertrouwensbasis bij de moeder is die het mogelijk maakt om samen met de vader beslissingen over de kinderen te nemen. Uit de door de moeder overgelegde stukken komt verder naar voren dat vanuit de politie de noodzaak bestond om stopgesprekken met de vader te voeren. Het hof ziet in de stukken aanwijzingen dat de vader destijds een bedreiging vormde voor de veiligheid van de moeder. Het hof is van oordeel dat van de moeder niet kan worden verwacht dat zij samen met de vader het gezag uitoefent. Daarbij zal de spanning die de moeder voelt als zij samen met de vader moet overleggen bij het nemen van beslissingen ook een negatief effect hebben op de kinderen en dat is niet in hun belang. Naar het oordeel van het hof erkent de vader de impact van zijn gedrag op de moeder, en daarmee op de kinderen, onvoldoende. Verder volgt het hof de vader niet in zijn stelling dat eenhoofdig gezag ertoe leidt dat hij uit het leven van de kinderen wordt geweerd. Niet is gebleken dat de moeder daarop uit is; zij faciliteert het contact tussen de kinderen en de vader juist, ondanks haar ervaringen met de vader. Daarbij is de situatie ten aanzien van de omgang stabiel en verloopt het contact goed, zo bleek ook uit het kindgesprek met [minderjarige 1] . Het is dan ook van belang dat dat wordt voorgezet en door het eenhoofdig gezag van de moeder kan de ontstane rust voortduren. De hiervoor genoemde omstandigheden zijn ook voldoende aanleiding om van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag af te wijken. Concluderend is het hof van oordeel dat de ouders niet in staat zijn tot een behoorlijk gezamenlijke gezagsuitoefening zonder dat de kinderen daarbij klem of verloren raken. Met de raad acht het hof het onwaarschijnlijk dat daarin binnen afzienbare tijd verbetering komt. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
6.De beslissing
20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.