Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1200

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
23-001641-20
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs feitelijke macht over heroïne en medeplegen

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2020 bevestigd, waarin verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde bezit en medeplegen van heroïne.

Het openbaar ministerie had een gevangenisstraf van 30 maanden geëist, maar het hof oordeelde dat op basis van het dossier niet kon worden vastgesteld dat de heroïne zich in de feitelijke machtssfeer van verdachte bevond. Het enkele feit dat het DNA van verdachte op een mondmasker in de woning werd aangetroffen, was onvoldoende om bezit of medeplegen te bewijzen.

Het hof verduidelijkte dat 'aanwezig hebben' in de zin van de Opiumwet betekent dat de verdachte feitelijke macht moet kunnen uitoefenen over de verdovende middelen, maar dat deze niet noodzakelijkerwijs in directe nabijheid hoeven te zijn. Uit het dossier bleek echter niet dat verdachte toegang had tot de slaapkamer waar de drugs lagen, noch dat hij een sleutel bezat of de verhuurder kende.

Daarmee ontbrak het bewijs voor bezit of medeplegen. Het hof voegde een nadere overweging toe aan de vrijspraak en bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarmee verdachte definitief werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van feitelijke macht over heroïne en medeplegen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001641-20
datum uitspraak: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-065599-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,
zonder bekende woon- of verblijfplaats
domicilie kiezende te: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een nadere overweging ten aanzien van de vrijspraak.

Aanvullende overweging met betrekking tot de vrijspraak

Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Dit aanwezig hebben geldt als misdrijf wanneer wordt tenlastegelegd en bewezen verklaard dat sprake is van opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) op het aanwezig hebben. (Vgl. HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:440 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945.)
Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat de aangetroffen drugs in de slaapkamer zich in de feitelijke machtssfeer van de verdachte hebben bevonden. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte in de slaapkamer is geweest. Het DNA spoor van de verdachte dat is aangetroffen op een mondmasker bevond zich in de woonkamer. Het enkele feit dat de verdachte wel in de woonkamer en badkamer aanwezig is geweest is naar het oordeel van het hof onvoldoende om vast te stellen dat de drugs in zijn feitelijke macht waren. Bovendien is niet gebleken dat de verdachte beschikte over een sleutel van de woning of de verhuurder van de woning kende.
Ook kan op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat de verdachte als (mede)pleger betrokken was bij het opzettelijk bereiden, bewerken of verwerken van de aangetroffen heroïne. Het enkel aantreffen van verdachtes DNA op een mondmasker in de woning is daarvoor onvoldoende.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.F. Groos en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2026.
=========================================================================
[…]