ECLI:NL:GHAMS:2026:120

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.358.027/01 en 200.358.027/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling voor minderjarigen na echtscheiding

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026, gaat het om de hoofdverblijfplaats en zorgregeling voor de minderjarige kinderen van de ouders, die in 2019 zijn getrouwd en inmiddels gescheiden zijn. De rechtbank Amsterdam had in een eerdere beschikking van 29 juli 2025 bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader zouden hebben, en dat zij twee van de drie weekenden bij de moeder zouden verblijven. De moeder was het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld, waarbij zij verzocht om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en een zorgregeling vast te stellen die gelijkwaardig is voor beide ouders.

Tijdens de zitting op 19 november 2025 hebben beide ouders hun standpunten toegelicht. De moeder heeft aangegeven dat zij de hoofdverblijfplaats bij haar wil, omdat dit voor haar emotionele waarde heeft. De vader daarentegen heeft betoogd dat hij de stabiele factor is en dat de kinderen bij hem ingeschreven moeten staan. Het hof heeft vastgesteld dat beide ouders momenteel in de regio [plaats A] wonen en dat de zorgregeling goed verloopt. Het hof heeft de zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen van maandagochtend tot woensdagochtend bij de moeder verblijven en van woensdagmiddag tot vrijdagochtend bij de vader, en in de weekenden om en om.

Het hof heeft de verzoeken van de moeder om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en om een voorwaardelijke zorgregeling af te wijzen, omdat er geen reden is om een beslissing te nemen voor een toekomstige situatie. De beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) is in stand gelaten. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.027/01 (hoofdzaak), 200.358.027/02 (incidenten) en 200.358.027/03 (provisionele voorziening)
zaaknummer rechtbank: C/13/767493 / FA RK 25-2661 en C/13/767717 / FA RK 25-2783
beschikking van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in de incidenten en het verzoek om een provisionele voorziening,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R. van Coolwijk te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verweerder in de incidenten en het verzoek om een provisionele voorziening,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam .
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1]
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats, inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en de zorgregeling voor [minderjarige 1] (4) en [minderjarige 2] (2).
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 29 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken onder meer bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben, op het adres van de vader worden ingeschreven in de BRP en twee van de drie weekenden achtereenvolgend bij de moeder doorbrengen.
De moeder is het niet eens met de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling en wil dat de kinderen de helft van de tijd bij haar verblijven, zoals eerder ook het geval was. De vader wil ook dat de kinderen de helft van de tijd bij elke ouder zijn, zo lang de moeder in de omgeving van [plaats A] blijft wonen. De vader wil dat het hof vastlegt dat de zorgregeling in de bestreden beschikking (weer) gaat gelden als de moeder besluit naar de regio [plaats C] terug te keren. De vader is het wel eens met beslissing over de hoofdverblijfplaats en de BRP-inschrijving.
Het hof legt de zorgregeling waarover partijen het eens zijn vast in deze beschikking en laat de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats en de BRP in stand. Het hof wijst het verzoek van de vader om een zorgregeling te bepalen voor het geval de moeder zou verhuizen af. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 12 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, met een verzoek om schorsing van de werking van de bestreden beschikking, het verstrekken van recente financiële gegevens en met een voorwaardelijk verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening.
2.2
De vader heeft op 9 september 2025 een verweerschrift ingediend in de zaken 200.358.027/02 en 200.358.027/03.
2.3
De vader heeft op 30 september 2025 in de hoofdzaak (200.358.027/01) een verweerschrift ingediend met daarin een incidenteel hoger beroep.
2.4
De moeder heeft op 12 november 2025 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.5
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 9 september 2025 met bijlage
- een bericht van de zijde van de vader van 7 november 2025 met bijlagen,
2.6
De zitting heeft op 19 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De ouders zijn [in] 2019 te [plaats A] met elkaar getrouwd. De rechtbank heeft in de in zoverre niet bestreden beschikking van 29 juli 2025 de echtscheiding uitgesproken. Die (echtscheidings)beschikking is op 11 augustus 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over hun twee kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2021 te [plaats A] ,
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2023, te [plaats A] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepaald;
- de vader vervangende toestemming verleend tot inschrijving van de kinderen in de Basisregistratie Personen van de gemeente [plaats B] ;
- als (reguliere) zorgregeling bepaald dat de kinderen twee van de drie weekenden achtereenvolgend bij de moeder zijn van vrijdag uit school/voor etenstijd tot zondag 17.00 uur;
- de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de verzoeken van beide ouders om kinderalimentatie vast te stellen afgewezen.
4.2
De moeder verzocht aanvankelijk in haar beroepschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
I. de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring te schorsen;
II. de hoofdverblijfplaats van de kinderen te bepalen bij de moeder;
III. afwijzing van het verzoek van de vader de kinderen op zijn adres in te mogen schrijven in de BRP;
IV: een zorgregeling vast te stellen als omschreven onder randnummer 10 t/m 41 van het beroepschrift;
V. voor het geval de verzochte schorsing wordt toegewezen te bepalen dat de vader een voorlopige kinderalimentatie aan de moeder moet voldoen ter hoogte van € 1.000,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, tot aan het moment dat er een definitieve onherroepelijke beslissing is genomen over de kinderalimentatie door de rechtbank of door het hof (hierna: het voorwaardelijk verzoek om een provisionele voorziening).
VI. te bepalen dat de vader gehouden is te verstrekken recente financiële gegevens, waaruit zijn vermogen/inkomen blijkt, bestaande in ieder geval uit recente belastingaangiftes, aanslagen, althans een gewaarmerkt overzicht, op te stellen door Family [naam ] , gevestigd te [A-straat] [plaats A] , met onderliggende bewijsstukken, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag vanaf de dag dat de vader in gebreke blijft deze gegevens te verstrekken binnen de daartoe door het hof te stellen termijn, met een bedrag van € 30.000,-- als maximum.
4.3
De vader verzoekt in de zaken 200.358.027/02 en 200.358.027/03:
- de verzoeken af te wijzen, en
- de moeder te veroordelen in de kosten van het incident in hoger beroep, inclusief de kosten van de juridische bijstand conform het liquidatietarief.
4.4
De vader verzoekt in de zaak 200.358.027/01:
- de bestreden beschikking te bekrachtigen; en
in incidenteel appel, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen ter zake de zorgregeling,
- indien en voor zover de moeder besluit in de regio [plaats A] woonachtig te blijven de zorgregeling vast te stellen zoals uitgewerkt in rand nummer 17 en het daar opgenomen schema bij onderhavig verweerschrift in appel;
- indien en voor zover de moeder besluit naar de regio [plaats C] terug te keren de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.5
De moeder heeft bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van 12 november 2025 de volgende verzoeken ingetrokken:
- het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (onder I)
- het voorwaardelijke verzoek om voorlopige kinderalimentatie (onder V)
- naar het hof begrijpt, het verzoek om verstrekking van recente financiële gegevens waaruit het vermogen/het inkomen van de vader blijken.
De moeder heeft daarnaast haar verzoek om een zorgregeling (onder IV) aangepast. De verzoeken van de moeder luiden nu in principaal appel:
I. Het hoofdverblijf van de kinderen te bepalen bij de moeder en te bepalen dat de kinderen staan ingeschreven in de BRP op het adres van de moeder;
II. Het verzoek van de vader om de kinderen op zijn adres in de BRP in te schrijven af te wijzen;
III. Een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen verblijven van maandagochtend tot woensdagochtend bij de moeder en van woensdagmiddag tot vrijdagochtend bij de vader en waarbij de kinderen om het weekend van vrijdagochtend tot maandagochtend bij de moeder verblijven en in de andere week van vrijdagochtend tot maandagochtend bij de vader.
4.6
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep:
Het eerste verzoek van de vader
(indien en voor zover de moeder besluit in regio [plaats A] woonachtig te blijven: de zorgregeling vast te stellen zoals uitgewerkt in randnummer 17 en het daar opgenomen schema bij onderhavig verweerschrift in appel)toe te wijzen met dien verstande dat de zorgregeling wordt vastgesteld zoals onder III in het principale appel is opgenomen althans een zodanige vastlegging als (naar het hof begrijpt) het hof juist acht;
Het tweede verzoek van de vader
(indien en voor zover de moeder besluit naar de regio [plaats C] terug te keren: de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen)af te wijzen, althans een zodanige beslissing als het hof juist acht, en de kosten te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5.De motivering van de beslissing

Schorsingsverzoek en verzoek om een provisionele voorziening
5.1
De moeder heeft het schorsingsverzoek, het verzoek om een voorwaardelijke provisionele voorziening en het verzoek tot het verstrekken van financiële stukken ingetrokken. Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in die verzoeken in de zaken met zaaknummer 200.358.027/02 en 200.358.027/03.
Wettelijk kader
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, en
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Zorgregeling
5.3
De ouders zijn het erover eens dat de kinderen de helft van de tijd bij elke ouder verblijven. De kinderen verblijven daarbij van maandagochtend tot woensdagochtend bij de moeder en van woensdagmiddag tot vrijdagochtend bij de vader. De kinderen verblijven het ene weekend van vrijdagochtend tot maandagochtend bij de moeder en in de andere week van vrijdagochtend tot maandagochtend bij de vader. De ouders voeren deze zorgregeling al geruime tijd uit en zijn het erover eens dat dat goed verloopt. Het hof zal deze regeling op verzoek van partijen als zorgregeling bepalen.
5.4
De vader wil daarnaast dat het hof bepaalt dat de zorgregeling die in de bestreden beschikking was bepaald – dat de kinderen twee van de drie weekenden bij de moeder zijn – weer zal gelden als de moeder besluit naar de regio [plaats C] te verhuizen. De vader heeft toegelicht dat de moeder recent nog aan hem heeft gevraagd of zij [minderjarige 1] vanuit [plaats C] naar school zou kunnen brengen. De vader heeft daardoor de indruk dat de moeder daar nog steeds zou willen wonen. Vastlegging van deze regeling zou de vader daarom zekerheid geven over de situatie als de moeder toch naar [plaats C] zou vertrekken, aldus de vader. De moeder wijst erop dat er geen reden is om een beslissing te nemen voor een toekomstige situatie die de vader vreest. De moeder heeft verteld dat zij geen plannen meer heeft om naar [plaats C] te vertrekken, omdat zij sinds de bestreden beschikking weet dat de consequentie daarvan is dat zij de kinderen minder ziet. De moeder ziet daarnaast geen rechtsgrond voor het verzoek van de vader om een voorwaardelijke zorgregeling.
5.5
Het hof overweegt als volgt. De ouders hebben beiden twijfel of de andere ouder op de lange termijn in de regio [plaats A] blijft wonen. Op dit moment is de situatie echter dat beide ouders in de regio [plaats A] wonen en beide ouders spreken de verwachting uit dat zij daar zullen blijven. Het hof ziet geen aanleiding om een zorgregeling te bepalen voor een mogelijke toekomstige situatie. Als de omstandigheden wijzigen en de ouders niet in onderling overleg tot een nieuwe, passende zorgregeling kunnen komen, kan iedere ouder alsnog de rechter verzoeken om een wijziging van de zorgregeling met de dan aan de orde zijnde nieuwe feiten en omstandigheden. Het hof wijst het verzoek van de vader om op dit moment een zorgregeling te bepalen voor het geval de moeder besluit naar de regio [plaats C] terug te keren af.
Hoofdverblijfplaats en inschrijving in de BRP
Standpunten
5.6
De moeder wil dat de hoofdverblijfplaats bij haar wordt bepaald. De kinderen verblijven weliswaar al de helft van de tijd bij elke ouder, maar de hoofdverblijfplaats heeft voor de moeder emotionele waarde. De ouders zijn daarnaast overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder zou zijn. De kinderen hebben tot de bestreden beschikking altijd bij de moeder ingeschreven gestaan. De ouders hadden een traditioneel huwelijk, waarbij de moeder altijd de meeste zorgtaken op zich nam. Als de hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt bepaald, kan zij bovendien niet met de kinderen verhuizen zonder toestemming van de vader of vervangende toestemming van de rechtbank. De vader hoeft in dat geval niet te vrezen dat de moeder tegen zijn wil alsnog naar [plaats C] verhuist. De situatie bij de vader is zeker niet stabieler dan bij de moeder. Het is nog onbekend welk werk de vader zal gaan doen, en mogelijk zal hij werk vinden buiten de regio [plaats A] of veel van huis moeten zijn. Subsidiair zou het hof het hoofdverblijfplaats van het ene kind bij de moeder en het andere kind bij de vader kunnen bepalen, of geen hoofdverblijfplaats kunnen bepalen, om de gelijkwaardigheid van de ouders te benadrukken.
5.7
Volgens de vader is de hoofdverblijfplaats van de kinderen terecht bij hem bepaald. De vader heeft altijd een groot aandeel in de zorg gehad en is de stabiele factor. De moeder is daarentegen in betrekkelijk korte tijd al vijf keer verhuisd en heeft recentelijk nog gezegd naar [plaats C] te willen verhuizen. Inschrijving van de kinderen bij de moeder heeft in het verleden problemen opgeleverd, omdat de moeder niet reageerde op oproepen van het consultatiebureau en deze niet aan de vader doorstuurde. De moeder heeft de kinderen in het verleden meermaals op een adres ingeschreven zonder overleg met of toestemming van de vader. Ook brengt de moeder veel tijd door in [plaats D] , bij haar partner, en voor de vader is het belangrijk dat ook in [plaats D] helder is dat de kinderen bij hem staan ingeschreven.
Advies van de raad
5.8
De raad heeft benadrukt dat ouders goed samen kunnen afstemmen over zaken als de zorgregeling en de basisschoolkeuze en zich daarin flexibel naar elkaar kunnen opstellen. Beide ouders benadrukken dat het goed gaat met de kinderen en dat de zorgregeling goed loopt. De raad vindt het daarom jammer dat er toch een conflict is over de hoofdverblijfplaats, terwijl beide ouders even veel zorg dragen. Bij de procedure bij de rechtbank bood de vader de meest stabiele situatie, maar inmiddels is de moeder terugverhuisd naar de regio [plaats A] en is haar situatie ook stabiel. De raad adviseert de hoofdverblijfplaats voor het ene kind bij de moeder en voor het andere kind bij de vader te bepalen voor zo gelijkwaardig mogelijk ouderschap.
Beoordeling door het hof
5.9
Op basis van de stukken is niet vast komen te staan dat partijen op een eerder moment zijn overeengekomen dat de kinderen bij de moeder ingeschreven zouden staan. Dat partijen dat als uitgangspunt hebben genomen bij proefberekeningen voor bijvoorbeeld kinderopvangtoeslag, impliceert niet dat zij overeenstemming hadden over wat de hoofdverblijfplaats op lange termijn zou zijn. Ook uit de door de moeder overgelegde correspondentie blijkt niet van een overeenkomst over de hoofdverblijfplaats.
5.1
Tijdens de procedure bij de rechtbank woonden de ouders op behoorlijke afstand van elkaar. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de hoofdverblijfplaats bij de vader bepaald met een relatief beperkte zorgregeling voor de moeder. Inmiddels is de situatie anders. De ouders wonen weer dichter bij elkaar en de kinderen brengen bij beide ouders even veel tijd door. Op de verdeling van de zorg heeft het bepalen van de hoofdverblijfplaats daarom geen invloed. De moeder heeft desondanks gegriefd tegen de beslissing over de hoofdverblijfplaats en toegelicht dat dat voor haar emotionele betekenis heeft.
5.11
De ouders hebben een andere visie op de wijze waarop de zorgtaken waren verdeeld tijdens het huwelijk, maar die taakverdeling is voor het hof niet meer relevant voor de beslissing over de hoofdverblijfplaats. De ouders zorgen nu immers al geruime tijd ieder even vaak/veel voor de kinderen. Het hof stelt vast dat de moeder de afgelopen periode meerdere keren is verhuisd. De moeder heeft sinds kort een huurwoning in [plaats A] . Zij heeft toegelicht dat zij het komende jaar in die huurwoning zal wonen en dat dat haar de gelegenheid biedt om uit te zien naar een andere woning in de regio [plaats A] . Het is dus te verwachten dat er nog een verhuizing van de moeder zal volgen. De vader is de afgelopen periode niet verhuisd en heeft daar ook geen plannen voor. Vooralsnog is het adres van de vader daarom het meest bestendig. Dat heeft als voordeel dat brieven over de kinderen, bijvoorbeeld van het consultatiebureau of over een schoolinschrijving, minder snel worden gemist zolang de kinderen bij hem zijn ingeschreven. Het hof ziet gelet op die situatie geen aanleiding om een andere beslissing over de hoofdverblijfplaats en de inschrijving te nemen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof is het niet met de moeder eens dat haar door de vader gevreesde verhuisplannen buiten de regio juist een reden zijn om de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen. Zoals het hof onder 5.5 heeft overwogen, moeten partijen in dat geval hoe dan ook met elkaar andere afspraken maken of, als dat niet lukt, de rechtbank om een uitspraak verzoeken. Het hof zal de beslissingen over de hoofdverblijfplaats en de inschrijving in stand laten.
Proceskosten
5.12
De vader heeft verzocht de moeder in de proceskosten te veroordelen. Volgens de vader was er geen noodzaak voor het schorsingsverzoek en het verzoek om een provisionele voorziening, vooral omdat partijen al grotendeels overeenstemming hadden bereikt. De verzoeken waren escalerend en kostenverhogend, aldus de vader. De moeder heeft toegelicht dat het schorsingsverzoek en het verzoek om een provisionele voorziening zijn ingetrokken omdat alle zaken door het hof op één zitting werden gepland.
5.13
Het hof ziet in wat de vader heeft aangevoerd, in het licht van de toelichting van de moeder, geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke compensatie van proceskosten in familierechtzaken. Beide ouders zullen dus hun eigen proceskosten betalen.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.358.027/01 (hoofdzaak):
vernietigt de bestreden beschikking wat betreft de reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw recht doende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders als volgt:
- de kinderen verblijven van maandagochtend tot woensdagochtend bij de moeder en van woensdagmiddag tot vrijdagochtend bij de vader.
- de kinderen verblijven het ene weekend van vrijdagochtend tot maandagochtend bij de moeder en in de andere week van vrijdagochtend tot maandagochtend bij de vader.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte;
in de zaken met zaaknummers 200.358.027/02 en 200.358.027/03:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken;
compenseert de kosten van de procedure in het incident en in de provisionele voorziening in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.N. van de Beek en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.