Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1199

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
23-002824-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Wetboek van StrafvorderingArt. 27 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen invoer van ruim 900 gram cocaïne als koerier

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor het invoeren van ruim 900 gram cocaïne door het doorslikken van ongeveer honderd bolletjes. In hoger beroep bevestigt het hof de bewezenverklaring, maar vernietigt het de opgelegde straf en legt een gevangenisstraf van 6 maanden op met aftrek van voorarrest.

Het hof baseert zich op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting in koerierszaken, die een straf van 6 tot 8 maanden gevangenisstraf adviseren voor hoeveelheden tussen 500 en 1.000 gram. De rechtbank Noord-Holland hanteert een afwijkend, lager strafbeleid, maar het hof kiest voor de LOVS-oriëntatiepunten vanwege rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid.

Het hof houdt rekening met de kwetsbare persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die dakloos was en geen inkomen had, en die onder druk van een opdrachtgever handelde. De straf wordt passend geacht gelet op de ernst van het feit, de hoeveelheid drugs en de persoon van de verdachte. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven zodra de duur daarvan gelijk is aan de onvoorwaardelijke straf.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest opgelegd voor invoer van ruim 900 gram cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002824-25
datum uitspraak: 1 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-300295-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden zoals de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. Er is door een opdrachtgever misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin hij verkeerde toen hij op straat leefde en geld wilde verdienen. De raadsvrouw heeft het hof verzocht aan te sluiten bij het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2025:14051) en een straf op te leggen conform de duur van het voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 april 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van ruim 900 gram cocaïne op de luchthaven Schiphol. De verdachte heeft zo’n honderd bolletjes met cocaïne geslikt en is vervolgens van Suriname naar Nederland gevlogen. Gelet op de hoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat deze cocaïne was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding. De (verdere) verspreiding en handel in harddrugs, en in het verlengde daarvan het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, zorgen voor onrust in de samenleving en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd. In het licht van deze omstandigheden bezien, is een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden.
Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten vastgesteld die als leidraad kunnen worden gehanteerd bij het bepalen van een passende en geboden straf voor feiten als het onderhavige. Voor de invoer van hoeveelheden harddrugs van 500 tot 1.000 gram door koeriers wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes tot acht maanden genoemd.
De raadsvrouw heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, (ECLI:NL:RBNHO:2025:14051). De rechtbank heeft daar eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd in zaken die zien op koeriers van (in of uitgevoerde) harddrugs op de luchthaven Schiphol (hierna ‘koerierszaken’). Dat nieuwe beleid houdt in dat de rechtbank drie breder georiënteerde uitgangspunten hanteert in plaats van de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde negentien tredes. De rechtbank neemt in het nieuwe beleid bij een gewicht tot 1.500 gram aan gesmokkelde harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf; bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram een gevangenisstraf van 6 tot 24 maanden; en bij een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden. Deze straffen zijn aanzienlijk lager dan de straffen die in de LOVS-oriëntatiepunten bij vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden genoemd.
Vooropgesteld dient te worden dat de rechter die over de feiten oordeelt over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Binnen de grenzen van de wet is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf met inbegrip van de strafsoort en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het (ten laste van de verdachte) bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen.
Anders dan de rechtbank Noord-Holland in de door de verdediging genoemde uitspraak neemt het hof genoemde LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt in de straftoemeting. Het hof is namelijk van oordeel dat de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid (waaronder voorzienbaarheid) met het gebruik van deze oriëntatiepunten worden gediend. Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de ‘koerierszaken’ en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen of voordoet tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in- of uitgevoerd en/of waarin de verdachte een andere (veelal grotere, organiserende) rol had. Het hof merkt op dat de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter expliciet wordt aanvaard in de LOVS-oriëntatiepunten, ook wat betreft de hierboven weergegeven oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Naast de hoeveelheid harddrugs kunnen immers onder meer de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de bepaling van de straf, evenals de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof benadrukt dat deze straftoemetingsfactoren er nu al toe kunnen leiden dat een (aanzienlijk) lagere straf wordt opgelegd dan de straf die in de LOVS-oriëntatiepunten voor de desbetreffende hoeveelheid gesmokkelde harddrugs wordt genoemd en dat (onder omstandigheden) ook andere strafmodaliteiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld kunnen komen, zodat maatwerk (nu al) in alle gevallen mogelijk is en blijft.
Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden zoals ter terechtzitting besproken en in het dossier worden benoemd. De verdachte was kwetsbaar door zijn slechte persoonlijke omstandigheden. Hij was dakloos, had geen werk en geen inkomsten meer. De verdachte heeft spijt betuigt en aangegeven dat zijn levenssituatie hem er toe dwong deze cocaïne tegen betaling van geld, te vervoeren en binnen de grenzen van Nederland te brengen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof beveelt de opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.F. Groos, mr. A.R.O. Mooy en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2026.
=========================================================================
[…]