Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1176

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
23-000462-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 285 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep bedreiging politieambtenaar door bespugen tijdens coronapandemie

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 9 weken gevangenisstraf wegens bedreiging van een politieambtenaar door hem in het gezicht te bespugen tijdens de coronapandemie. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en sprak de verdachte vrij zonder strafoplegging. De Hoge Raad vernietigde dit arrest deels en verwees de zaak terug naar het hof.

Na hernieuwd onderzoek acht het hof bewezen dat de verdachte de politieambtenaar heeft bedreigd met zware mishandeling door hem te bespugen, waarbij rekening is gehouden met de algemene bekendheid van de ernstige gevolgen van COVID-19 en de overdracht via speeksel. Het hof oordeelde dat de verdachte opzet had, althans voorwaardelijk, en dat de bedreiging reëel was.

Hoewel het feit ernstig is, legde het hof geen straf op vanwege een lopende ISD-maatregel die de verdachte op 11 november 2024 kreeg opgelegd. De benadeelde partij kreeg een immateriële schadevergoeding van €500 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente, conform de Rotterdamse Schaal voor belediging. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 28 april 2026.

Uitkomst: Verdachte schuldig aan bedreiging met zware mishandeling door bespugen, geen straf opgelegd vanwege lopende ISD-maatregel, €500 smartengeld toegekend.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000462-24
datum uitspraak: 28 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen - na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 27 februari 2024 - op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2020 in de strafzaak onder parketnummer
13-124957-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

Procesgang

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 weken, met aftrek van het voorarrest.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 22 november 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan, het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde bewezenverklaard en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 27 februari 2024 en bij tussenarrest van 19 december 2023 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging, waaronder begrepen de afwijzende beslissing omtrent het horen van twee Keskin-getuigen.
De Hoge Raad heeft de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen, teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2024 en 14 april 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte onder 2 tenlastegelegd dat:
2. primair
hij, op of omstreeks 8 mei 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, een politieambtenaar [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] te bespugen;
2. subsidiair
hij, op of omstreeks 8 mei 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk een politieambtenaar, te weten [slachtoffer] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door die [slachtoffer] te bespugen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde feit.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde, omdat het enkele bespugen niet kan leiden tot de redelijke vrees dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarbij wijst zij erop dat in de tenlastelegging geen corona-gerelateerde omstandigheden zijn opgenomen. De raadsvrouw stelt dat, indien geen sprake is van een reële vrees voor zwaar lichamelijk letsel, de gedraging moet worden gekwalificeerd als het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit van belediging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een situatie als het onderhavige vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Bij de beoordeling hiervan moet de objectieve mogelijkheid van ernstig letsel én het opzet van de dader op deze uitkomst worden meegewogen.
Ten tijde van de tenlastegelegde feiten was reeds algemeen bekend dat het Covid-19-virus de functie van de longen maar ook van andere vitale organen ernstig kan aantasten en dat een aanzienlijk aantal mensen niet (volledig) herstelden van het virus. Het nieuws werd ten tijde van de tenlastegelegde gedraging
gedomineerd door berichten over deze mogelijke gevolgen van het virus. Het hof is van oordeel dat deze gevolgen dan ook van algemene bekendheid kunnen worden geacht.
Daarnaast was reeds algemeen bekend dat het virus onder meer door middel van speeksel van persoon tot persoon kon worden overgedragen. De bekendheid van de verdachte met deze mogelijkheid van overdracht van het virus blijkt uit zijn uitlating tegenover de politieambtenaren [naam 1] en [naam 2] .
Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat ook bij de aangever [slachtoffer] , door het spugen
door de verdachte in zijn gezicht, in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel
zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop - in ieder geval in voorwaardelijke zin -
ook was gericht. Dat in de tenlastelegging niet expliciet aan corona is gerefereerd doet daaraan niet af,
gelet op de context en omstandigheden waarin het bespugen van [slachtoffer] door de verdachte plaatsvond en het feit dat het de verdachte geacht wordt kennis te hebben gehad van de mogelijke gezondheidsrisico’s hiervan.
Het hof acht het onder 2 primair tenlastegelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2. primair
hij, op 8 mei 2020 te Amsterdam, een politieambtenaar [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer] te bespugen.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 weken, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
De raadsvrouw heeft het hof tevens verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en geen straf of maatregel op te leggen, gelet op een opnieuw aan de verdachte opgelegde en thans nog lopende ISD-maatregel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door een hulpofficier van justitie in het gezicht te spugen. Dergelijk bedreigend en ondermijnend gedrag is in een periode waarin de samenleving zwaar onder druk staat door een heersende coronapandemie volstrekt onacceptabel. De maatschappij als geheel, en met name beroepsgroepen werkzaam in de zorg, in de handhaving van de openbare orde en belast met de zorg voor ingeslotenen, verdienen bescherming tegen dergelijk gedrag.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 maart 2026 is hij
vele malen eerder veroordeeld. Het voorgaande, in combinatie met de ernst van het feit, rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de hierna te bespreken omstandigheden zal het hof hiertoe echter niet overgaan.
Ter terechtzitting in hoger beroep en blijkens de Justitiële Documentatie van de verdachte is gebleken dat hij op 11 november 2024 opnieuw een ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren opgelegd heeft gekregen. Het hof acht het – net als de rechtbank in eerste aanleg – onwaarschijnlijk dat een hogere straf of maatregel zou zijn opgelegd dan de duur van de ISD-maatregel indien ook onderhavige zaak bij de oplegging van die maatregel zou zijn betrokken.
Het hof is derhalve van oordeel dat toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aangewezen is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00 en voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft de gehandhaafde vordering niet schriftelijk nog nader toegelicht en was evenmin aanwezig ter terechtzitting in hoger beroep.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de vordering benadeelde partij niet voor ligt na terugwijzing, omdat deze niet expliciet is vermeld als behoren tot het bereik van die terugwijzing. Subsidiair heeft zij verzocht – in het geval van bewezenverklaring van het onder 2 subsidiaire feit – de hoogte van de schadevergoeding te matigen.
Het hof is allereerst van oordeel dat de vordering benadeelde partij als onderdeel van de beslissingen ten aanzien van het tenlastegelegde feit 2 als bedoeld door de Hoge Raad voorligt ter beoordeling.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Aanspraak:
De benadeelde partij heeft allereerst toegelicht dat het als feit van algemene bekendheid vast staat dat het coronavirus uiterst besmettelijk is en zelfs levensbedreigend kan zijn. Het incident vond plaats temidden van de corona epidemie, waarbij ook in de media volop in de aandacht stond hoeveel mensen overleden als gevolg van dit virus. Bovendien heeft de benadeelde partij aangegeven dat hij de actie van de verdachte als vernederend, smerig en minachtend heeft ervaren. De uit deze toelichting en de overige feitelijke vaststellingen in dit arrest volgende aard en de ernst van de normschending in kwestie brengen in deze specifieke situatie en context de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b, BW kan worden aangenomen.
Begroting:
Voor de begroting van de immateriële schade sluit het hof (analoog) aan bij de Rotterdamse Schaal, paragraaf 20.2 (‘belediging’), met een bandbreedte ‘tot € 550’. Het hof acht op basis van het voorgaande de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 500 in de gegeven situatie billijk, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 mei 2020.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen sancties zijn gegrond op de artikelen 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het onder 1 en het onder 2 primair bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 mei 2020.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. A.R.O. Mooy en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 april 2026.
Mr. De Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.