Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1124

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.338.531/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitbreiding zorgregeling en verdeling zorg- en opvoedingstaken minderjarige

De zaak betreft een geschil over de zorg- en opvoedingstaken van een vierjarige minderjarige tussen zijn ouders, waarbij de vader in hoger beroep gaat tegen een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De rechtbank had bepaald dat de minderjarige na een opbouwregeling iedere zondag tot maandagavond bij de vader verblijft, met een wisselende regeling voor feestdagen en vakanties.

De vader verzocht om een uitgebreidere zorgregeling, waarbij de minderjarige om de week van vrijdag of donderdag tot maandag bij hem verblijft. De moeder steunde de oorspronkelijke regeling. De Raad voor de Kinderbescherming voerde een onderzoek uit en adviseerde de hoofdverblijfplaats bij de moeder te laten en de zorgregeling niet te wijzigen, mede vanwege de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van het kind.

Het hof stelde vast dat de vader zijn verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats had ingetrokken en dat het belang van het kind voorop staat, met name gezien zijn ontwikkelingsachterstand en de noodzaak van continuïteit en stabiliteit. Het hof oordeelde dat de omgangsregeling wel kon worden uitgebreid met een extra dag om de week, zodat de vader en het kind meer tijd samen hebben zonder de structuur te verstoren.

Daarnaast benadrukte het hof het belang van verbetering van de communicatie tussen de ouders en het volgen van een ouderschapsbemiddelingstraject. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de zorgregeling betrof en het hof stelde een nieuwe regeling vast die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Uitkomst: Het hof wijzigt de zorgregeling door de omgang tussen vader en minderjarige uit te breiden met een extra dag om de week, met behoud van continuïteit en stabiliteit.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.338.531/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/740255 / FA RK 23-6584
Beschikking van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. A.J. Robbers te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam.
Het hof heeft als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
Het hof heeft daarnaast als informant aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats B] , hierna: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over [minderjarige] (4 jaar) en het contact met zijn vader.
De rechtbank heeft een zorgregeling bepaald waarbij [minderjarige] , na een opbouwregeling, iedere zondagochtend tot maandagavond bij de vader verblijft. De vader is het niet eens met die zorgregeling en wil dat het hof een uitgebreidere zorgregeling vaststelt. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. De raad heeft op verzoek van het hof onderzoek gedaan. Het hof beslist tot uitbreiding van de zorgregeling en legt hierna uit hoe het tot deze beslissing komt.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 7 maart 2024 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 december 2023 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 7 mei 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 19 september 2024 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vader van 1 oktober 2024 met bijlagen.
2.4
Op 2 oktober 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft op deze zitting een raadsonderzoek gelast en de raad verzocht onderzoek in te stellen naar de onder 5.3 te noemen vragen.
Verder heeft het hof de behandeling van de zaak pro-forma aangehouden in afwachting van de resultaten van dit onderzoek. Het verzoek van de vader om de zorgregeling alvast uit te breiden, is door het hof afgewezen. Daarnaast heeft het hof de ouders opgedragen om een traject ouderschapsbemiddeling in gang te zetten.
2.5
Op 15 oktober 2025 heeft het hof het raadsrapport van 13 oktober 2025 ontvangen.
2.6
Daarna zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 8 maart 2026 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vader van 10 maart 2026 met een bijlage.
2.7
Op 11 maart 2026 heeft opnieuw een zitting plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en M. Mardo, tolk in de Engelse taal,
- de GI, vertegenwoordigd door de jeugdbeschermer en een collega,
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2022 te [plaats B] .
De ouders hebben een kortstondige relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] woont bij de moeder.
3.3
Bij beschikking van 27 januari 2026 heeft de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, zover hier van belang, bepaald dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna: de zorgregeling), na een door de rechtbank vastgestelde opbouwregeling, als volgt is verdeeld:
- [minderjarige] verblijft iedere zondag van 11:00 uur tot maandag 19:00 uur bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op zondag om 11:00 uur bij de moeder ophaalt en hem op maandag om 19:00 uur weer bij de moeder terugbrengt;
- [minderjarige] verblijft in de even jaren op Kerstavond en Eerste Kerstdag bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
- [minderjarige] verblijft in de even jaren op Tweede Kerstdag en tijdens Oud en Nieuw bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder.
In het geval [minderjarige] wegens vakantie met de moeder niet naar de vader kan, wordt de zorgregeling vervangen door een videobelmoment met de vader van 10 minuten op iedere zondag.
4.2
De vader verzoekt het hof, na wijziging van zijn verzoek per brief van 9 maart 2026, met vernietiging van de bestreden beschikking te bepalen dat [minderjarige] : de ene week bij de vader van vrijdag 17:00 uur tot maandag 19:00 uur verblijft en de andere week van donderdag 17:00 uur tot maandag 19:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terug naar de moeder brengt, althans een door het hof in goede justitie te bepalen regeling.
4.3
De moeder verzoekt het hoger beroep van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof stelt vast dat de vader zijn verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] heeft ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.
Het wettelijk kader
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan – voor zover in deze zaak van belang – omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
5.3
Bij de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025 heeft het hof de raad verzocht onderzoek te verrichten en schriftelijk advies uit te brengen ten aanzien van de vragen:
- welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige] ?
- is een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de vader, in het belang van [minderjarige] ?
-welke zorgregeling, vakantieregeling en verdeling van de feestdagen acht de raad in het belang van [minderjarige] ?
- zijn er andere omstandigheden die van belang zijn voor de door het hof te nemen
beslissingen?
Conclusie raadsrapport
5.4
De raad heeft het onderzoek uitbreid met een beschermingsonderzoek. In het rapport van 13 oktober 2025 (het rapport) heeft de raad aangegeven dat een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar (die inmiddels door de kinderrechter is uitgesproken) noodzakelijk is. De raad heeft het hof geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te houden en het (oorspronkelijke) verzoek van de vader ten aanzien van de zorgregeling, zoals opgenomen in het beroepschrift, af te wijzen. De raad acht de door de rechtbank vastgestelde regeling in het belang van [minderjarige] . Hierbij heeft de raad benadrukt dat regelmatig contact met de vader in het belang van [minderjarige] is maar dat, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , een 50/50 regeling niet haalbaar is. Op het moment dat meer duidelijk is over de dagbesteding van [minderjarige] kunnen, met begeleiding van de GI, nieuwe afspraken worden gemaakt tussen de ouders, waarbij gekeken kan worden of [minderjarige] zijn vader vaker kan zien.
De standpunten
5.5
De vader vindt dat de rechtbank een te summiere zorgregeling heeft vastgesteld. De korte tijdsduur van de omgang zorgt voor onrust bij [minderjarige] . Hij moet de kans krijgen zich thuis te voelen bij de vader. De vader is in staat [minderjarige] de structuur en begeleiding die hij nodig heeft te bieden. De rechtbank heeft onvoldoende rekening gehouden met de omvangrijke reistijd tussen de wooplaatsen van de ouders. Daarbij komt dat de toekomstige dagbesteding voor [minderjarige] vermoedelijk twee of drie dagen zal behelzen. Mocht er in de toekomst een plek voor [minderjarige] gevonden worden waar hij vijf doordeweekse dagen naartoe kan is de vader bereid om opnieuw naar de zorgregeling te kijken. De vader benadrukt dat [minderjarige] een moeder en een vader heeft en dat de veranderde gezinssituatie bij de vader, die in augustus vader is geworden van een dochter en samenwoont met zijn nieuwe partner en zijn dochter, daar niets aan verandert. De vader acht een wijziging van de hoofdverblijfplaats niet meer in het belang van [minderjarige] . De zorg en begeleiding rondom [minderjarige] zijn geconcentreerd in [plaats B] en de vader heeft vertrouwen in de ondersteuning van de GI. Tot slot merkt de vader nog op dat de samenwerking met de raadsonderzoeker stroef is verlopen en dat hij zich niet herkent in het beeld dat van hem naar voren komt in het onderzoek.
5.6
De moeder kan zich vinden in de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De vader lijkt haar als moeder te willen diskwalificeren. Vast staat dat zij een goede en betrokken moeder is, die altijd de gehele zorg voor [minderjarige] op zich heeft genomen. Het klopt dat [minderjarige] zich minder snel ontwikkelt dan leeftijdgenoten. Daarmee zijn verschillende hulpverleners op dit moment bezig, net als de moeder. De moeder stelt dat [minderjarige] veel minder problematisch gedrag laat zien als hij bij haar is. De vader suggereert dat ambulante zorg bij de moeder nodig is, terwijl het juist goed gaat bij haar thuis. De moeder vraagt zich af of er niet eerder begeleiding nodig is wanneer [minderjarige] bij de vader in [plaats A] verblijft. De vader heeft sinds kort een dochtertje, waardoor hij minder tijd en aandacht heeft voor [minderjarige] . De GI is op dit moment aan het onderzoeken welke zorg en begeleiding passend is voor [minderjarige] . Het is aan de GI om hier invulling aan te geven en afspraken over te maken met de ouders. Het is niet in het belang van [minderjarige] om op de zaken vooruit te lopen en een vergaande zorgregeling vast te stellen. Verder heeft de vader de moeder niet op de hoogte gebracht van het feit dat hij een dochter had gekregen met zijn nieuwe partner. De moeder vraagt zich af hoe uitvoering gegeven kan worden aan een uitgebreide zorgregeling als de basale communicatie tussen de partijen ontbreekt.
5.7
De raad heeft ter zitting in hoger beroep, in aanvulling op het rapport, benadrukt dat het belangrijk is om rekening te houden met de behoeftes van [minderjarige] . Juist omdat [minderjarige] een kwetsbaar kind is, hebben de spanningen tussen de ouders meer invloed op hem. De zorgen om [minderjarige] bestaan nog steeds. De komende periode moeten de ouders, met behulp van de GI, werken aan de onderlinge verhoudingen. Wat betreft de zorgregeling blijft de raad bij haar advies in het raadsrapport. De basis van de zorg voor [minderjarige] is in [plaats B] . Tegelijkertijd is het belangrijk dat de vader en [minderjarige] elkaar elke week zien. Dat is in de huidige zorgregeling het geval. Op het moment dat er meer duidelijkheid komt over de dagbesteding van [minderjarige] kan in overleg met de GI eventueel ruimte komen voor een uitgebreidere zorgregeling. De raad merkt daarbij wel op dat de dagbesteding uit vijf doordeweekse dagen kan bestaan. De raad benadrukt dat van de ouders verwacht wordt dat zij het belang van [minderjarige] voorop zetten en in de toekomst samen in overleg een passende zorgregeling kunnen vormgeven.
5.8
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij sinds kort betrokken zijn bij de ouders en bezig zijn met het opstellen van een plan van aanpak. De hulp is met name gericht op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en het vinden van passende dagbesteding voor [minderjarige] . Het kinderdienstencentrum [X] is een optie die bekend is bij de GI. Momenteel heeft de GI nog geen duidelijk antwoord op de vraag welke vervolgplek het beste bij [minderjarige] past. Voor nu gaat [minderjarige] nog twee ochtenden per week naar het kinderdagverblijf [Y] . Tot wanneer hij daar kan blijven, is nog niet bekend. Uit ervaring blijkt overigens dat kinderen in eerste instantie vaak twee of drie dagen per week naar een kinderdienstencentrum gaan en dit op basis van hun ontwikkeling langzaam kan worden uitgebreid naar vijf dagen. Het is echter nog onduidelijk hoe dit proces voor [minderjarige] zal verlopen. De GI benadrukt verder dat [minderjarige] , gelet op zijn problematiek, veel baat heeft bij structuur, veiligheid en voorspelbaarheid.
De beoordeling door het hof
5.9
Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof het volgende gebleken. [minderjarige] is een kwetsbaar kind dat zich minder snel ontwikkelt dan gebruikelijk. Bij hem zijn gehoorproblemen gediagnosticeerd en hij heeft moeite met spraak en taal. Verder zijn er zorgen over zijn gedrag. Hierdoor vraagt de opvoeding van [minderjarige] meer van zijn ouders en omgeving en heeft hij veel behoefte aan continuïteit en stabiliteit. [minderjarige] kan door zijn ontwikkelingsachterstand (nog) niet instromen in het regulier of speciaal onderwijs. Op dit moment wordt onderzocht welke vervolgplek het beste past bij [minderjarige] . In het beschermingsonderzoek heeft de raad geconstateerd dat er forse samenwerkings- en communicatieproblemen tussen de ouders bestaan en dat een beschermingsmaatregel nodig is om ervoor te zorgen dat er een eenduidige lijn ten aanzien van een zorg- en onderwijstraject voor [minderjarige] kan worden uitgezet Inmiddels heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld voor de duur van een jaar.
5.1
Onder deze omstandigheden acht het hof de door de vader verzochte regeling niet in het belang van [minderjarige] . Zoals de raad op de zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is het op dit moment voor [minderjarige] van belang dat de verstandhouding tussen de ouders normaliseert. Daarnaast moet de komende tijd duidelijk worden hoe de dagbesteding van [minderjarige] eruit zal komen te zien. In samenspraak met de GI zullen de ouders tot een zorg- en onderwijstraject voor [minderjarige] moeten komen, dat het meest aansluit bij zijn behoeften en belangen. Pas als dat duidelijk is, kan worden onderzocht of toegewerkt kan worden naar een uitgebreidere zorgregeling zoals de vader wenst. Vaststaat dat de reisafstand tussen de woonplaats van de moeder en de vader aanzienlijk is. [minderjarige] woont samen met de moeder in [plaats B] , waar ook de huidige hulpverlening en dagbesteding is en wordt georganiseerd, en de vader woont in [plaats A] . Gelet op deze reisafstand en de tijd die het overbruggen van de afstand kost, ziet het hof aanleiding om de door de rechtbank vastgestelde regeling om de week met een dag uit te breiden.
5.11
Het hof zal dan ook een regeling vaststellen, waarbij [minderjarige] de ene week van zaterdag 16:00 uur tot maandag 19:00 uur bij de vader verblijft en hij de andere week van zondag 11:00 uur tot maandag 19:00 uur bij de vader verblijft. Met deze regeling kunnen de vader en [minderjarige] meer tijd met elkaar doorbrengen, wordt meer rust voor [minderjarige] gecreëerd en krijgt [minderjarige] eens in de twee weken langer de tijd om aan de gewijzigde gezinssituatie bij de vader te wennen. Hoewel een wijziging van de huidige zorgregeling enige verandering voor [minderjarige] met zich brengt, blijft het grootste deel van de zorgregeling, en daarmee de structuur van de bestaande regeling, in stand en worden de continuïteit en voorspelbaarheid voor [minderjarige] hierdoor zo veel mogelijk gewaarborgd.
5.12
Het hof is dan ook net als de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vader hem ophaalt bij en terugbrengt naar de moeder. De vader heeft [minderjarige] altijd gebracht en gehaald, [minderjarige] is hieraan gewend en bovendien lijken de overdrachtsmomenten op dit moment beter te verlopen. Het is in het belang van [minderjarige] dat daarin geen verandering in komt, juist omdat hij een verzwaarde behoefte heeft aan continuïteit en stabiliteit.
5.13
Ten slotte benadrukt het hof dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders hun onderlinge communicatie gaan verbeteren en de spanningen tussen hen gaan aanpakken door middel van het volgen van een, in overleg met de GI te bepalen, ouderschapsbemiddeling traject.
5.14
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2023, voor zover aan het hof voorgelegd en voor zover het de reguliere zorgregeling betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders als volgt:
- [minderjarige] verblijft de ene week van zaterdag 16:00 uur tot maandag 19:00 uur bij de vader en de andere week van zondag 11:00 uur tot maandag 19:00 uur bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en terugbrengt naar de moeder.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.V.T. de Bie, en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 28 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.