Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1123

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.353.836/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag over minderjarige kinderen ondanks moeizame communicatie ouders

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam die het verzoek van de vader toewijst om gezamenlijk gezag over de kinderen van 7 en 5 jaar toe te kennen. De moeder betoogt dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is vanwege de moeizame communicatie en het vertrek van de vader naar Marokko zonder adequate informatievoorziening.

Het hof heeft de stukken bestudeerd, waaronder brieven van het oudste kind en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, en heeft een mondelinge behandeling gehouden. De raad adviseert bekrachtiging van de beschikking en benadrukt het belang van verbetering van de communicatie tussen de ouders.

Het hof oordeelt dat ondanks de moeizame communicatie, de ouders in staat zijn om gezamenlijke beslissingen te nemen en dat er geen concreet bewijs is dat de kinderen klem of verloren zullen raken. Het hof wijst het verzoek van de moeder af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. Tevens wordt de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep over de zorgregeling.

Het hof benadrukt het belang van goede communicatie en verwacht dat de ouders zich inspannen om deze te verbeteren, onder meer via het Ouder- en Kindteam. De vader wordt geacht de moeder tijdig te informeren over zijn reizen naar Marokko om continuïteit en voorspelbaarheid voor de kinderen te waarborgen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige kinderen en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.836/01
zaaknummer rechtbank: C/13/756166 / FA RK 24-5941
beschikking van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. Aynan te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M. Cortet te Utrecht.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [kind 1] , geboren [in] 2011 te [plaats A] ;
- [kind 2 ] , geboren [in] 2018 te [plaats A] ;
- [kind 3] , geboren [in] 2020 te [plaats A] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [kind 2 ] (zeven jaar oud) en [kind 3] (vijf jaar oud). De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 23 januari 2025 onder andere het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het gezag over de kinderen te belasten toegewezen. De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat het verzoek alsnog moet worden afgewezen.
1.2
Het hof oordeelt dat de rechtbank de beslissing om de ouders gezamenlijk met het gezag over de kinderen te belasten op de juiste gronden heeft genomen en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 22 april 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 23 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 12 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 2 juni 2025, met als bijlage het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 16 januari 2025;
- een bericht van de moeder van 15 oktober 2025, met als bijlage de beschikking van de rechtbank van 10 oktober 2025.
2.4
[kind 1] heeft in twee brieven, die zijn ingediend op 28 augustus 2025 en op 2 februari 2026, laten weten wat hij van de zaak vindt. De voorzitter heeft ter zitting een samenvatting van de inhoud van de brieven gegeven zodat partijen hierop konden reageren.
2.5
Een eerder geplande mondelinge behandeling is niet doorgegaan, omdat partijen wilden proberen via mediation een regeling te treffen. Op 16 januari 2026 hebben de ouders (afzonderlijk van elkaar) het hof laten weten dat het mediationtraject is beëindigd zonder resultaat. Daarop is een mondelinge behandeling gepland. De zitting heeft op 11 maart 2026 plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de taal Tarifit,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw I. Stuifbergen.

3.De feiten

3.1
De ouders zijn [in] 2003 in Marokko met elkaar getrouwd. Het huwelijk is op 11 maart 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 februari 2013 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2
Tijdens het huwelijk van de ouders zijn geboren:
- [kind 4] , [in] 2005 te [plaats A] ;
- [kind 5] , [in] 2007 te [plaats A] ;
- [kind 1] , [in] 2011 te [plaats A] .
[kind 4] en [kind 5] zijn inmiddels meerderjarig.
3.3
Na de echtscheiding zijn in de relatie tussen de ouders geboren:
- [kind 2 ] , [in] 2018 te [plaats A] ;
- [kind 3] , [in] 2020 te [plaats A] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.
De vader heeft [kind 2 ] en [kind 3] erkend.
3.4
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 23 januari 2025 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld ten aanzien van [kind 1] en [kind 2 ] , waarin de vader [kind 1] en [kind 2 ] om de week van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij zich heeft waarbij hij voornoemde kinderen bij de moeder ophaalt en naar de moeder terugbrengt.
Verder heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald ten aanzien van [kind 3] , waarbij de vader [kind 3] om de week op vrijdag van 17:00 uur tot 18:00 uur bij zich heeft (voorafgaand aan het moment dat hij [kind 1] en [kind 2 ] bij zich heeft), waarbij de vader [kind 3] bij de moeder ophaalt en naar de moeder terugbrengt.
De behandeling van het verzoek van de moeder ten aanzien van het gezag over [kind 1] is pro forma aangehouden.
In de beschikking van de rechtbank van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank (onder andere) een vakantieregeling tussen de vader en [kind 1] en [kind 2 ] vastgesteld, de voorlopige zorgregeling tussen de vader en [kind 3] enigszins aangepast en de behandeling van de verzoeken over het gezag over [kind 1] en de (definitieve) zorgregeling tussen de vader en [kind 3] aangehouden.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de vader bepaald dat de ouders gezamenlijk belast worden met het gezag over [kind 2 ] en [kind 3] .
4.2
De moeder verzoekt primair, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), het verzoek van de vader alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder de raad te gelasten een onderzoek te doen naar de wenselijkheid om ook de vader met het ouderlijk gezag over [kind 2 ] en [kind 3] te belasten. Meer subsidiair verzoekt de moeder om kindgesprekken te gelasten met de voornoemde kinderen.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het door haar in hoger beroep verzochte af te wijzen dan wel ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De moeder heeft ter zitting haar tweede grief, over de zorg- c.q. omgangsregeling tussen de vader en de kinderen, ingetrokken waardoor het hof hier niet meer op hoeft te beslissen. Dit brengt mee dat de moeder ten aanzien van dit verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De moeder stelt dat gezamenlijk gezag niet in het belang van de kinderen is. Na de echtscheiding van de ouders rustte de verzorging en de opvoeding van de (tijdens het huwelijk geboren) kinderen grotendeels op schouders van de moeder. Partijen oefenden gezamenlijk het gezag uit over hen. De communicatie tussen de ouders over deze kinderen verliep al moeizaam en de moeder is bang dat deze situatie zich zal herhalen bij gezamenlijk gezag over [kind 2 ] en [kind 3] . Bij toewijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag zullen de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. De vader vertrekt meerdere keren per jaar naar Marokko zonder de moeder of de kinderen van tevoren hierover te informeren, noch laat hij weten wanneer hij weer terug is. Wanneer de vader in Marokko is kunnen de ouders, mede gelet op de moeizame communicatie, geen gezamenlijke beslissingen nemen over de kinderen.
Gelet op de door de moeder geuite zorgen had de rechtbank een raadsonderzoek moeten gelasten naar de vraag of gezamenlijk gezag in het belang is van de kinderen en de zaak voor wat betreft de gezagsbeslissing zes maanden moeten aanhouden.
Overigens vindt de moeder het wel belangrijk dat de kinderen contact houden met hun vader en dat hij de zorgregeling nakomt, aangezien de kinderen gebaat zijn bij regelmaat en structuur.
5.3
De vader is van mening dat het in het belang van de kinderen is dat beide ouders het gezag over hen uitoefenen. Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt, zodat de ouders na de scheiding gezamenlijk beslissingen nemen over belangrijke aangelegenheden van de kinderen zoals vakanties naar het buitenland, de schoolkeuze en medische zaken. Het verkrijgen van gezag is voor de vader van belang om informatie te kunnen krijgen van bijvoorbeeld de school en de huisarts van de kinderen. Daarbij draagt gezamenlijk gezag eraan bij dat de kinderen weten dat de vader de verantwoordelijkheid voor hen draagt en dat hij invloed heeft op hun opvoeding. De ouders waren gezamenlijk belast met het gezag over de inmiddels meerderjarige kinderen van partijen en dit verliep prima. De vader betwist dan ook dat [kind 2 ] en [kind 3] bij gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders. De communicatie tussen de ouders dient wel te worden verbeterd en de vader staat open voor het inschakelen van hulpverlening hiervoor. Verder is een raadsonderzoek niet noodzakelijk en niet in het belang van de kinderen, aldus de vader.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad ziet dat de vader betrokken is geweest bij de opvoeding van de oudste twee kinderen van partijen en dat hij ook betrokken wil zijn bij [kind 2 ] en [kind 3] . Hoewel de omgang nog niet naar behoren verloopt, is er op dit moment wel een vorm van omgang tussen de vader en de kinderen. Er is geen indicatie dat zich problemen zullen voordoen bij het nemen van gezamenlijke gezagsbeslissingen door de ouders. De communicatie tussen de ouders is echter wel een probleem. De raad adviseert de ouders om contact op te nemen met Ouder- en Kindteams [plaats A] (OKT) zodat zij hulp kunnen krijgen bij het verbeteren van hun onderlinge communicatie.
De beoordeling door het hof
5.5
Het hof acht zich op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een raadsonderzoek te gelasten. Ook het meer subsidiaire verzoek van de moeder, om kindgesprekken met de kinderen te gelasten, wijst het hof af. De kinderen zijn respectievelijk zeven en vijf jaar oud en het hof nodigt kinderen vanaf acht jaar oud uit voor een kindgesprek. Het hof ziet geen aanleiding om daar in deze zaak vanaf te wijken.
5.6
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kinderen kunnen voordoen zodat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders.
5.7
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Dit lijkt echter vooral te komen doordat partijen elkaar niet rechtstreeks informeren over (gewichtige zaken met betrekking tot) de kinderen. Zo heeft de vader ter zitting aangegeven dat hij door de moeder niet geïnformeerd wordt over de medische onderzoeken van [kind 3] . Anderzijds heeft de vader de moeder niet (tijdig) geïnformeerd wanneer en hoe lang hij naar Marokko gaat. Het hof is echter van oordeel dat desondanks niet aannemelijk is geworden dat de ouders niet in staat zijn om samen essentiële beslissingen over [kind 2 ] en [kind 3] te nemen. De ouders hebben in het verleden gezamenlijk het gezag uitgeoefend over hun inmiddels meerderjarige kinderen [kind 4] en [kind 5] . Niet is gebleken dat dit tot zodanige problemen heeft geleid dat de ouders geen gezamenlijke gezagsbeslissingen konden nemen. Ook heeft de moeder geen concrete feiten of omstandigheden gesteld, noch stukken daartoe overgelegd, waaruit blijkt dat de vader de moeder tegenwerkt bij het nemen van belangrijke beslissingen over de kinderen of in haar rol als verzorgende ouder.
5.8
Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de raad dat het wel in het belang is van [kind 2 ] en [kind 3] dat de ouders zich zullen inspannen om hun onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren. Zo is het van belang dat de ouders naar de kinderen toe geen negatieve uitlatingen doen over elkaar, zodat de kinderen voelen dat zij onbelast contact kunnen en mogen hebben met beide ouders. Ook ligt het op de weg van de moeder als hoofdopvoeder om de vader op de hoogte te houden van de medische onderzoeken die [kind 3] moet ondergaan of heeft ondergaan. Anderzijds kan van de vader als mede-opvoeder worden verwacht dat hij initiatief neemt en zelf informatie over de kinderen opvraagt bij de moeder, maar ook bijvoorbeeld bij de huisarts en de school van de kinderen. Het hof benadrukt dat het aan de ouders zelf is om hun verantwoordelijkheid te nemen om hun onderlinge communicatie te verbeteren, door zich bijvoorbeeld aan te melden bij het OKT.
Daarnaast dient de vader de moeder tijdig te informeren wanneer hij naar Marokko gaat en weer terugkomt, zodat zij weet wanneer de zorgregeling geen doorgang kan vinden. Ter zitting heeft de vader – bij monde van zijn advocaat – aangegeven hieraan te zullen werken. Het hof gaat ervan uit dat de vader zich hieraan zal houden, niet in de laatste plaats omdat het ook voor de kinderen van belang is dat zij weten wanneer en voor hoelang de vader in Marokko verblijft. Dit zorgt voor continuïteit en voorspelbaarheid voor de kinderen en zo weten zij wat zij van hun vader kunnen verwachten.
5.9
Concluderend is naar oordeel van het hof niet gebleken dat [kind 2 ] en [kind 3] klem of verloren zullen raken bij gezamenlijk gezag of dat afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het hof wijst het verzoek van de moeder af en bekrachtigt de bestreden beschikking in zoverre.
5.1
Gelet op dit oordeel ziet het hof geen aanleiding de beslissing nog enige tijd aan te houden, zoals door de moeder verzocht.
5.11
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor dit ziet op haar verzoek tot het wijzigen van de zorgregeling;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. A.V.T. de Bie en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 28 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.