Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1112

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.360.659/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 194 lid 1 RvArt. 195 RvArt. 198 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en gelasten deskundigenonderzoek in omgangsregeling minderjarige kinderen

De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder over de omgang met hun twee minderjarige kinderen en de erkenning van de jongste door de vader. De rechtbank wees het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling af, maar verleende hem vervangende toestemming tot erkenning van de jongste. De vader ging hiertegen in hoger beroep, de moeder stelde incidenteel beroep in tegen de erkenning.

Het hof bevestigt dat de belangen van de moeder en het kind niet zodanig worden geschaad door de erkenning dat deze geweigerd moet worden. De erkenning wordt bekrachtigd. Ten aanzien van de omgangsregeling is het hof van oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk is vanwege het contactverlies en de complexe problematiek rondom ouderonthechting en mogelijke traumatische ervaringen.

Het hof gelast een deskundigenonderzoek door een psycholoog gespecialiseerd in gewelddadige relaties en ouderonthechting, mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc, met een uitgebreid onderzoeksprotocol. De kosten van het onderzoek worden ten laste van het Rijk gebracht vanwege de geringe draagkracht van de moeder. De zaak wordt pro forma aangehouden tot januari 2027, waarna verdere beslissingen volgen op basis van het rapport.

Uitkomst: De vervangende toestemming tot erkenning wordt bekrachtigd en een deskundigenonderzoek naar de omgang en contactherstel wordt gelast met aanhouding van de zaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.659/01
zaaknummer rechtbank: C/13/738053 / FA RK 23-5351
beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. S.M. Oor te Zeewolde,
en
[de moeder] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] );
- mr. S.J. van der Woude, kantoorhoudende te Amsterdam, in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: de bijzondere curator).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] (11 jaar) en [minderjarige 2] (7 jaar) en over de erkenning van [minderjarige 2] door de vader. De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen. De vader is het daarmee niet eens en wil dat alsnog een omgangsregeling wordt vastgesteld. Verder heeft de rechtbank de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat het verzoek van de vader tot erkenning van [minderjarige 2] alsnog wordt afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 23 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 10 december 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 23 januari 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. De moeder heeft (via de bode) bij aanvang van de zitting een brief van [minderjarige 1] aan de voorzitter overhandigd. De voorzitter heeft ter zitting een korte samenvatting van de inhoud van de brief gegeven.
2.5
De zitting heeft op 5 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de bijzondere curator;
- de raad, vertegenwoordigd door I. Stuifbergen.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
2.6
Na de zitting zijn met toestemming van het hof de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de raad van 6 maart 2026;
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 maart 2026;
- een bericht van de zijde van de vader van 12 maart 2026.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben tot begin 2023 een relatie gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats B] .
De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk ook: de kinderen). De kinderen verblijven bij de moeder.
3.2
De ouders en de kinderen hebben (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.
3.3
Bij beschikking van 3 oktober 2024 heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, het verzoek van de vader hem mede met het gezag over de kinderen te belasten afgewezen. De verzoeken van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen en tot erkenning van [minderjarige 2] zijn aangehouden. Daarnaast is mr. S.J. van der Woude benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 2] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige 2] te erkennen en het verzoek van de vader om (kort samengevat) een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, afgewezen.
in principaal hoger beroep
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,
  • een omgangsregeling vast te stellen, waarbij de vader eenmaal per maand omgang met de kinderen heeft onder begeleiding van een professionele instantie, waarbij de professionele instantie de plaats, de dag, de duur en het tijdstip van de omgang in overleg met de ouders zal bepalen. Een opbouw van de omgangsregeling zal eveneens in samenspraak met de Opvoedpoli of een derde professionele instantie geschieden, waarbij in een tijdsbestek van een jaar wordt toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij de kinderen iedere woensdagmiddag uit school tot en met 19:00 uur en eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 19:00 uur bij de vader verblijven, althans een zodanige omgangsregeling en opbouwregeling en de duur daarvan te bepalen als het hof juist acht;
  • een verdeling van de vakanties en de feest- en bijzondere dagen vast te stellen, waarbij de kinderen als volgt bij de ouders verblijven:
a. voorjaarsvakantie: even jaren bij vader, oneven jaren bij moeder;
b. meivakantie:
- in geval van 1 week vakantie: even jaren bij moeder, oneven jaren bij vader;
- in geval van 2 weken vakantie: eerste week bij moeder, tweede week bij vader;
c. zomervakantie: even jaren de eerste drie weken bij moeder en de laatste drie weken bij de vader, oneven jaren de eerste drie weken bij vader en de laatste drie weken bij de moeder;
d. herfstvakantie: eerste week bij vader, tweede week bij moeder;
e. kerstvakantie: even jaren de eerste week bij vader, tweede week bij moeder oneven jaren eerste week bij moeder, tweede week bij vader;
f. Goede Vrijdag en Pasen: conform reguliere zorgregeling;
g. Hemelvaartsdag: conform reguliere zorgregeling;
h. Pinksteren: conform reguliere zorgregeling;
i. Koningsdag: conform reguliere zorgregeling of verdeling vakantie wanneer deze dag een vakantie valt;
j. Sinterklaas: conform reguliere zorgregeling;
k. kerstavond en eerste kerstdag: even jaren bij vader, oneven jaren bij moeder;
l. tweede kerstdag: even jaren bij moeder, oneven jaren bij vader;
m. oud en nieuw: even jaren bij moeder, oneven jaren bij vader;
n. Vaderdag: bij vader;
o. Moederdag: bij moeder,
althans een zodanige verdeling van de vakanties en feestdagen te bepalen als het hof juist acht;
  • te bepalen dat de vader de kinderen op schooldagen op school ophaalt en de moeder de kinderen vervolgens bij de vader thuis ophaalt, op niet schooldagen de vader de kinderen bij de moeder thuis ophaalt en de moeder de kinderen vervolgens bij de vader thuis ophaalt, althans een zodanige verdeling van het halen en brengen van de kinderen te bepalen als het hof juist acht;
  • in het geval de bovenstaande verzoeken niet worden toegewezen, met spoed een nieuw onderzoek door de raad of een andere deskundige te gelasten waarin wordt gevraagd om een nieuw onderzoek naar het gestelde huiselijk geweld, welke interventies ingezet dienen te worden, welke (opbouw in de) zorgregeling in het belang van de kinderen wordt geacht en advies te geven hoe het contact met de kinderen en de vader kan worden hersteld, althans te bepalen dat in het onderzoek dat door de raad of een andere deskundige wordt gestart wordt betrokken de vraag welke (opbouw in) zorgregeling dan wel wijze van contactherstel tussen de vader en de kinderen het meest in het belang van de kinderen wordt geacht;
  • te bepalen dat onderzoek wordt gedaan naar het mogelijk bestaan van ouderonthechting, bijvoorbeeld door mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc aan te stellen als onderzoekster, althans een door het hof nader te bepalen expert in ouderonthechting.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoeken af te wijzen.
in incidenteel hoger beroep
4.4
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de vader hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 2] te erkennen, af te wijzen.
4.5
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het door haar verzochte af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal eerst ingaan op de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 2] , waarna de omgang tussen de vader en de kinderen aan de orde zal komen.
Vervangende toestemming erkenning
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:204 lid Pro 3, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is. In deze zaak is niet in geschil dat de vader de verwekker van [minderjarige 2] is.
De wetgever heeft met het scheppen van de wettelijke mogelijkheid van vervangende toestemming beoogd in het kader van de afstamming meer aansluiting te zoeken bij de biologische werkelijkheid. Volgens vaste jurisprudentie dient bij de afweging van de belangen van de betrokkenen als uitgangspunt te gelden dat zowel het kind als zijn verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Voor de vraag of het verzoek van de vader moet worden toegewezen, dient zijn belang bij erkenning te worden afgewogen tegen de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 2] en de belangen van [minderjarige 2] . Van schade aan de belangen van [minderjarige 2] kan worden gesproken indien ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s ontstaan dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [minderjarige 2] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft.
De standpunten
5.3
De moeder stelt dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] in het gedrang kan komen als vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend. De moeder is de hoofdverzorger van twee belaste kinderen en is zelf ook overbelast en getraumatiseerd door de gedragingen van de vader in het verleden. Vanwege de angst en de spanning die zij heeft, zal de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komen te verkeren dat zij niet in staat is om [minderjarige 2] het stabiele opvoedingsklimaat te geven dat hij nodig heeft. De moeder is bang dat de vader na eventuele erkenning van [minderjarige 2] meer invloed op haar en haar gezin zal kunnen uitoefen, waardoor zij nog meer spanning ervaart. Deze spanningen zijn schadelijk voor [minderjarige 2] , en ook voor [minderjarige 1] . Het is van belang dat de moeder haar beperkte draagkracht volledig kan aanwenden voor de verzorging en opvoeding van de kinderen, zonder druk te ervaren van juridische procedures, aldus de moeder.
5.4
De vader betwist dat de belangen van de moeder en [minderjarige 2] zullen worden geschaad bij zijn erkenning van [minderjarige 2] . De moeder is immers ook in staat een stabiel opvoedingsklimaat aan [minderjarige 1] te bieden, ook al is hij erkend door de vader. De vader vindt het belangrijk dat de juridische ongelijkheid tussen de twee broers wordt opgeheven. Een erkenning door vader van [minderjarige 2] brengt voor de moeder geen enkele wijziging met zich mee. De angst van de moeder dat de vader na erkenning meer invloed op het gezin van de moeder zal uitoefenen, is dan ook onterecht. Bovendien is er geen reden om aan te nemen dat de sociaalpsychologische ontwikkeling van [minderjarige 2] in het gedrang komt bij een erkenning door de vader. Het lijkt immers goed te gaan met hem, zowel op cognitief als sociaal-emotioneel gebied. Daar komt bij dat het ook een evident belang is voor [minderjarige 2] dat hij weet van wie hij afstamt.
De visie van de bijzondere curator
5.5
De bijzondere curator heeft ter zitting in hoger beroep verklaard nog steeds achter zijn advies, zoals opgenomen in zijn verslag van 18 november 2024, te staan om de vader vervangende toestemming te verlenen [minderjarige 2] te erkennen.
Het advies van de raad
5.6
De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geen advies over de vervangende toestemming erkenning gegeven.
De beoordeling door het hof
5.7
Het hof is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige 2] worden geschaad of dat een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] in het gedrang komt als de vader hem zou erkennen. Duidelijk is dat de moeder veel weerstand heeft tegen de erkenning van [minderjarige 2] door de vader. Het is dan ook goed denkbaar dat de erkenning bij haar voor spanning en stress zal zorgen. Dit is echter onvoldoende om het verlenen van vervangende toestemming achterwege te laten. Niet, althans onvoldoende is gebleken dat de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is om [minderjarige 2] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. Hierbij neemt het hof, net als de rechtbank, in aanmerking dat de vader [minderjarige 1] in het verleden ook heeft erkend en dat de moeder voldoende in staat is gebleken om hem een stabiel opvoedklimaat te bieden. Onduidelijk is waarom dat bij [minderjarige 2] anders zal zijn. Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de vervangende toestemming tot erkenning dan ook bekrachtigen.
Omgangsregeling
Het wettelijk kader
5.8
Ter beoordeling aan het hof ligt voor of een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld dient te worden en zo ja, hoe deze regeling eruit dient te zien.
Het wettelijk uitgangspunt is dat een kind en zijn ouders recht hebben op omgang met elkaar. De rechter kan het recht op omgang uitsluitend ontzeggen indien sprake is van (één van) de ontzeggingsgronden zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 BW, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.9
De vader betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen omgangsregeling tussen hem en de kinderen heeft vastgesteld. Hij betwist dat in het verleden sprake is geweest van enige vorm van fysiek of verbaal geweld richting de moeder en/of de kinderen. Volgens de vader zijn de onjuiste stellingen van de moeder hierover ten onrechte en zonder onderzoek of navraag door de raad en de rechtbank overgenomen. Dit geldt ook voor de stelling van de moeder dat de kinderen bang voor hem zouden zijn. De vader meent dat sprake is van ouderverstoting en stelt dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden om een gedegen beslissing te kunnen nemen over de omgang tussen hem en de kinderen. Het is volgens hem van cruciaal belang dat een analyse wordt gemaakt van wat er is gebeurd aan de hand waarvan passende interventies kunnen worden ingezet. Op dit moment worden de kinderen enkel bevestigd in hun gecreëerde en bestaande (negatieve) gedachtes over de vader en is er geen hulpverlening betrokken, die hen voorbereidt op en/of begeleidt bij het hebben van contact met hun vader. Hierdoor blijven de kinderen in een negatieve spiraal, hetgeen niet in hun belang is.
5.1
De moeder voert verweer. Zij is van mening dat de rechtbank het verzoek van de vader om een omgangsregeling terecht heeft afgewezen. Volgens de moeder is het onverantwoord en niet in het belang van de kinderen om contact met de vader te hebben, zolang hij niet erkent wat er tijdens de relatie met moeder en de kinderen niet goed is gegaan, hij de door de raad aangeraden hulp niet aangaat en naar de moeder blijft wijzen als oorzaak van het probleem. Ook het door de vader verzochte aanvullende onderzoek is volgens de moeder niet in het belang van de kinderen. Na vier jaar gaat het eindelijk beter met ze. Het is van belang dat zij in alle rust hun traumatherapie kunnen afronden. Bovendien zijn er al twee uitgebreide raadsonderzoeken geweest, waarbij de raad ook inzage heeft gehad in het medische dossier van de moeder. De raad is beide keren tot de conclusie gekomen dat er geen ruimte was voor contactherstel. De kinderen zijn bang voor de vader; zij hebben aan hun therapeuten verteld wat zij allemaal met hem hebben meegemaakt in het verleden. Voldoende is onderbouwd dat omgang met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is, aldus de moeder.
Het advies van de raad
5.11
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. De raad heeft weliswaar geadviseerd het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen, maar het was daarbij de bedoeling dat de kinderen onder toezicht gesteld zouden worden en dat de alsdan betrokken gecertificeerde instelling (hierna: GI) de mogelijkheden tot contactherstel verder zou kunnen onderzoeken. Het verzoek tot ondertoezichtstelling is door de rechtbank echter afgewezen, met als reden dat door de raad niet genoeg feitenonderzoek was gedaan naar de relatie van partijen. Per abuis heeft de raad geen hoger beroep ingesteld. De raad acht een nieuw raadsonderzoek op dit moment niet van toegevoegde waarde, omdat de raad te weinig expertise heeft om een casus als de onderhavige te onderzoeken. Volgens de raad dient in het belang van de kinderen een specialistisch onderzoek plaats te vinden door een expert op het gebied van gewelddadige relaties en oudervervreemding, om te achterhalen wat de oorzaak is van het contactverlies tussen de vader en de kinderen. De raad heeft in dit kader voorafgaand aan de zitting al contact gehad met mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc, psycholoog, die zich bereid heeft getoond onder bepaalde voorwaarden een dergelijk onderzoek uit te voeren. Zij heeft daarbij laten weten pas na de zomervakantie van 2026 in de gelegenheid te zijn het onderzoek uit te voeren. De raad heeft het hof ter zitting verzocht een onderzoek door voornoemde deskundige te gelasten.
De verdere gang van zaken
5.12
Ter zitting is met de raad en partijen afgesproken dat de raad het onderzoeksprotocol van mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc aan de ouders en het hof zal toesturen, waarna de ouders een week de tijd krijgen om hierop te reageren.
5.13
Het hof heeft op 6 maart 2026 voornoemd onderzoeksprotocol van mevrouw Koppejan-Luitze MSc, van de raad ontvangen. In dit protocol is de werkwijze omschreven van het onderzoek dat mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc zal uitvoeren indien zij tot deskundige wordt benoemd, waarin begrepen de onderzoekvragen die zij bij haar onderzoek zal betrekken. Het gaat om de volgende vragen:
1. Welke invloed uit het verleden speelt een rol bij de huidige problematiek?
2. Welke redenen geven betrokkenen voor de contactbreuk en zijn deze in de loop der tijd veranderd?
3. Zijn er praktische redenen waarom de zorgregeling niet uitgevoerd kan worden?
4. Is de reden van de contactbreuk gegrond?
5. Zijn er signalen dat er sprake is van het proces van ouderonthechting?
6. Staan de betrokken partijen (inclusief het sociale en professionele netwerk) emotioneel achter de uitvoering van een zorgregeling?
7. Wat zijn de ontwikkelingsbedreigingen op korte en lange termijn?
8. Welke interventie is nodig om de onderliggende problemen op te lossen zodanig dat de kinderen beide ouders – maar veilig – in hun leven kunnen houden (uitvoering van een zorgregeling conform art. 9 van Pro het Kinderrechtenverdrag en art. 8 van Pro het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens)?
In het protocol is voorts opgenomen dat ouders zich bij aanvaarding van het onderzoek of bij opdracht van de rechter akkoord verklaren met de omschreven werkwijze.
5.14
De moeder heeft het hof bij bericht van 11 maart 2026, zoals hiervoor onder 2.6 genoemd, laten weten dat zij kan instemmen met benoeming van mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc tot deskundige en dat zij geen aanvullende onderzoeksvragen heeft. De moeder heeft daarnaast aangegeven dat zij graag wil dat haar vertrouwenspersoon bij de gesprekken met de deskundige aanwezig is en dat de therapeuten van de kinderen aanwezig zijn bij de gesprekken tussen de deskundige en de kinderen.
5.15
De vader heeft het hof bij bericht van 12 maart 2026, zoals hierboven onder 2.6 vermeld, geïnformeerd eveneens in te stemmen met benoeming van mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc tot deskundige. De vader maakt bezwaar tegen de door de moeder gewenste aanwezigheid van de therapeuten van de kinderen bij de gesprekken tussen de deskundige en de kinderen.
De beoordeling door het hof
5.16
Het hof is met de raad van oordeel dat in het belang van de kinderen nader onderzoek dient plaats te vinden naar het contactverlies tussen de vader en de kinderen en de (on)mogelijkheid tot contactherstel, en zal daartoe ambtshalve een deskundigenonderzoek gelasten op de voet van het bepaalde in art. 194, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het hof zal mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc als deskundige benoemen en haar verzoeken de hiervoor onder 5.13 opgenomen vragen te betrekken bij het uit te voeren onderzoek. Het hof benadrukt dat uit het onderzoeksprotocol van mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc (hierna: de deskundige) volgt dat ouders zich bij aanvaarding van het onderzoek of bij opdracht van de rechter akkoord verklaren met de omschreven werkwijze en dat partijen geen extra voorwaarden mogen verbinden aan de voorwaarden die de deskundige stelt. Dit houdt onder meer in dat de onderzoekgesprekken met partijen en met de kinderen (apart) in beslotenheid plaatsvinden. Gegeven de specifieke expertise van de deskundige kan ervan worden uitgegaan dat het welbevinden van de kinderen tijdens de gesprekken door haar zal worden bevorderd en gewaarborgd. De therapeuten van de kinderen zullen dus niet worden toegelaten bij de gesprekken tussen de deskundige en de kinderen. Het hof gaat ervan uit dat de moeder deze werkwijze accepteert en ook uitdraagt naar de kinderen. Het hof wijst in dit kader bovendien op het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv Pro dat bepaalt dat partijen verplicht zijn aan het onderzoek mee te werken en dat wanneer partijen niet aan deze verplichting voldoen, het hof daaruit de gevolgtrekking kan maken die het hof geraden acht.
5.17
Het hof zal de deskundige een afschrift van deze beschikking toezenden, alsmede een kopie van het procesdossier.
5.18
De deskundige dient partijen de gelegenheid te geven opmerkingen te maken over het rapport en uit het rapport van de deskundige dient te blijken dat dit is gebeurd.
5.19
De deskundige dient het hof schriftelijk te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Omdat het onderzoek pas na de zomervakantie van 2026 zal starten, zal het hof de deskundige verzoeken uiterlijk 15 december 2026 het deskundigenrapport uit te brengen.
5.2
Na binnenkomst van het rapport van de deskundige zal het hof een afschrift van dat rapport aan partijen toezenden en hun de gelegenheid bieden daarop binnen vier weken schriftelijk te reageren. Tevens zal een afschrift van het rapport aan de raad worden gezonden.
5.21
Teneinde de deskundige in de gelegenheid te stellen het onderzoek te verrichten en partijen de gelegenheid te bieden daarop te reageren, zal het hof de behandeling van de zaak pro forma aanhouden tot zondag 31 januari 2027;
5.22
Het hof zal mr. P.F.E. Geerlings benoemen tot raadsheer-commissaris tot wie de deskundige zich door tussenkomst van de griffie kan wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft.
5.23
Ten aanzien van de kosten van het onderzoek overweegt het hof als volgt.
Op grond van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenonderzoek in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In verzoekschriftprocedures bepaalt artikel 284, eerste lid, Rv die bepalingen van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van een minderjarig kind nodig is dat een deskundigenonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof in uitzonderlijke gevallen de ruimte de kosten van zo een onderzoek geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk te brengen indien sprake is van geen of verminderde draagkracht aan de zijde van (een van) de ouders.
Het hof ziet in de onderhavige zaak - waarin de Raad voor Rechtsbijstand aan de vrouw een toevoeging heeft verleend en de vrouw derhalve over geringe draagkracht beschikt - aanleiding te bepalen dat de kosten van de deskundige ten laste van het Rijk zullen komen. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking de omstandigheid in de onderhavige zaak dat de raad heeft verklaard per abuis niet in hoger beroep te zijn gegaan tegen de afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen, terwijl de raad nader onderzoek naar de oorzaak van het contactverlies tussen de vader en de kinderen noodzakelijk acht en het de bedoeling van de raad was dat de GI zich hierop zou gaan richten. Nu hiervan geen sprake zal zijn en de raad heeft aangegeven zelf niet over de expertise te beschikken een dergelijk onderzoek te verrichten, is het hof met de raad van oordeel dat het voorgenomen deskundigenonderzoek in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Op grond van deze uitzonderlijke omstandigheden zal het hof bepalen dat dat de kosten van de deskundige, door haar begroot op € 7.000,-, ten laste van het Rijk zullen komen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de totale kosten van het onderzoek dit bedrag niet te boven zullen gaan. Het aan de deskundige toekomende bedrag wordt bij de te geven eindbeschikking overeenkomstig de daarvoor en krachtens de wet gestelde regelingen in dit geval ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaald.
5.24
Het hof zal in afwachting van de resultaten van het onderzoek iedere verdere beslissing aanhouden.
5.25
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 2] ;
alvorens verder te beslissen:
gelast een deskundigenonderzoek ter beantwoording van de hiervoor in rechtsoverweging 5.13 geformuleerde vragen;
benoemt tot deskundige: mevrouw H.S. Koppejan-Luitze MSc, psycholoog,
kantoorhoudende op het adres Galjoen 37 te (1483 TM) De Rijp;
benoemt mr. P.F.E. Geerlings tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich kan wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft:
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking en een kopie van het procesdossier aan de deskundige zal zenden;
bepaalt dat partijen alle door de deskundige gewenste medewerking dienen te verlenen en alle door de deskundige gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken, alsmede de reactie daarop van de deskundige; mocht bespreking niet mogelijk zijn geweest, dan vermeldt het bericht de reden daarvan;
bepaalt dat de deskundige uiterlijk op 15 december 2026 door middel van een schriftelijk ondertekend bericht het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Na binnenkomst van het rapport zal het hof een afschrift aan partijen en de raad toezenden;
bepaalt dat partijen vervolgens vier weken de gelegenheid hebben op de resultaten van het onderzoek te reageren;
bepaalt dat de kosten van het deskundigenonderzoek begroot op € 7.000,- ten laste zullen komen van 's Rijks kas, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 5.23 bepaalde;
houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 31 januari 2027;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. A.N. van de Beek en mr. M. Overmars, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.