Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1111

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.360.723/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1.1 JeugdwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis

De zaak betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van een 14-jarige minderjarige, die sinds juni 2021 uit huis is geplaatst vanwege een gespannen thuissituatie met conflicten tussen de ouders. De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 juni 2026. De vader is tegen deze verlenging in hoger beroep gegaan en verzocht om vernietiging of verkorting van de machtiging.

Het hof heeft de procedure behandeld waarbij ook de moeder, de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming betrokken waren. Uit diverse rapporten, waaronder het NIKA-traject en het NIFP-rapport, blijkt dat de minderjarige zich sinds de uithuisplaatsing positief heeft ontwikkeld, rust ervaart en minder gedragsproblemen vertoont. De minderjarige heeft behoefte aan een stabiele en veilige opvoedomgeving buiten het conflict tussen haar ouders.

Het hof oordeelt dat de machtiging terecht is verleend en noodzakelijk blijft voor het welzijn en de ontwikkeling van de minderjarige. Hoewel de vader positieve stappen heeft gezet, is hij nog onvoldoende in staat om de emotionele behoeften van de minderjarige te waarborgen. Het hof onderschrijft het perspectiefbesluit dat de minderjarige in het gezinshuis moet opgroeien en wijst het beroep van de vader af. Tevens acht het hof het van belang dat de minderjarige een goede band met beide ouders behoudt en dat wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt bekrachtigd en het beroep van de vader wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.723/01
zaaknummer rechtbank: C/15/368578 / JU RK 25-1134
beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag,
en
Jeugdbescherming Regio [plaats B] ,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ,
- [de moeder] , hierna: de moeder, wonende te [plaats B] ,
advocaat: mr. M.H. Schmidt.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (14 jaar). De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de kinderrechter) heeft bij beschikking van 28 augustus 2025, welke is hersteld bij beschikking van 2 oktober 2025, (hierna: de bestreden beschikking) de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] uitgesproken tot 7 juni 2026.
1.2
De vader is het daarmee niet eens en wil dat het verzoek van de GI alsnog wordt afgewezen, dan wel dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur wordt verleend. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.
1.3
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de beslissing op de juiste gronden heeft genomen en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 27 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 23 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 19 februari 2026, met bijlagen;
- meerdere berichten van de vader van 25 februari 2026, met bijlagen;
- een bericht van de moeder van 25 februari 2026, met bijlagen;
- een bericht van de moeder van 26 februari 2026, met een bijlage.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting, in bijzijn van de griffier, met [minderjarige] gesproken. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De partijen hebben daarop kunnen reageren.
2.5
De zitting heeft op 4 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2012 te [plaats B] .
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] staat sinds 7 juni 2021 onder toezicht van de GI. Deze maatregel is daarna telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 april 2025 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, tot 7 juni 2026.
3.3
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft op 8 juni 2021 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 8 juni 2021 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging is vervolgens bekrachtigd en daarna meermalen verlengd, voor het laatst bij beschikking van 17 april 2025 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, tot 7 juni 2026.
3.4
Bij beschikking van 15 augustus 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend voor de plaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie, met ingang van 15 augustus 2025 tot 12 september 2025.
3.5
[minderjarige] verblijft op basis van de (spoed)machtiging sinds augustus 2025 in een gezinshuis.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinshuis, met ingang van 28 augustus 2025 voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 7 juni 2026.
4.2
De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de GI (alsnog) af te wijzen, dan wel toe te wijzen voor een kortere duur.
4.3
De GI verzoekt het door de vader ingestelde beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De standpunten
5.2
De vader vindt dat de kinderrechter ten onrechte heeft bepaald dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. De vader begrijpt dat [minderjarige] niet direct bij hem kan worden teruggeplaatst, maar met de juiste hulpverlening moet de vader in staat worden geacht om in de nabije toekomst weer voor [minderjarige] te zorgen. De vader heeft grote stappen gezet en hij heeft een positieve ontwikkeling laten zien. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing van [minderjarige] , waardoor haar perspectief nu nog niet kan worden bepaald. Het eerder genomen perspectiefbesluit was te voorbarig en sindsdien heeft de GI zich onvoldoende ingezet om de omgang tussen de vader en [minderjarige] uit te breiden. Omdat de kinderrechter onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een lichtere maatregel dan een uithuisplaatsing niet toereikend genoeg zou zijn, is de uithuisplaatsing in strijd met het bepaalde in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), aldus de vader.
5.3
De GI is van mening dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij in een pleeggezin of in een gezinshuis opgroeit. [minderjarige] is een meisje met een belaste voorgeschiedenis, maar sinds 2023 heeft zij zich ontwikkeld tot een vrolijk en sociaal meisje dat aan het puberen is, meer eigenheid heeft ontwikkeld en voor zichzelf opkomt. Het is om die reden duidelijk voor de GI dat een uithuisplaatsing in het belang van de opvoeding en de verzorging van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk is voor haar verdere ontwikkeling. De GI betwist dat het perspectiefbesluit overhaast is genomen. Zowel het verslag van de interventie via NIKA als het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) onderbouwen helder waarom het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de ouders ligt. De GI vindt het belangrijk dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met haar beide ouders. Er is daarom met de vader afgesproken dat er gekeken zal worden welke ondersteuning nodig is voor de vader en [minderjarige] om toe te werken naar onbegeleide omgang.
5.4
De moeder staat achter het verzoek van de GI en zij acht de uithuisplaatsing van belang om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De moeder ziet een positieve verandering bij [minderjarige] sinds zij uit huis is geplaatst. De moeder benadrukt dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de vader ligt, wat ook blijkt uit het NIFP-rapport.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Een terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader is niet in haar het belang, omdat zij onvoldoende emotionele veiligheid zal ervaren bij de vader. Daarnaast bestaat het risico dat door terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader, het contact tussen [minderjarige] en de moeder negatief wordt beïnvloed. Verder ziet de raad dat de vader positieve stappen heeft gezet tijdens het NIKA-traject. Het is van belang dat de vader zich blijft ontwikkelen zodat toegewerkt kan worden naar onbegeleid contact met [minderjarige] .
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter terecht en op de juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd en overweegt daartoe als volgt.
[minderjarige] is in juni 2021 met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. Zij is opgegroeid in een thuissituatie waarin sprake was van strijd tussen haar ouders. [minderjarige] werd belast met spanningen tussen de ouders en met beschuldigingen die zij over en weer naar elkaar uitten. Als gevolg hiervan is bij [minderjarige] een loyaliteitsconflict ontstaan, waardoor het voor haar niet mogelijk was om met beide ouders onbelast contact te hebben. [minderjarige] zat klem tussen haar ouders en zij heeft zich ontwikkeld tot een onthecht en gesloten meisje. Ten tijde van de spoeduithuisplaatsing liet zij manipulatief gedrag zien, kon zij moeilijk over haar emoties praten en kampte zij met overgewicht.
5.7
Uit het eindverslag van het NIKA-traject en het NIFP-rapport blijkt dat [minderjarige] sinds haar uithuisplaatsing een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Door de daadwerkelijke afstand tot het conflict tussen haar ouders ervaart zij rust, waardoor haar gedragsproblemen zijn verminderd. Daarnaast is ook haar overgewicht afgenomen. Uit deze verslagen volgt verder dat [minderjarige] behoefte heeft aan een opvoeder die haar emoties kan herkennen en erkennen en haar stimuleert om hiermee op een gezonde manier om te gaan. [minderjarige] stopt haar emoties vaak weg en kan deze, mede gelet op haar leeftijd, steeds beter maskeren. Dit vraagt van een opvoeder het vermogen te letten op de subtiele signalen die [minderjarige] geeft en om haar aan te moedigen haar emoties te herkennen en te uiten, wat essentieel is voor haar emotionele ontwikkeling. [minderjarige] heeft, meer dan andere kinderen, behoefte aan aandacht, houvast, structuur, begrenzing en controle binnen een stabiele, rustige en voorspelbare opvoedomgeving. Deze omgeving is temeer van groot belang gezien de langdurige onrust en instabiliteit die zij in het verleden heeft ervaren. Voor [minderjarige] is het dan ook belangrijk dat zij opgroeit op een neutrale en perspectiefbiedende plek, zodat zij buiten het conflict van haar ouders kan blijven. Daarbij dienen de ouders op een neutrale manier over elkaar naar [minderjarige] te communiceren. Alleen onder die omstandigheden kan [minderjarige] de ruimte krijgen om met beide ouders een vertrouwensband op te bouwen.
5.8
Ook het hof ziet dat de vader positieve stappen heeft gezet en veel inzet en betrokkenheid toont om op juiste wijze bij [minderjarige] aan te sluiten. Het hof is echter van oordeel dat hij niet voldoende inzicht heeft in de schadelijke gevolgen die de strijd tussen de ouders voor [minderjarige] heeft gehad. De vader lijkt onvoldoende in te zien wat [minderjarige] in het belang van haar ontwikkeling hiervoor nodig heeft en hij heeft daarbij begeleiding en vervolghulp nodig. Dit staat op gespannen voet met de verzwaarde ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige] . Het is dan ook van belang dat de vader zich blijft ontwikkelen om goed aan te kunnen sluiten bij [minderjarige] ter bevordering van haar verdere emotionele ontwikkeling.
5.9
Gelet op het voorgaande onderschrijft het hof het door de GI genomen perspectiefbesluit, in die zin dat het opgroeiperspectief van [minderjarige] niet bij de vader ligt maar in het gezinshuis. De omstandigheid dat het perspectiefbesluit uitging van de situatie dat [minderjarige] in het pleeggezin zou opgroeien en niet in een gezinshuis, maakt niet dat het perpectiefbesluit niet meer geldend is. Het gaat erom dat het perspectief niet bij de vader ligt. Het is spijtig dat het perspectiefbiedende pleeggezin waar [minderjarige] twee jaar verbleef, is weggevallen. Dit neemt echter niet weg dat de uithuisplaatsing nog steeds in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De aanvaardbare termijn waarin [minderjarige] in onzekerheid kan verkeren over waar zij zal opgroeien, is al geruime tijd verstreken. [minderjarige] is gebaat bij rust waarbij zij de ruimte krijgt om te verwerken wat zij de afgelopen jaren heeft meegemaakt. Met de raad heeft ook het hof de verwachting dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige] kan helpen om meer gewend te raken en zich thuis te voelen in het gezinshuis en beter te presteren op school. Ter zitting heeft de GI aangegeven dat [minderjarige] in het gezinshuis kan blijven totdat zij eenentwintig wordt.
5.1
Hoewel [minderjarige] niet bij haar ouders opgroeit, acht het hof het van groot belang dat zij een goede band behoudt met haar beide ouders. Het is daarom in haar belang dat wordt toegewerkt naar een uitbreiding van de omgang met hen en uiteindelijk naar onbegeleide omgang. Het hof verwacht dat de GI zich hiervoor zal blijven inspannen.
5.11
Voor zover de vader zich beroept op artikel 8 EVRM Pro overweegt het hof als volgt. Uit het voorgaande volgt dat gebleken is van feiten en omstandigheden die een inbreuk op het familie- en gezinsleven van de vader en [minderjarige] , dat wordt beschermd door artikel 8 EVRM Pro, rechtvaardigen. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk ter bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] en een minder ingrijpende maatregel is onvoldoende toereikend.
5.12
Het hof komt tot de conclusie dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht door de kinderrechter is verleend en deze ook nu nog noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de maatregel in duur te bekorten, zoals door de vader is verzocht. Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de bestreden beschikking.
5.13
Hetgeen overigens door de vader nog is aangevoerd stuit af op het vooroverwogene.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.T. Hoogland en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.