Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1110

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.361.069/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:277 BWArt. 1:253e BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag en hoofdverblijfplaats over minderjarige kinderen

De moeder verzocht het Gerechtshof Amsterdam om haar te herstellen in het gezag over haar twee minderjarige kinderen en om hun hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen. De rechtbank had deze verzoeken reeds afgewezen. De moeder stelt dat zij duurzaam de verantwoordelijkheid kan dragen en dat de kinderen meer rust en stabiliteit bij haar kunnen vinden. De vader en pleegmoeder zijn het niet eens met het verzoek en benadrukken de veilige en stabiele situatie bij de pleegmoeder, waar de kinderen al ruim acht jaar verblijven.

Het hof bevestigt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en past het Nederlandse recht toe. Uit het dossier blijkt dat de kinderen sinds 2018 bij de pleegmoeder wonen en dat het gezag sinds 2021 eenhoofdig bij de vader ligt. Diverse voogdij- en toezichtmaatregelen zijn genomen, en Veilig Thuis concludeerde dat de kinderen op een veilige plek zijn. De moeder heeft geen structureel contact met de kinderen en er is geen relevante wijziging in omstandigheden die herstel van haar gezag rechtvaardigt.

Het hof overweegt dat het belang van de kinderen centraal staat en dat de huidige situatie met de pleegmoeder en vader het beste bijdraagt aan hun welzijn en ontwikkeling. Het verzoek tot herstel van het gezag en tot wijziging van de hoofdverblijfplaats wordt daarom afgewezen. Ook het subsidiaire verzoek tot nader deskundigenonderzoek wordt afgewezen omdat het hof zich voldoende voorgelicht acht. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder tot herstel van het gezag en wijziging van de hoofdverblijfplaats af en bekrachtigt de bestreden beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.069/01
zaaknummer rechtbank: C/13/768771 / FA RK 25-3333
beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , België,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C. Guzel te Heerhugowaard,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. C.J. Gebuijs te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ;
- [pleegmoeder] , hierna: de pleegmoeder.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verzoeken van de moeder om haar in het gezag over [minderjarige 1] (14 jaar) en [minderjarige 2] (12 jaar) (hierna gezamenlijk ook: de kinderen) te herstellen en hun hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen. De rechtbank heeft die verzoeken afgewezen. De moeder is het daarmee niet eens en wil samen met de vader het gezag over kinderen uitoefenen. Daarnaast wil zij dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben. De vader en de pleegmoeder zijn het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 31 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
6 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op de zitting verweer gevoerd.
2.3
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
2.4
De zitting heeft op 26 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de pleegmoeder.
De raad was, met bericht van afmelding, niet bij de zitting aanwezig wegens problemen met de personele bezetting.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van (onder anderen):
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [plaats C] (België),
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2014 te [plaats C] (België).
De vader heeft de kinderen erkend. Hij oefent alleen het gezag over hen uit.
3.2
De ouders hebben nog een minderjarige dochter: [minderjarige 3] , geboren [in] 2008 te [plaats B] . Deze zaak heeft geen betrekking op [minderjarige 3] . [minderjarige 3] woont bij de pleegmoeder.
3.3
De ouders hebben verder samen nog twee, meerderjarige, kinderen. Zij wonen bij familie van de vader.
3.4
De moeder heeft nog een minderjarig kind en drie meerderjarige kinderen, van wie er drie bij haar wonen.
3.5
Uit de relatie van de vader en de pleegmoeder zijn twee kinderen geboren. Die wonen bij de pleegmoeder. De pleegmoeder heeft ook twee kinderen uit een eerdere relatie, daarvan woont er één bij haar.
3.6
Bij beschikking van 24 oktober 2018 heeft de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geschorst en is de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de GI) benoemd tot voogd over hen. De hiervoor genoemde beschikking is door dit hof bij beschikking van 17 september 2019 vernietigd voor zover daarbij het gezag van de moeder over de kinderen was geschorst.
3.7
Bij beschikking van 19 september 2019 heeft de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 16 december 2019 zijn de kinderen definitief onder toezicht gesteld. De maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 16 december 2023.
3.8
Bij beschikking van 18 november 2020 heeft de rechtbank het gezag van de vader over de kinderen hersteld, zodat de ouders gezamenlijk met het gezag belast waren.
3.9
Bij beschikking van 7 juli 2021 heeft de rechtbank het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd. Als gevolg daarvan is sindsdien de vader belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
3.1
De kinderen verblijven sinds maart 2018 bij de pleegmoeder.
3.11
Bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 6 augustus 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek van de moeder om een omgangsregeling tussen haar en de kinderen vast te stellen aangehouden.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de verzoeken van de moeder om haar te herstellen in haar gezag over de kinderen en om hun hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank het subsidiaire verzoek van de moeder om te bepalen dat nader onderzoek zal plaatsvinden naar het gezag en de hoofdverblijfplaats afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt primair, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar inleidende verzoeken om te bepalen dat zij in haar gezag over de kinderen zal worden hersteld en dat zij hun hoofdverblijfplaats bij haar zullen hebben alsnog toe te wijzen.
Subsidiair verzoekt de moeder haar verzoek tot het doen uitvoeren van nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige met betrekking tot het herstel van haar gezag en het woonperspectief van de kinderen en de zaak in afwachting daarvan aan te houden, alsnog toe te wijzen.
4.3
De vader verzoekt de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat de vader de Surinaamse nationaliteit heeft, de moeder in België woont en de kinderen daar geboren zijn. De rechtbank is van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitgegaan. Dat heeft zij op juiste gronden gedaan. Ook het hof acht de Nederlandse rechter bevoegd, omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
Het wettelijk kader
5.2
Op grond van artikel 1:277 lid 1 onder Pro a en b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een ouder op zijn verzoek in het gezag worden hersteld wanneer dit in het belang van de minderjarige is en de ouder in staat kan worden geacht om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen.
Uit lid 2 volgt dat indien ter gelegenheid van de beëindiging van het gezag het gezag aan de andere ouder is opgedragen, de rechtbank de ouder wiens gezag was beëindigd en deze alleen het in het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag belast, tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 1:253e BW is van overeenkomstige toepassing.
De standpunten
5.3
De moeder wil dat zij wordt hersteld in haar gezag over de kinderen, zodat zij samen met de vader het gezag uitoefent. De moeder heeft na de gezagsbeëindiging, via een hulpverleningstraject van Levvel, gewerkt aan de problemen die er eerder waren. Zij kan de kinderen nu meer rust en stabiliteit bieden. De moeder kan nu duurzaam de verantwoordelijkheid voor de kinderen dragen, zoals ook is bevestigd door Levvel in de eindevaluatie. Verder is het nodig dat ook de moeder gezag heeft, zodat er altijd gezagsbeslissingen genomen kunnen worden. Nadat op enig moment de relatie tussen de vader en de pleegmoeder was verbroken, was de verblijfplaats van de vader onbekend. Op dat moment konden geen gezagsbeslissingen worden genomen. De pleegmoeder wist zich daar geen raad mee en heeft daarover contact opgenomen met de moeder. Om zulke onwenselijke situaties in het vervolg te voorkomen is het van belang dat de kinderen ook hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben. Bovendien bevinden de kinderen zich niet in een veilige omgeving bij de pleegmoeder vanwege de problemen tussen haar en de vader. In ieder geval moet dan ook onderzoek worden gedaan naar de situatie van de kinderen bij de pleegmoeder. Ook zou tenminste nader onderzoek naar de mogelijkheden ter verbetering van de communicatie tussen de ouders moeten plaatsvinden.
5.4
De vader vindt dat de rechtbank terecht het verzoek van de moeder om haar te herstellen in het gezag over de kinderen heeft afgewezen. Een belangrijke reden voor beëindiging van het gezag is geweest dat het perspectief van de kinderen bij de pleegmoeder ligt en niet bij de moeder. Dat is niet veranderd. De kinderen verblijven al acht jaar bij de pleegmoeder in een veilige en stabiele opvoedomgeving en het gaat goed met hen. De kinderen zijn zeer gehecht aan de pleegmoeder en de vader, evenals aan de omgeving waarin zij wonen. Zij hebben zelf ook aangegeven daar te willen blijven. De pleegmoeder draagt een groot deel van de zorg voor de kinderen en de vader is daarbij ook zoveel mogelijk betrokken. De vader is nooit spoorloos geweest. De zorg voor de kinderen is altijd in goede harmonie en samenwerking met de pleegmoeder gegaan. Ook uit onderzoek van Veilig Thuis blijkt dat de kinderen op een veilige plek verblijven. Daarbij belast de moeder de kinderen nog altijd met haar wens dat zij bij haar komen wonen. Ook is er al jaren geen ‘family life’ tussen de moeder en de kinderen, waardoor herstel van moeders gezag niet aan de orde is. Verder heeft Veilig Thuis reeds geconcludeerd dat nader onderzoek niet nodig is; nader onderzoek zal ook geen nieuwe informatie geven.
5.5
De pleegmoeder heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Het gaat goed met de kinderen bij haar. De kinderen wonen al jaren bij haar en zij draagt graag de zorg voor hen. Ook biedt zij hen rust, stabiliteit, veiligheid en liefde. De zorgen die de moeder noemt zijn niet aan de orde. De vader is inderdaad op enig moment vertrokken uit de woning van de pleegmoeder, toen er een lastige periode tussen hen was en zij uit elkaar zijn gegaan, maar er was wel contact, en zijn verblijfplaats is altijd bekend geweest. Ook is nu weer rust ontstaan in de relatie tussen de vader en de pleegmoeder. Op dit moment is de vader weer op dagelijkse basis bij de pleegmoeder en zij dragen samen de zorg voor de kinderen. Bovendien droeg de moeder eerder zelf geen verantwoordelijkheid voor de omgang met de kinderen, waardoor de pleegmoeder dat heeft gefaciliteerd. Verder vindt de pleegmoeder het belangrijk dat de kinderen de moeder kunnen zien en ondersteunt zij dat. Wel moet de moeder daarbij rekening houden met de pleegmoeder. Onlangs heeft de moeder een contactmoment met de kinderen gehad in de buurt van waar de pleegmoeder woont, terwijl de pleegmoeder heeft aangegeven dat zij dat niet wil.
De beoordeling door het hof
5.6
Het verzoek van de moeder heeft tot doel om (weer) gezamenlijk met de vader belast te zijn met het ouderlijk gezag. Het betreft een eenzijdig verzoek van de moeder en de vader stemt daarmee niet in. Het hof zal het verzoek beoordelen aan de hand van het criterium in art. 1:277, lid 2 BW.
5.7
Uit de stukken en op de zitting is het volgende gebleken. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Op enig moment, in 2010, is de moeder naar België verhuisd, waar de kinderen zijn geboren. Vanaf mei 2017 tot maart 2018 hebben de kinderen in België onder toezicht gestaan, omdat er ernstige en langdurige zorgen waren over de ontwikkeling van de kinderen, hun opvoedingssituatie en over het opvoedershandelen en de capaciteiten van de moeder. Vervolgens zijn de kinderen in maart 2018 toevertrouwd aan het netwerk van de vader en zijn zij naar Nederland verhuisd. De kinderen zijn toen bij de pleegmoeder gaan wonen, met wie de vader een relatie had. De vader was op dat moment niet in beeld. Vervolgens is sinds oktober 2018 gedurende een periode een aantal wisselingen geweest in de gezagssituatie. Eerst was de GI belast met de voorlopige voogdij, daarna was de vader in zijn gezag geschorst en was de moeder alleen met het gezag belast, waarna de ouders weer samen met het gezag waren belast. Vervolgens is in juli 2021 het gezag van de moeder beëindigd, waardoor de vader nu het eenhoofdig gezag uitoefent. De kinderen hebben vanaf september 2019 tot december 2023 onder toezicht van GI gestaan. In november 2024 heeft de moeder een melding gedaan bij Veilig Thuis, omdat zij zich zorgen maakte over de opvoedsituatie van de kinderen bij de pleegmoeder en de vader. Veilig Thuis heeft naar aanleiding daarvan onderzoek gedaan en in april 2025 geconcludeerd dat de kinderen op een vertrouwde en veilige plek verblijven.
De afgelopen jaren zijn er verschillende momenten geweest dat de moeder en de kinderen elkaar hebben gezien, maar is er geen structurele omgangsregeling tot stand gekomen. De rechtbank heeft de beslissing over de omgang aangehouden. Ten tijde van de zitting in hoger beroep had de raad het Sociaal Team van de gemeente ingeschakeld voor de omgang. Het Sociaal Team heeft de ouders verwezen naar De Blauwe Beer en de ouders zitten in het aanmeldproces om daar een traject te starten.
5.8
Het hof overweegt dat de kinderen al ruim acht jaar, en dat is het grootste gedeelte van hun leven, bij de pleegmoeder wonen. Het hof ziet geen aanwijzingen dat het niet goed zou gaan met de kinderen bij de pleegmoeder, zoals de moeder stelt. Volgens Veilig Thuis zijn er geen zorgen en groeien de kinderen daar veilig op. Het hof overweegt, net als de rechtbank, dat niet is gebleken dat het verloop van de relatie tussen de vader en de pleegmoeder de kinderen heeft geschaad. De vader en de pleegmoeder zijn weliswaar op enig moment een periode uit elkaar geweest, maar het hof ziet niet dat dat een negatieve impact op de opvoedsituatie van de kinderen heeft gehad. Ook is de vader, hoewel hij in die periode iets meer op afstand stond omdat hij niet bij de pleegmoeder woonde, wel betrokken geweest bij de kinderen. Veilig Thuis heeft gerapporteerd dat de vader beschikbaar was indien nodig. Het hof overweegt dat het voor de kinderen van belang is dat de huidige situatie, waarin zij in een stabiele en veilige omgeving opgroeien bij de pleegmoeder en waarbij ook de vader betrokken is bij de zorg, wordt voorgezet. Hun belang dient het uitgangspunt te zijn, en daarbij staat hun recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid centraal. Daarbij past niet herstel van de moeder in het gezag. Daarbij komt dat er op dit moment nagenoeg geen contact is tussen de moeder en de kinderen – van structureel contact is in elk geval geen sprake – en dat onvoldoende duidelijk is geworden welke relevante ontwikkeling de moeder heeft doorgemaakt sinds het beëindigen van haar gezag die thans tot een herbeoordeling van de gezagssituatie zou moeten leiden.
Het hof begrijpt dat de moeder de kinderen mist. Thans wordt gefocust op de omgang tussen haar en de kinderen, en de huidige situatie biedt daarvoor de ruimte. Zodoende kan de rol van de moeder in het leven van de kinderen, via het traject bij De Blauwe Beer, verder worden vormgegeven.
Het voorgaande leidt ertoe dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de beëindiging van het gezag van de moeder die maakt dat zij in haar gezag moet worden hersteld. Daarbij is een (voortgezette) inbreuk op het door artikel 8 EVRM Pro beschermde recht op
family lifevan de moeder met de kinderen gerechtvaardigd met het oog op de belangen van de kinderen. Die inbreuk is bij wet voorzien en voorts noodzakelijk en proportioneel. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot herstel van het gezag is afgewezen.
5.9
Op grond van het voorgaande komt het hof niet toe aan de beoordeling van het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Daarvoor biedt de wet geen grondslag. Het hof zal dat verzoek dan ook afwijzen.
5.1
Ook het subsidiaire verzoek van de moeder om een deskundige onderzoek te laten doen naar de gezagskwestie en het woonperspectief van de kinderen zal het hof afwijzen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht, zodat geen aanleiding bestaat tot het gelasten van een onderzoek. Daarbij acht het hof, zoals onder 5.8 is overwogen, voortzetting van de huidige situatie in het belang van de kinderen.
5.11
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en
mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van de griffier en is op
21 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.