AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verjaring en bewijsopdracht bij vernietiging effectenleaseovereenkomst
In deze civiele zaak staat centraal of het vernietigingsrecht van de echtgenote op grond van het ontbreken van schriftelijke toestemming voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten is verjaard. De echtgenote had de vernietiging ingeroepen op basis van artikel 1:89 BWPro in samenhang met artikel 1:88 BWPro. De kantonrechter had de vernietiging van vijf effectenleaseovereenkomsten toegewezen, maar Dexia betwistte de verjaring van het vernietigingsrecht met betrekking tot effectenleaseovereenkomst 1.
Het hof bevestigt dat effectenleaseovereenkomst 1 moet worden aangemerkt als koop op afbetaling en dat de echtgenote het recht heeft tot vernietiging wegens het ontbreken van toestemming. De verjaringstermijn van drie jaar vangt aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend is met de overeenkomst. Dexia stelt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend was met effectenleaseovereenkomst 1, waardoor de verjaringstermijn tijdig zou zijn gestuit.
Het hof acht de stellingen van Dexia voldoende gemotiveerd en staat toe dat Dexia bewijs levert, onder meer door getuigenverhoor, om aan te tonen dat de echtgenote vóór genoemde datum bekend was met de overeenkomst. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 21 april 2026.
Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over de bekendheid van de echtgenote met de effectenleaseovereenkomst 1 vóór 13 maart 2000 en houdt verdere beslissing aan.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.346.205/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9366084 EL 21-176
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1],
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam
en
[geïntimeerde 2],
wonend te [plaats] ,
gevoegde en tussenkomende partij,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia, de echtgenote en de afnemer genoemd.
1.Het geding in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 1 juli 2025 in het incident tot voeging en tussenkomst een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dit tussenarrest verwezen.
Afnemer heeft daarna een memorie na voeging en tussenkomst ingediend. Dexia heeft vervolgens een antwoordmemorie na tussenarrest ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.
2.Feiten
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 16 december 2021 onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.
2.1.
De afnemer heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
12-9-1997
Feestplan
120 mnd
11-9-2007
-/- € 846,65
2.
[nummer 2]
31-10-2000
WinstVer10Dubbelaar
120 mnd
14-3-2006
-/- € 958,84
3.
[nummer 3]
2-11-2000
Feestplan
120 mnd
14-3-2006
-/- € 20.415,14
4.
[nummer 4]
13-4-2001
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
13-4-2004
-/- € 8.170,19
5.
[nummer 5]
13-4-2001
WinstVerDriedubbelaar
36 mnd
13-4-2004
-/- € 12.137,58
6.
[nummer 6]
1-2-2002
Legio ExtraBonus
72 mnd
3-1-2008
-/- € 208,05
2.2.
De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
2.3.
Bij brieven van 28 november 2003 en 15 september 2004 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrieven) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BWPro in samenhang met artikel 1:88 BWPro meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen.
3.Beoordeling
3.1.
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 vanPro de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
3.2.
Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging.
3.3.
De echtgenote heeft in eerste aanleg haar vordering met betrekking tot effectenleaseovereenkomst 6 ingetrokken. De kantonrechter heeft voor zover hier van belang voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten 1 tot en met 5 zijn vernietigd, Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake deze effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is en Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen.
3.4.
Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard. Het hof neemt tot uitgangspunt dat die grieven uitsluitend betrekking hebben op effectenleaseovereenkomst 1. Dexia heeft namelijk geen kenbare grief gericht – en de echtgenote heeft dat ook niet anders opgevat – tegen het oordeel van de kantonrechter in het vonnis dat effectenleaseovereenkomsten 2 tot en met 5 ingevolge het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) met de vernietigingsbrief tijdig zijn vernietigd, nu deze overeenkomsten zijn afgesloten binnen drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering.
3.5.
Het hof overweegt als volgt. Effectenleaseovereenkomst 1 moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhefPro en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BWPro het recht de effectenleaseovereenkomst, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven.
3.6.
Uit artikel 3:52 lidPro 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BWPro volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BWPro vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BWPro kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.
3.7.
De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid.
3.8.
Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer Stichting Eegalease. Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018).
3.9.
Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 kennis heeft genomen van effectenleaseovereenkomst 1 en daartoe onder meer het volgende aangevoerd:
de afnemer heeft reeds in 1996 twee effectenleaseovereenkomsten afgesloten, waar hij de echtgenote over heeft verteld. Er was dan ook geen reden voor de afnemer om het afsluiten van effectenleaseovereenkomst 1 voor de echtgenote geheim te houden;
naar algemene ervaringsregels bespreken echtgenoten het sluiten van effectenleaseovereenkomsten als de onderhavige met elkaar. Dat geldt in deze zaak te meer vanwege de totale leasesom van relatief grote omvang (NLG 20.425,85);
de afnemer en de echtgenote zijn in 1999 verhuisd. Bij een verhuizing dienen adreswijzigingen verzonden te worden waarvoor een inventarisatie van de administratie dient plaats te vinden. Bovendien worden doorgaans de financiën van het gezin doorgenomen. De effectenleaseovereenkomst zal dan ook rond de verhuizing in 1999 ter sprake te zijn gekomen;
op effectenleaseovereenkomst 1 is een bedrag van € 1.659,24 aan incasso’s betaald. Een dergelijke uitgave kan niet zijn gedaan zonder dat dit is besproken;
afnemer heeft vanaf september 1997 met betrekking tot effectenleaseovereenkomst 1 op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangsters ontvangen op het huisadres van de afnemer en de echtgenote. Het is onaannemelijk dat deze poststukken de echtgenote onopgemerkt zijn gebleven;
Dexia gaat er vanuit dat de afnemer en de echtgenote gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat de echtgenote deze heeft gelezen voordat zij deze ondertekende. Zodoende heeft zij kunnen zien dat de afnemer de betaalde rente heeft afgetrokken.
De echtgenote heeft het bovenstaande betwist. Naar het oordeel van het hof heeft Dexia hiermee voldoende gemotiveerd gesteld dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met het bestaan van effectenleaseovereenkomst 1. Het hof zal Dexia overeenkomstig haar aanbod toelaten bewijs te leveren van de feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met het bestaan van effectenleaseovereenkomst 1, zoals hierna onder 4.1 is vermeld.
3.10.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4.Beslissing
Het hof:
4.1.
laat Dexia toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van effectenleaseovereenkomst 1 bekend is geworden;
4.2.
bepaalt dat als Dexia dit bewijs wenst te leveren door het laten horen van getuigen, een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van mr. L. Alwin die hierbij tot raadsheer-commissaris wordt benoemd. Dit verhoor zal plaatshebben in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam op 4 mei 2026 om 11.00 uur;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, R.M. de Winter en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.