3.2.In 1853 is in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. In 1855 is ingevoerd het Algemeen Reglement voor de Besturen der Parochiale en andere Katholijke Instellingen van Liefdadigheid in het Bisdom van [plaats 2] (hierna: het AR 1855). Daarin is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
EERSTE HOOFDSTUK. ALGEMEENE BEPALINGEN.
Art. 1.
Het katholijke armwezen en de daaruit voortgevloeide of daarmede verband houdende instellingen van liefdadigheid, staan in de geheele uitgestrektheid van het Bisdom, onder het kerkelijk gezag en oppertoezigt van den Bisschop.
De bestuurders dezer instellingen zijn aan hem verantwoordelijk wegens hun beheer.
Zij nemen de bepalingen in acht, welke bij dit reglement zijn voorgeschreven.
Art. 2.
De katholijke armenverzorging geschiedt, ter eere Gods, uit liefde tot den naaste, door het beoefenen van geestelijke en ligchamelijke werken van barmhartigheid.
Art. 3.
De verschillende katholijke inrigtingen van armenverzorging worden, in betrekking tot de toepassing van dit reglement, onderscheiden in
twee klassen, namelijk:
1º.
Parochialeen
2º.
Niet parochiale.
Parochiale inrigtingenzijn die, welke voor de behoeften van het parochiaal armwezen in het algemeen, als zoodanig door den Bisschop ingestelde of bevestigd worden, om, voor rekening der parochie of uit daartoe aan haar verstrekte middelen, te voorzien in den nood der in de parochie aanwezige armen en hulpbehoevenden.
Zij worden beheerd door het
parochiaal Armbestuur.
Alle overige inrigtingen van armenverzorging maken de klasse der
niet parochialeuit, en worden in dit reglement genoemd
bijzondere instellingen of inrigtingen van liefdadigheid. Hare inrigting en haar bestuur regelen zich naar hare eigen stichtingsbrieven, statuten of reglementen, behoudens de vereischte kerkelijke goedkeuring en het toezigt van den Bisschop.
(…)
DERDE HOOFDSTUK. VAN DE NIET PAROCHIALE INRIGTINGEN VAN LIEFDADIGHEID.
Art. 49.
Elke niet parochiale, in het Bisdom gevestigde katholijke instelling van liefdadigheid moet beheerd worden naar beschreven regels, waarbij haar werkkring en de zamenstelling, de bevoegdheid en de verpligtingen van het bestuur, mitsgaders het toezigt op het beheer worden bepaald.
(…)
Zij ontwerpt tot dat einde een reglement en vraagt daarop de goedkeuring van den Bisschop.
(…)
Art. 52.
Vóór dat eene vereeniging van personen zich, op eene duurzame wijze, als katholijke instelling van liefdadigheid in eene parochie van het Bisdom vestigt, vraagt zij daartoe de toestemming van den Bisschop en zijne goedkeuring op haar reglement.
(…)
Art. 54.
De regels van beheer en armenverzorging bij dit reglement aan de parochiale Armbesturen voorgeschreven, strekken aan de bestuurders der katholijke instellingen van liefdadigheid tot rigtsnoer, voor zooverre de aard dezer instellingen toelaat, of daaromtrent bij de stichtingsbrieven, statuten of reglementen niet anders is bepaald.
Art. 55.
Voor zooverre daaromtrent niet anders bij de stichtingsbrieven, statuten of reglementen is bepaald, zijn de bestuurders der katholijke instellingen van liefdadigheid alleen geregtigd tot het aangaan van die burgerlijke handelingen, welke vallen binnen de grenzen
gewoon beheer.
Als er burgerlijke handelingen verrigt, of beschikkingen genomen moeten worden, welke de palen van
gewoon beheerte buiten gaan, en de bevoegdheid daartoe niet uitdrukkelijk aan de bestuurders is opgedragen, vereischen zij de magtiging of goedkeuring van den Bisschop.
Art. 56.
De bestuurders der katholijke instellingen van liefdadigheid zijn gehouden jaarlijks verantwoording van hun beheer af te leggen aan den Bisschop of aan zijn gemagtigde.
(…)
Indien de tijd, waarop de rekening moet worden afgelegd niet is bepaald, geschiedt zulks
binnen zes maandenna den afloop van het dienstjaar.”