Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1043

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.353.985/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:2 BWArt. 2:8 BWArt. 2:285 BWArt. 2:294 BWCanon 100 CIC 1917
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat stichting een zelfstandig onderdeel is van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap

De stichting, opgericht eind 19e eeuw voor het beheer van een rooms-katholieke begraafplaats, wenste haar statuten te wijzigen zonder goedkeuring van het bisdom. Het bisdom stelde dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap en dat de statutenwijziging bisschoppelijke goedkeuring vereist. De rechtbank verklaarde de stichting niet-ontvankelijk en stelde het bisdom in het gelijk.

In hoger beroep bevestigde het hof dat de stichting sinds haar oprichting onder het kerkelijk gezag van de bisschop staat, zoals blijkt uit het Algemeen Reglement 1855 en latere canonieke regelgeving. De stichting is een publieke kerkelijke rechtspersoon en een zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap, waardoor de bepalingen voor burgerlijke stichtingen niet van toepassing zijn.

Het hof oordeelde dat het bestuur onvoldoende gewicht had toegekend aan de canonieke en statutaire bepalingen die de stichting onder het gezag van het bisdom plaatsen. Het verzoek tot statutenwijziging zonder bisschoppelijke goedkeuring werd afgewezen en het tegenverzoek van het bisdom tot vaststelling van de rechtsverhouding werd toegewezen. De stichting werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De stichting is een zelfstandig onderdeel van het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap en de statutenwijziging zonder bisschoppelijke goedkeuring wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.353.985/01
zaaknummer rechtbank : C/15/348961 HA RK 24-16
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026
inzake
(het bestuur van) de stichting [appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J. van der Steenhoven te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.M. Blanco Fernández te Amsterdam.
Partijen worden hierna enerzijds het bestuur of de stichting genoemd en anderzijds het bisdom.

1.De zaak in het kort

Het bestuur van de stichting wenst de statuten te wijzigen. Het bisdom, dat volgens de geldende statuten die wijziging moet goedkeuren, verzet zich daartegen. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de stichting een burgerlijke stichting is als bedoeld in artikel 2:285 BW Pro of een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap , waarop de bepalingen van titel 6 van Boek 2 BW niet van toepassing zijn. De rechtbank heeft op verzoek van het bisdom voor recht verklaard dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het kerkgenootschap .

2.Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 28 april 2025, is het bestuur in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Noord-Holland op 31 januari 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven.
Op 4 augustus 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, met producties, van het bisdom ingekomen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 laten toelichten, het bestuur door mr. J. van der Steenhoven voornoemd, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen, en het bisdom door mr. J.M. Blanco Fernández voornoemd.
Uitspraak is (nader) bepaald op heden.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
De stichting heeft in [plaats 1] sinds het einde van de 19e eeuw een begraafplaats in eigendom en in beheer. Het doel van de stichting volgens de huidige statuten is – kort gezegd – ervoor zorg te dragen dat rooms-katholieke ingezetenen, behorende tot één van de [plaats 1] parochies, in gewijde aarde en volgens de voorschriften van de Rooms-Katholieke Kerk kunnen worden begraven.
3.2.
In 1853 is in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. In 1855 is ingevoerd het Algemeen Reglement voor de Besturen der Parochiale en andere Katholijke Instellingen van Liefdadigheid in het Bisdom van [plaats 2] (hierna: het AR 1855). Daarin is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
EERSTE HOOFDSTUK. ALGEMEENE BEPALINGEN.
Art. 1.
Het katholijke armwezen en de daaruit voortgevloeide of daarmede verband houdende instellingen van liefdadigheid, staan in de geheele uitgestrektheid van het Bisdom, onder het kerkelijk gezag en oppertoezigt van den Bisschop.
De bestuurders dezer instellingen zijn aan hem verantwoordelijk wegens hun beheer.
Zij nemen de bepalingen in acht, welke bij dit reglement zijn voorgeschreven.
Art. 2.
De katholijke armenverzorging geschiedt, ter eere Gods, uit liefde tot den naaste, door het beoefenen van geestelijke en ligchamelijke werken van barmhartigheid.
Art. 3.
De verschillende katholijke inrigtingen van armenverzorging worden, in betrekking tot de toepassing van dit reglement, onderscheiden in
twee klassen, namelijk:
1º.
Parochialeen
2º.
Niet parochiale.
Parochiale inrigtingenzijn die, welke voor de behoeften van het parochiaal armwezen in het algemeen, als zoodanig door den Bisschop ingestelde of bevestigd worden, om, voor rekening der parochie of uit daartoe aan haar verstrekte middelen, te voorzien in den nood der in de parochie aanwezige armen en hulpbehoevenden.
Zij worden beheerd door het
parochiaal Armbestuur.
Alle overige inrigtingen van armenverzorging maken de klasse der
niet parochialeuit, en worden in dit reglement genoemd
bijzondere instellingen of inrigtingen van liefdadigheid. Hare inrigting en haar bestuur regelen zich naar hare eigen stichtingsbrieven, statuten of reglementen, behoudens de vereischte kerkelijke goedkeuring en het toezigt van den Bisschop.
(…)
DERDE HOOFDSTUK. VAN DE NIET PAROCHIALE INRIGTINGEN VAN LIEFDADIGHEID.
Art. 49.
Elke niet parochiale, in het Bisdom gevestigde katholijke instelling van liefdadigheid moet beheerd worden naar beschreven regels, waarbij haar werkkring en de zamenstelling, de bevoegdheid en de verpligtingen van het bestuur, mitsgaders het toezigt op het beheer worden bepaald.
(…)
Zij ontwerpt tot dat einde een reglement en vraagt daarop de goedkeuring van den Bisschop.
(…)
Art. 52.
Vóór dat eene vereeniging van personen zich, op eene duurzame wijze, als katholijke instelling van liefdadigheid in eene parochie van het Bisdom vestigt, vraagt zij daartoe de toestemming van den Bisschop en zijne goedkeuring op haar reglement.
(…)
Art. 54.
De regels van beheer en armenverzorging bij dit reglement aan de parochiale Armbesturen voorgeschreven, strekken aan de bestuurders der katholijke instellingen van liefdadigheid tot rigtsnoer, voor zooverre de aard dezer instellingen toelaat, of daaromtrent bij de stichtingsbrieven, statuten of reglementen niet anders is bepaald.
Art. 55.
Voor zooverre daaromtrent niet anders bij de stichtingsbrieven, statuten of reglementen is bepaald, zijn de bestuurders der katholijke instellingen van liefdadigheid alleen geregtigd tot het aangaan van die burgerlijke handelingen, welke vallen binnen de grenzen
gewoon beheer.
Als er burgerlijke handelingen verrigt, of beschikkingen genomen moeten worden, welke de palen van
gewoon beheerte buiten gaan, en de bevoegdheid daartoe niet uitdrukkelijk aan de bestuurders is opgedragen, vereischen zij de magtiging of goedkeuring van den Bisschop.
Art. 56.
De bestuurders der katholijke instellingen van liefdadigheid zijn gehouden jaarlijks verantwoording van hun beheer af te leggen aan den Bisschop of aan zijn gemagtigde.
(…)
Indien de tijd, waarop de rekening moet worden afgelegd niet is bepaald, geschiedt zulks
binnen zes maandenna den afloop van het dienstjaar.”
3.3.
In de Catechismus van de Rooms-Katholieke Kerk is onder meer het volgende bepaald (nr. 2447):
“De werken van barmhartigheid zijn daden van naastenliefde waardoor we de medemens te hulp komen in zijn lichamelijke en geestelijke noden. Onderricht geven, goede raad verstrekken, troost brengen en moed inspreken zijn geestelijke werken van barmhartigheid, evenals vergiffenis schenken en onrecht geduldig verdragen. De lichamelijke werken van barmhartigheid zijn dan: de hongerigen spijzen, de vreemdelingen herbergen, de naakten kleden, de zieken en de gevangenen bezoeken, de doden begraven.”
3.4.
De wet van 10 april 1869, tot vaststelling van Bepalingen betrekkelijk het Begraven van Lijken, de Begraafplaatsen en de Begrafenisregten (hierna: de wet van 1869) bepaalde in artikel 14, voor zover relevant, als volgt:
“Bijzondere begraafplaatsen kunnen worden aangelegd met verlof en onder toezigt van burgemeester en wethouders der gemeente, waarin de daarvoor bestemde grond is gelegen. Verlof tot het aanleggen eener bijzondere begraafplaats ten behoeve der leden van eene kerkelijke gemeente wordt aan het bestuur dier gemeente niet geweigerd, dan wanneer de aangewezen plaats niet aan de voorschriften der wet voldoet. (…)”
3.5.
De stichting is opgericht door de pastoors van de heilige Laurentius parochie en van de heilige Dominicus parochie te [plaats 1] tezamen met zes parochianen (hierna samen te noemen: de oprichters). Voorafgaand aan de oprichting heeft de volgende correspondentie plaatsgevonden.
3.6.
Op 4 mei 1887 hebben de oprichters het volgende geschreven aan de vicaris-generaal (eerste plaatsvervanger van de bisschop) van het toenmalige Bisdom [plaats 2] :
“(…)
De ondergetekenden, pastoors en leken der twee parochiale kerken te [plaats 1] ,
geven met verschuldigde eerbied te kennen:
dat zij zich wenschen te vormen tot eene “Commissie voor aanleg en beheer van
eene RK begraafplaats” aldaar, ten einde te voldoen aan den wensch van tenminste vele
Katholieke ingezetenen;
dat zij reeds een stuk grond van ruim drie en een halve bunder voor de somma van
fl. 10.000,-- conditioneel hebben aangekocht, waarvan na den aanleg van de
begraafplaats, omstreeks drie-vierde gedeelte zal kunnen verhuurd worden;
en dat zij, alvorens bij burgemeester en wethouder verlof aan te vragen tot aanleg
van eene begraafplaats, verlangen en eerbiedig verzoeken door [naam ] als Commissie
voor gemeld doel erkend en tot een en ander geauthoriseerd te worden, onder belofte dat
zij 1o vóór het effectueren der zaak een reglement aan de goedkeuring van [naam ]
onderwerpen zullen, en 2o jaarlijks rekening en verantwoording aan [naam ] zullen
overleggen.
Met verschuldigde hoogachting en eerbied noemen zij zich van [naam ] de
onderdanigste dienaren,
(…)
3.7.
De vicaris-generaal heeft op 5 mei 1887 de verzochte erkenning verleend en het volgende geschreven:
“(…)
Met genoegen hebben wij met uw schrijven van den 4e dezer uw plan vernomen
om u tot eene Commissie te vormen voor aanleg en beheer van een RK Begraafplaats ter
uwe stede, waarmede aan het godsdienstig verlangen der Katholieken van [plaats 1] zal
voldaan worden. Volgaarne geven wij dan ook onze goedkeuring aan dat plan en
erkennen uwe nu reeds bij deze als
Commissie voor aanleg en beheer eener R.K.
Begraafplaats te [plaats 1]en alzoo als een onder bisschoppelijk
oppertoezigtgezag
staande kerkelijke instelling; terwijl wij u tevens in die hoedanigheid magtigen om de
noodige stappen bij Heeren Burgemeester en Wethouders te doen, ten einde de bij Art. 14
der Wet van 10 april 1869 gevorderde vergunning tot de aanleg der Begraafplaats te
erlangen. Overigens geven wij onze goedkeuring aan den reeds bij voorbaat gedane
aankoop van terrein en magtigen wij u verder tot alles wat aanvankelijk voor uw doel
noodig is.
Uw nader vast te stellen Reglement, dat u belooft ons ter goedkeuring te zullen
toezenden, zullen wij binnen kort te gemoet zien.
(…)”
3.8.
Bij besluit van 27 juni 1887 van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 1] is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
Burgemeester en Wethouders van [plaats 1] gezien het verzoek van de heeren (…), bij bisschoppelijk besluit van 5 mei jo aangesteld tot eene commissie voor aanleg eener roomsch katholiek begraafplaats te [plaats 1] , om vergunning tot het aanleggen eener bijzondere begraafplaats voor roomsch katholieken (…);
Overwegende dat tegen het aanleggen dezer bijzondere begraafsplaats geen enkel bezwaar bestaat, zijnde voorschreven stuk land op geruimen afstand van de bebouwde kom dezer gemeente gelegen;
Gelet op artikel 14, 16 en 18 der wet van 10 april 1869 / Staatsblad no 65 / tot vaststelling
van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de
begrafenisrechten;
Besluiten:
I. aan genoemde heeren de gevraagde vergunning te verlenen, onder bepaling dat deze
begraafplaats afgesloten worde met inachtneming van het bij artikel 18 der Pro aangehaalde wet
(…).”
3.9.
Bij oprichting van de stichting op 8 juli 1887 is onder meer het volgende opgenomen in de (handgeschreven) statuten:
“(…)
Artikel 2. Het doel der Stichting is bij voortduring te zorgen dat de Roomsch Katholieke ingezetenen, behoorende tot de parochiën van [plaats 1] , op gewijde aarde en volgens de voorschriften der Roomsch Katholieke Kerk kunnen worden begraven. Daartoe zal uit en met de fondsen of eigendommen der Stichting worden aangelegd een afzonderlijk kerkhof voor Roomsch Katholieken.
De wijze waarop verder het doel der Stichting zal worden bereikt en de voorwaarden waarop eventueel de begraving op [onleesbaar] den, zoomede het aan derden afstaan van het recht van begraven in eene bepaalde grafruimte, zullen door het Bestuur der Stichting bij afzonderlijke reglementen worden bepaald. Deze reglementen zullen niet van kracht zijn, tenzij goedge [onleesbaar] digheid den Bisschop van [plaats 2] of diens wettigen plaatsbekleeder.
Zoo daarin niet door andere Besturen is voorzien, zullen aan arme geloofsgenooten, wanneer de fondsen dit toelaten, vanwege de Stichting kosteloos grafruimte worden afgestaan.
Artikel 3. De Stichters maken het Bestuur der Stichting uit. In het vervolg zal het bestuur uit niet minder dan acht personen bestaan, te weten: de twee Zeer Eerwaarde Heeren Pastoors der thans te [plaats 1] bestaande Roomsch Katholieke Parochiën en zes meerderjarige, hun burgerschapsrechten bezittende Katholieken zoveel mogelijk in gelijken getale uit de beide parochiën te kiezen (…)
Bij vacature in het Bestuur ontstaan het zij door periodieke aftreding, het zij door overlijden, ontslag of vertrek naar elders, geschiedt de keuze van nieuwe of herkiezing der aftredende leden door het Bestuur bij volstrekte meerderheid van stemmen. Staken de stemmen een en andermaal dan zal het lot beslissen. Geen benoeming is echter van kracht, tenzij daarop de goedkeuring van Zijn Doorluchtige Hoogwaardigheid den Bisschop van [plaats 2] of diens wettigen plaatsbekleeder is verkregen.
Het bestuur vertegenwoordigt de Stichting, sluit alle overeenkomsten en verbindt de Stichting aan derden en derden aan haar. Het beschikt over de goederen en inkomsten der Stichting en heeft het recht ten haren name, na verkregen Bisschoppelijke machtiging, onroerende goederen aan te koopen, te vervreemden of (…)
Artikel 8. Het boekjaar loopt van primo Januari tot ultimo December. Jaarlijks zal vóór een Maart de balans en rekening en verantwoording over het vorig jaar worden opgemaakt en door den thesaurier in de vergadering ter tafel worden gebracht. Bij goedkeuring strekt die tevens ter decharge van den thesaurier. Deze rekening en verantwoording wordt na vaststelling door het Bestuur in duplo ter goedkeuring opgezonden aan Zijn Doorluchtige Hoogwaardigheid den Bisschop van [plaats 2] of diens wettigen plaatsbekleeder.
(…)
Artikel 10. Deze statuten kunnen in vervolg van tijd door het Bestuur, zoo het dat noodig acht, met behoud van het doel der Stichting, worden gewijzigd. Wordt eenig voorstel tot wijziging ingediend, dan zal te dien aanzien geen besluit kunnen genomen worden tenzij vooraf alle leden van het Bestuur met den inhoud van dat voorstel zijn in kennis gesteld.
Geen wijziging is echter van kracht tenzij zich minstens drie vierden der gezamenlijke leden daarvoor hebben verklaard en dit besluit door Zijn Doorluchtige Hoogwaardigheid den Bisschop van [plaats 2] of diens wettigen plaatsbekleeder is bekrachtigd.
(…)”
3.10.
Met een document getiteld “Oprichtingskosten van de [appellant] – Rekening 1887 van de [appellant] te [plaats 1] ” legde het bestuur van de stichting op 1 maart 1889 rekening en verantwoording af aan de bisschop over de oprichtingskosten van de begraafplaats. De rekening en verantwoording is door de vicaris-generaal goedgekeurd.
3.11.
In 1918 is de Codex Iuris Canonici (CIC 1917) van kracht geworden. Canon 100 van de CIC 1917 bepaalt dat lagere rechtspersonen die hoedanigheid binnen de kerk verkrijgen van rechtswege of door bijzondere toekenning door het bevoegde kerkelijk gezag door middel van een formeel decreet, voor een religieus of charitatief doel.
3.12.
In 1925 is het Reglement voor het R.K. Kerkgenootschap in Nederland van kracht geworden en in 1927 is het door de bisschoppen vastgesteld. Hierin is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
I. INRICHTING VAN HET R.K.KERKGENOOTSCHAP
1. Het R.K. Kerkgenootschap , ook genoemd de R.K. kerkprovincie, omvat alle instellingen, vereenigingen en stichtingen, die, in afhankelijkheid van het wettig Kerkelijk gezag, de uitoefening van den R.K. godsdienst ten doel hebben, hetzij thans reeds in Nederland zijn gevestigd, of aldaar volgens de kerkelijke reglementen nog wettig gevestigd zullen worden.
Het omvat derhalve zoowel die instellingen, vereenigingen en stichtingen, die de uitoefening van den eeredienst in engeren zin ten doel hebben, als die, welke de door den R.K. godsdienst evenzeer voorgeschreven en eigenaardig tot de taak der Kerk behoorende uitoefening van werken van barmhartigheid en naastenliefde beoogen.
(…)
II. De R.K. Kerkprovincie wordt verdeeld in op zich zelf staande bisdommen (…).
III. Ieder bisdom wordt in meerdere territoriaal onderscheiden, op zich zelf
staande deelen verdeeld, die parochiën genoemd worden (…).
IV. Ieder bisdom wordt bovendien verdeeld in op zich zelf staande districten, die
uit verschillende parochiën bestaan, en decanaten genoemd worden (…).
V. In ieder bisdom zijn een of meer seminariën (…).
VI. Naast de inrichting der bisdommen, parochiën enz. bestaan er door het
bevoegde kerkelijk gezag erkende gemeenschappen, (…) welke onderscheiden worden in religieuse orden en congregaties (…).
VII. Alle andere instellingen, vereenigingen en stichtingen, die de uitoefening van den R.K. godsdienst ten doel hebben, worden niet als onderdeelen van het R.K. Kerkgenootschap beschouwd, indien zij niet door den Bisschop van het diocees, waarin zij gevestigd zijn, als zoodanig wettig zijn erkend (can. 100 § 1).
(…)
5. Bestuur der R.K. Instellingen van liefdadigheid.
De R.K. Instellingen van Liefdadigheid worden bestuurd volgens het voor elk bisdom van kracht zijnde Algemeene reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid.
(…)”
3.13.
Op 2 september 1964 is het Algemeen Reglement voor katholieke instellingen op charitatief en maatschappelijk gebied in de Nederlandse R.K. Kerkprovincie (hierna: het AR 1965) vastgesteld. Het AR 1965 houdt onder meer in dat:
  • de op charitatief en maatschappelijke gebied bestaande katholieke, zowel parochiale als niet-parochiale, instellingen van liefdadigheid, worden geregeerd door een voor ieder bisdom geldend Algemeen Reglement voor de besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid;
  • dat de omstandigheden zich op dit gebied zodanig hebben gewijzigd, dat het gewenst is een nieuwe regeling te treffen;
  • dat de bestaande voor ieder bisdom geldende reglementen worden vervangen door één regeling die geldt voor de hele Nederlandse R.K. Kerkprovincie.
In artikel 2 AR Pro 1965 is bepaald:
“Onder katholieke instellingen wordt in dit Reglement verstaan iedere instelling die zich ten doel stelt de hulpbehoevende medemens te helpen en de naam katholiek voert of op andere wijze als katholieke instelling optreedt.”
Artikel 4 AR Pro 1965 luidt:
“Deze katholieke instellingen worden onderscheiden in kerkelijke en niet kerkelijke.
De kerkelijke instellingen zijn die instellingen, die door het bevoegde kerkelijk gezag zijn ingesteld, of door hetzelve als zodanig erkend. Krachtens deze instelling of erkenning zijn zij een onderdeel van het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland.
De overige instellingen zijn niet-kerkelijke instellingen.”
De in het AR 1965 opgenomen overgangsbepaling luidt:
“De katholieke niet-parochiale instellingen van liefdadigheid, bedoeld in (…) het bij dit besluit opgeheven “Algemeen Reglement voor de Besturen der parochiale en andere katholieke instellingen van liefdadigheid” worden bij het in werking treden van dit Reglement beschouwd als katholieke niet-kerkelijke instelling, met uitzondering van de instelling die door de bisschop als kerkelijke instelling is opgericht of als zodanig erkend.”
3.14.
In 1978 zijn ter vervanging van het AR 1965 de Algemene Bepalingen 1978 voor katholieke instellingen op pastoraal, charitatief of maatschappelijk gebied of op het terrein van onderwijs of vorming in de R.K. Kerkprovincie in Nederland (hierna: de AB 1978) van kracht geworden. In artikel 3 daarvan Pro is bepaald dat kerkelijke instellingen zijn de kerkelijke rechtspersonen, die door de bisschoppenconferentie of bisschop(-pen) zijn opgericht of als zodanig zijn erkend, dat erkenning kan geschieden door bisschoppelijke goedkeuring van de statuten, en dat zij krachtens deze oprichting of erkenning zelfstandig onderdeel zijn van het R.K. Kerkgenootschap en uit dien hoofde rechtspersoonlijkheid bezitten. In artikel 6 is Pro onder meer bepaald dat een wijziging van de statuten in een notariële akte wordt vastgelegd waarin wordt vermeld dat de kerkelijke instelling een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de zin van artikel VII van het reglement van het R.K. Kerkgenootschap in Nederland.
3.15.
In 1983 is de CIC 1983 ingevoerd ter vervanging van de CIC 1917. De CIC 1983 maakt voor het eerst in het canonieke recht onderscheid tussen publieke en private kerkelijke rechtspersonen.
3.16.
Per 1 januari 1995 zijn van kracht geworden de Algemene Bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en voor katholieke burgerlijke rechtspersonen in de R.-K. Kerkprovincie in Nederland (hierna: de AB 1995). De AB 1995 vervangen de AB 1978.
In artikel 2 van Pro de AB 1995 is onder meer bepaald:
“In deze Algemene Bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
d. Kerkelijke rechtspersoon: een overeenkomstig het kerkelijk recht opgerichte rechtspersoon, die als zelfstandig onderdeel van het R-K. Kerkgenootschap in de zin van artikel VII van het Reglement voor het R.-K. Kerkgenootschap in Nederland rechtspersoonlijkheid bezit naar Nederlands recht krachtens artikel 2 van Pro boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
(…)”
Artikel 10 van Pro de AB 1995 luidt:
“1. Kerkelijke rechtspersonen zijn (canon 114, par. 1):
- gehelen van personen, ook genoemd kerkelijke verenigingen;
- gehelen van zaken, ook genoemd autonome kerkelijke stichtingen.
2. Kerkelijke rechtspersonen worden onderscheiden in publieke en private kerkelijke rechtspersonen.
3. Publieke kerkelijke rechtspersonen zijn rechtspersonen die door het bevoegd kerkelijk gezag worden opgericht om binnen te voren vastgestelde grenzen namens de kerk de hun eigen met het oog op het openbare welzijn toevertrouwde taak te vervullen (canon 116 par. 1)
4. Private kerkelijke rechtspersonen zijn rechtspersonen die door katholieken zijn begonnen en waaraan door het bevoegd kerkelijk gezag bij decreet kerkelijke rechtspersoonlijkheid wordt verleend (canon 116 par. 2).”
In artikel 39 van Pro de AB 1995 is bepaald:
“De op het tijdstip van het inwerking treden van deze Algemene Bepalingen bestaande kerkelijke instellingen in de zin van artikel 6 van Pro de (… [de AB 1978, toevoeging hof]) worden beschouwd als publieke kerkelijke rechtspersonen. Vooralsnog blijven hun door de Bisschoppenconferentie of de Bisschop goedgekeurde statuten van kracht. De statuten van deze kerkelijke instellingen dienen indien nodig binnen drie jaar na het tijdstip van inwerking treding van deze Algemene Bepalingen aangepast te worden aan deze Algemene Bepalingen. De Bisschoppenconferentie of de Bisschop zal naar de normen van het recht beslissen of de bepalingen voor de publieke kerkelijke rechtspersonen van toepassing zijn dan wel die voor de private kerkelijke rechtspersonen. Registratie van deze instellingen in de zin van artikel 18 zal Pro tegelijkertijd plaats vinden.”
3.17.
Vanaf november 2008 is er tussen het adviesbureau van de Rooms-Katholieke Kerk (hierna: Arkk) en het bestuur contact geweest over de – door beide partijen noodzakelijk geachte – wijziging van de statuten van de stichting. Uit de overgelegde correspondentie in dat kader volgt dat het Arkk zich op het standpunt stelde dat de stichting een publieke kerkelijke rechtspersoon was. Het bestuur van de Barbarastichting heeft in dat verband in een brief van 28 december 2009 aan het Arkk onder meer bericht:
“(…) Tijdens die bespreking is onder andere afgesproken dat wij onze eerder bij u ingediende conceptstatutenwijziging zouden aanpassen aan de vereisten voor een kerkelijke instelling, alsmede zouden aangeven waarom wij als private kerkelijke rechtspersoon wensen te opereren. (…)”
3.18.
Uiteindelijk heeft het bestuur per brief van 21 november 2010 het bisdom het volgende meegedeeld:
“Niettemin hebben wij na ampel beraad in ons bestuur besloten akkoord te gaan met de zienswijze, dat onze begraafplaats als een publieke kerkelijke rechtspersoon te beschouwen is.”
3.19.
Vervolgens zijn op 20 december 2010 de statuten van de stichting gewijzigd. Daarmee zijn de thans geldende statuten tot stand gekomen. In deze statuten is onder meer het volgende opgenomen:
“Artikel 1
(…)
2. De stichting is een publieke kerkelijke rechtspersoon in de zin van canon 116 paragraaf 1 van de Codex Juris Canonici, als bedoeld in artikel 10 van Pro de Algemene bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de RK Kerkprovincie in Nederland, en bezit als zodanig rechtspersoonlijkheid naar Nederlands recht op grond van artikel 2:2 Burgerlijk Pro Wetboek.
3. De Algemene Bepalingen voor Kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de RK Kerkprovincie in Nederland, voor de laatste maal vastgesteld door de Bisschoppenconferentie van RK Kerkprovincie op twaalf/dertien december negentienhonderd vier en negentig, zijn van toepassing op de rechtspersoon.”
3.20.
Het bestuur van de stichting wenst de statuten te wijzigen en heeft daarvoor conceptstatuten laten opstellen. Het bisdom heeft geweigerd de voor de statutenwijziging benodigde goedkeuring te verlenen.

4.Eerste Aanleg

4.1.
Het bestuur heeft in eerste aanleg, samengevat, verzocht om bij beschikking de huidige statuten van de stichting te wijzigen zodat daarin niet langer is bepaald dat de stichting een publieke kerkelijke rechtspersoon is waarop de AB 1995 van toepassing zijn, althans ontheffing te verlenen van het vereiste van bisschoppelijke goedkeuring voor deze wijziging.
4.2.
Het bisdom heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om, samengevat, bij beschikking voor recht te verklaren dat de stichting een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap is in de vorm van een publieke kerkelijke rechtspersoon als bedoeld in canon 116 paragraaf 1 van de CIC 1983.
4.3.
De rechtbank heeft in de beschikking, voor zover relevant, (het bestuur van) de stichting niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek omdat de stichting moet worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap waarop de artikelen 2:8 en 2:294 BW niet van toepassing zijn en, op het tegenverzoek, voor recht verklaard dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap in de vorm van een publieke kerkelijke rechtspersoon als bedoeld in canon 116 paragraaf 1 van de CIC 1983.

5.Beoordeling

5.1. (
Het bestuur van) de stichting heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van de bestreden beschikking en tot het alsnog toewijzen van het verzoek en afwijzen van tegenverzoek van het bisdom, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van het bisdom in de proceskosten van beide instanties.
5.2.
Het bisdom heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van de stichting in de proceskosten, met begroting van de nakosten.
5.3.
Met grief 1 bestrijdt het bestuur de vaststelling van de feiten. Uit deze grief volgt echter niet waarom de vastgestelde feiten onjuist zouden zijn, zodat deze grief faalt. Grief 2 kan niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, zoals volgt uit de beoordeling hierna. Met grieven 3 t/m 19 richt het bestuur zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de stichting moet worden beschouwd als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW Pro, waarop de artikelen 2:8 en 2:294 BW – die ten grondslag liggen aan het verzoek van het bestuur – niet van toepassing zijn. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.4.
Het hof stelt voorop dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersoonlijkheid bezitten, zo volgt uit artikel 2:2 lid 1 BW Pro. Ook vóór de invoering van Boek 2 in 1976 werd algemeen aangenomen dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersonen waren. Kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap , waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s).
5.5.
Het R.K. Kerkgenootschap is (onbetwist) een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW Pro. De in deze zaak te beantwoorden vraag luidt of de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K. Kerkgenootschap .
5.6.
De wet formuleert geen positieve criteria voor het zijn van zelfstandig onderdeel. Als negatief criterium geldt dat een instelling die door het kerkgenootschap zelf niet als onderdeel wordt beschouwd, niet als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap kan worden aangemerkt. In dat verband is het standpunt van de betrokken bisschop relevant. De burgerlijke rechter zal de vraag of sprake is van een (zelfstandig) onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW Pro in de eerste plaats moeten beoordelen naar het eigen statuut, en de eigen regels van het kerkgenootschap in kwestie.
5.7.
Ten tijde van de oprichting van de stichting behoorde het AR 1855 tot het statuut van het R.K. Kerkgenootschap . Dit is tussen partijen niet in geschil, althans door het bestuur niet voldoende gemotiveerd betwist. In artikelen 1 en 2 van het AR 1855 is bepaald dat katholieke instellingen die zich in het bisdom bezighouden met werken van barmhartigheid, waaronder (ook destijds al) mede het begraven van de doden moet worden verstaan, onder kerkelijk gezag staan van de bisschop. Uit het bepaalde in de artikelen 3, 49 en 52 van het AR 1855 volgt dat een vereniging van personen die zich als dergelijke instelling wenste te vestigen in het Bisdom, daarvoor toestemming nodig had van de bisschop en diens goedkeuring van haar reglement.
5.8.
Met hun brief van 4 mei 1887 aan de vicaris-generaal hebben de oprichters, die zich daarin aanduiden als “pastoors en leken der twee parochiale kerken te [plaats 1] ” en als diens “onderdanigste dienaren”, te kennen gegeven dat zij een commissie wilden vormen voor de aanleg en het beheer van een rooms-katholieke begraafplaats. Zij hebben daarbij gevraagd om – alvorens voor de aanleg verlof te vragen bij burgemeester en wethouders – als commissie voor dit doel erkend en tot een en ander geautoriseerd te worden, en toegezegd goedkeuring te zullen vragen voor het nog op te stellen reglement van de commissie. Dit strookt met het bepaalde in de artikelen 3, 49 en 52 van het AR 1855. De ook in de brief gedane toezegging om jaarlijks rekening en verantwoording te zullen afleggen, sluit aan bij het bepaalde in artikel 56 van Pro het AR 1855.
5.9.
Daarmee hebben de oprichters uitvoering gegeven aan de bepalingen van het AR 1855, waaraan zij zich klaarblijkelijk gebonden achten. Zo heeft de vicaris-generaal het in elk geval redelijkerwijs mogen begrijpen. Uit het bepaalde in artikel 1 van Pro het AR 1855 volgt dat de commissie als kerkelijke instelling onder bisschoppelijk gezag stond, zoals de vicaris-generaal in zijn brief van 5 mei 1887 uitdrukkelijk heeft erkend. Van enig bezwaar hiertegen van de zijde van de oprichters is niet gebleken.
5.10.
Uit de brief van 5 mei 1887 van de vicaris-generaal volgt dat de oprichters slechts in die hoedanigheid – namelijk die van commissie zijnde een kerkelijke instelling onder gezag van de bisschop – zijn gemachtigd tot het vragen van verlof bij burgemeester en wethouders voor de aanleg van de begraafplaats. Uit het besluit van burgemeester en wethouders van 27 juni 1887 volgt dat de aanvraag die de oprichters vervolgens hebben gedaan, ook is opgevat als gedaan in deze hoedanigheid, aangezien zij daarin zijn aangeduid als “bij bisschoppelijk besluit van 5 mei jo aangesteld tot eene commissie voor aanleg eener roomsch katholiek begraafplaats te [plaats 1] ”. Dit bevestigt dat de oprichters daadwerkelijk hebben begrepen, zoals zij redelijkerwijs behoorden te begrijpen, dat de toestemming van het kerkelijk gezag om de katholieke begraafplaats aan te leggen en daarvoor verlof te vragen bij burgemeester en wethouders, slechts werd verleend aan de door hen op te richten kerkelijke instelling die onder gezag stond van de bisschop. Daardoor konden burgemeester en wethouders het verlof – gelet op het bepaalde in artikel 14 van Pro de wet van 1869 – niet weigeren.
5.11.
De oprichting van de stichting, op 8 juli 1887, is in lijn met het bepaalde in artikel 49 van Pro het AR 1855. Het in de statuten beschreven doel (artikel 2), te weten de aanleg en het beheer van een kerkhof voor rooms-katholieken, waarbij onder meer is voorzien in kosteloze grafruimte voor arme geloofsgenoten, bevestigt dat de stichting binnen bereik viel van (artikel 1 van Pro) het AR 1855. De bepalingen van de statuten met betrekking tot onder meer de goedkeuring van benoeming van bestuurders, de bevoegdheid tot het aangaan van rechtshandelingen en het beschikken over (onroerende) goederen, het jaarlijks doen van rekening en verantwoording, en bisschoppelijke bekrachtiging van wijziging van de statuten (zie 3.9) zijn in lijn met de voorschriften van het AR 1855 (zie 3.2) en bevestigen dat de stichting onder gezag van de bisschop kwam te staan.
5.12.
Op grond van het voorgaande, en gelet op wat voortvloeit uit het bepaalde in de statuten en het AR 1855 over de organisatie en bevoegdheden van de stichting en de gezagsverhouding met de bisschop, is het hof van oordeel dat de stichting ten tijde van haar oprichting diende te worden aangemerkt als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap . Wat het bestuur voor het overige heeft aangevoerd, legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.
5.13.
Uit de canonieke regelgeving die nadien is ingevoerd, en die eveneens tot het statuut van het R.K. Kerkgenootschap behoort, volgt dat de stichting nog steeds als zodanig heeft te gelden. Gelet op het bepaalde in artikel VII van het reglement van 1927 gold de stichting vanwege de erkenning van de bisschop als onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap . Op grond van artikel 4 en Pro de overgangsbepaling van het AR 1965 was de stichting een kerkelijke instelling. Volgens artikel 3 van Pro de AB 1978 was de stichting een kerkelijke instelling die krachtens de bisschoppelijke erkenning zelfstandig onderdeel was van het R.K Kerkgenootschap. Gelet op het bepaalde in de artikelen 2, 10 en 39 van de AB 1995 is de stichting sindsdien aan te merken als een publieke kerkelijke rechtspersoon en als zodanig zelfstandig onderdeel van het R.K Kerkgenootschap. Het bepaalde in artikel 1 lid 2 van Pro de statuten van de stichting, zoals gewijzigd in 2010, is daarmee in overeenstemming.
5.14.
Het hof is, op grond van het voorgaande, van oordeel dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het R.K Kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW Pro, en geen burgerlijke stichting in de zin van artikel 2:285 lid 1 BW Pro. De artikelen 2:8 en 2:294 BW, die het bestuur ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek tot wijziging van de statuten, zijn daarom niet van toepassing. De rechtbank heeft onder 5.23 daarom terecht geconcludeerd dat het verzoek van het bestuur van de stichting moet worden afgewezen. De grieven falen in zoverre. In haar beslissing heeft de rechtbank vervolgens onder 6.1 de stichting niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is geen grief gericht. Waar het aan de burgerlijke rechter is om te beoordelen of de stichting kan worden beschouwd als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap (vgl. Hof Amsterdam, 30 juni 2020, GHAMS:2020:1834, (Maagdenhuis) rov. 3.7), moet het ervoor worden gehouden dat de stichting wel ontvankelijk was in haar verzoek. In zoverre kleeft er een gebrek aan de beslissing van de rechtbank. Nu dit geen gevolgen heeft, laat het hof dit verder rusten.
5.15.
Het tegenverzoek van het bisdom strekt tot het vaststellen van de rechtsverhouding tussen het bisdom en de stichting. Het bisdom heeft daarbij voldoende belang, aangezien deze rechtsverhouding, gelet op het verzoek van de stichting, in geschil is. Anders dan de stichting met grief 20 betoogt, blijft de door het bisdom gevraagde verklaring voor recht binnen de grenzen van artikel 2:2 lid 1 BW Pro en is deze beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding in geschil tussen het bisdom en de stichting. Ook hier gaat het immers om de vraag of de stichting (als onderdeel van het bisdom) een zelfstandig onderdeel is van het R.K Kerkgenootschap.
Het hof beschouwt het verweer dat het bestuur tegen toewijzing van het tegenverzoek heeft gevoerd, als (mede) gevoerd namens of ten behoeve van de stichting. Zo heeft de rechtbank het verweer kennelijk ook begrepen (zie beschikking, onder 4.4 en 5.26), wat het bestuur niet heeft bestreden. De rechtstreeks bij de rechtsverhouding betrokken partijen zijn dus beide partij in de zaak van het tegenverzoek.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het verzoek van de stichting, volgt dat het tegenverzoek van het bisdom op inhoudelijke gronden toewijsbaar is. Daarmee faalt grief 20.
De grieven 21 en 22 borduren voort op het voorgaande, en falen dus ook.
5.16.
De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. (Het bestuur van) de stichting is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld. Het hof zal de stichting daarom veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van het bisdom als volgt begroot:
- griffierecht € 827
- salaris advocaat
€ 2.580(2 x tarief II)
totaal € 3.407.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt de stichting in de kosten van het geding in, tot op heden aan de zijde van het bisdom vastgesteld op € 3.407 en op € 189 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.M. Vaessen, S.C.H. Molin en H. Koster en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.