Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2] ,
[geïntimeerde] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
alsmede de activiteiten respectievelijk activa van andere Partijen genoemd in de opdrachtbrief aan [bedrijf 4] , waaronder, maar niet uitsluitend veredelings-kramen, (aanvragen op) kwekersrechten, rassen in trial, royaltybeheer en administratie, weefselkweek, frambozenplanten, klanten, personeel, know how, royalty-dienstverlening, licentieovereenkomsten alles in de ruimste zin van het woord en alomvattend zonder enige beperking, een en ander met als doel de realisatie van de in artikel 1.2 omschreven maximale verkoopopbrengst.
debt, debt-like items, cash-like items of the Company, in each case per the Effective Date, (…)
(b) adding the Cash at Completion and subtracting the Debt at Completion;
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
cash-outwerd geïntroduceerd – en Van Hussen dus op die basis verder is gaan onderhandelen met [bedrijf 6] . Een eventuele uit deze nieuwe transactiestructuur voortvloeiende discussie over de verdeling van dat cash/debt-saldo 2020 was bovendien een discussie tussen [appellanten] en [naam 1] onderling. [bedrijf 6] stond daar sowieso geheel buiten, en Van Hussen heeft steeds, van begin af aan, duidelijk gemaakt dat zij voor zichzelf geen rol zag bij de verdeling van de verkoopopbrengst omdat dit een onderlinge kwestie was tussen [appellanten] en [naam 1] waarover zij onderling hadden onderhandeld en die door henzelf in de VSO was vastgelegd. Weliswaar had Van Hussen [appellanten] eerder kunnen en moeten informeren over het standpunt van [naam 1] over de beoogde verdeling van het cash/debt-saldo 2020 (zie daarover 6.18) maar dat laat onverlet de vraag of [appellanten] hierdoor schade hebben geleden.
cashdan daadwerkelijk in de onderneming zat. Het ging bij het cash/debt-saldo 2020 om een bedrag van bijna 2 miljoen euro terwijl de koopprijs voor de gehele onderneming (exclusief aftrek voor schulden) 16,7 miljoen euro was, en dus niet om een detail, aldus Van Hussen . Haar betoog vindt bovendien steun in de e-mail van 10 mei 2021 van de advocaat van [bedrijf 6] , waarin de ‘Purchase Price structuur’ wordt genoemd als een van de drie onderwerpen die voor [bedrijf 6] de kern uitmaken van ‘een sloot van wijzigingen’ in de SPA. [appellanten] hebben dit verweer van Van Hussen niet (voldoende gemotiveerd) weersproken.
€ 11.238,- +(tarief VII à € 5.619,-, twee punten)