ECLI:NL:GHAMS:2026:1004
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en saneringsgezindheid
De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Hij voerde aan dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder meer door omstandigheden rondom belastingschulden, terugvordering bijstand en huurschulden toe te lichten.
Het hof heeft het beroepschrift, het dossier en aanvullende stukken bestudeerd en concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest. Zo zijn verkeersboetes onbetaald gelaten terwijl hij voldoende middelen had, is de terugvordering van bijstand in bezwaar en beroep bevestigd, en is de huurschuld ontstaan door herhaaldelijke huurachterstanden waarvoor geen geldige verklaring is gegeven.
Daarnaast is niet aannemelijk dat appellant de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen of zich zal inspannen om inkomsten te verwerven. Hij is vrijgesteld van sollicitatieplicht zonder medische onderbouwing en toont geen saneringsgezinde houding. Ook een lopende strafzaak en mediationtraject veranderen dit oordeel niet.
Het hof wijst het beroep af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, waarmee het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling definitief wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.