ECLI:NL:GHAMS:2025:895

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
200.349.304/01 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 lid 7 BWArt. 2:350 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onderzoek en schorsing bestuurders wegens impasse en twijfel aan juist beleid bij Norden Group en Norden Capital

De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam behandelde het verzoek van een bestuurder om een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Norden Group en Norden Capital vanaf hun oprichting. Er was sprake van een impasse in het bestuur en de algemene vergadering, mede door een echtscheiding tussen de twee bestuurders die elk 50% van de aandelen bezitten.

De financiële administratie van de vennootschappen was gebrekkig en er waren ernstige verstoorde verhoudingen tussen de bestuurders. Partijen erkenden gezamenlijk dat er gegronde redenen waren om te twijfelen aan het juiste beleid en de juiste gang van zaken binnen de vennootschappen.

De Ondernemingskamer besloot daarop tot onmiddellijke voorzieningen: de schorsing van beide bestuurders en de benoeming van een tijdelijke bestuurder met beslissende stem die de vennootschappen zelfstandig kan vertegenwoordigen. Tevens werd een onderzoek bevolen, waarvan het budget later wordt vastgesteld. De kosten van het onderzoek en de tijdelijke bestuurder komen voor rekening van de vennootschappen. Iedere partij draagt haar eigen proceskosten.

Uitkomst: De Ondernemingskamer beveelt onderzoek, schorst de bestuurders en benoemt een tijdelijke bestuurder met beslissende stem.

Uitspraak

proces-verbaal
___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.349.304/01 OK
Proces-verbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2025
Tegenwoordig zijn mr. J.M. de Jongh, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. A.P. Wessels, raadsheren, mr. drs. G. Boon RA en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. G.M.C. van Breukelen, griffier.
Aan de orde is de behandeling van het verzoekschrift van

[bestuurder 1] ,

woonplaats kiezend te [[plaats]] ,
VERZOEKSTER,
advocaten:
mr. J.W. Boddaerten
mr. Z. Zoetmulder, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1.
NORDEN GROUP B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2.
NORDEN CAPITBAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTERS,
advocaten:
mr. R. Q. Potter,
mr. C.R.B. Jonkeren
mr. C.I.A. Herwig, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n

[bestuurder 2] ,

woonplaats kiezend te [[plaats]] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten:
mr. R. Q. Potter,
mr. C.R.B. Jonkeren
mr. C.I.A. Herwig, kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen als volgt worden aangeduid:
- verzoekster als [bestuurder 1] ;
- verweersters respectievelijk als Norden Group en Norden Capital;
- belanghebbende als [bestuurder 2] ;
- verweersters en belanghebbende gezamenlijk als Norden Group c.s.
Ter terechtzitting zijn aanwezig:
- [bestuurder 1] , via video-verbinding, bestuurder en 50% aandeelhouder van Norden Group en daarmee indirect 50% aandeelhouder van Norden Capital, bijgestaan door mrs. Boddaert en Zoetmulder voormeld;
- [tolk] , via video-verbinding, tolk;
- [bestuurder 2] , bestuurder en 50% aandeelhouder van Norden Group en daarmee indirect 50% aandeelhouder van Norden Capital, bijgestaan door mrs. Potter en Jonker voormeld.
[bestuurder 1] heeft in deze procedure de Ondernemingskamer verzocht – kort samengevat – een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Norden Group en Norden Capital vanaf 14 maart 2022, bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen en Norden Group en Norden Capital hoofdelijk te veroordelen in de kosten. Norden Group c.s. hebben geen verweerschrift ingediend. In de overgelegde spreekaantekeningen hebben Norden Group c.s. verweer gevoerd. Zij hebben de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [bestuurder 1] af te wijzen.
De volgende (nadere) producties zijn overgelegd:
- producties 1 tot en met 16, een nadere productie 8.1 en producties 17 tot en met 24 van de zijde van [bestuurder 1] ;
- producties 1 tot en met 13 en producties 14 tot en met 17 van de zijde van Norden Group c.s.
De advocaten lichten de standpunten van de onderscheiden partijen toe aan de hand van aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen overgelegde spreekaantekeningen en onder overlegging van de op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten beantwoorden vragen van de Ondernemingskamer en verstrekken inlichtingen.
Op vragen van de voorzitter bevestigen [bestuurder 1] en [bestuurder 2] dat in het bestuur en in de algemene vergadering van Norden Group een impasse is ontstaan die samenhangt met de echtscheiding waarin zij zijn verwikkeld. Nu zij als enige bestuurders van Norden Group slechts gezamenlijk bevoegd zijn Norden Group te vertegenwoordigen, terwijl Norden Group enig aandeelhouder en enig bestuurder van Norden Capital is, werkt die impasse door op het niveau van de algemene vergadering en het bestuur van Norden Capital.
De voorzitter constateert dat de jaarrekeningen van verweersters van de jaren 2020 en 2021 zijn overgelegd en dat meer recente financiële gegevens in het dossier ontbreken. Op vragen van de voorzitter bevestigt [bestuurder 2] dat hij nog bezig is met het opstellen van de jaarrekeningen 2022 en volgende. De voorzitter wijst erop dat de balans van Norden Group per 31 december 2021 een eigen vermogen toont van € 23,5 miljoen en schulden van ruim € 90.000 en vraagt [bestuurder 2] hoe deze gezonde balans zich verhoudt tot de precaire financiële positie waarin verweersters zich volgens [bestuurder 2] momenteel bevinden en wat er sinds 31 december 2021 met de vennootschappen is gebeurd. [bestuurder 2] antwoordt dat de financiële situatie van verweersters minder gunstig is dan blijkt uit de gedeponeerde jaarrekeningen en dat hij bezig is de administratie op orde te krijgen.
Op de vraag van [bestuurder 2] of de Ondernemingskamer bij wijze van vergelijk een bestuurder zou kunnen aanwijzen, antwoordt de voorzitter dat de Ondernemingskamer daarin niet zal bewilligen omdat een dergelijke bestuurder bij faillissement van een van verweersters niet de bescherming van art. 2:248 lid 7 BW Pro zou genieten.
De voorzitter van de Ondernemingskamer schorst de behandeling ter terechtzitting.
Na hervatting van de behandeling deelt de voorzitter mede dat mondeling uitspraak zal worden gedaan op het verzoek.
De Ondernemingskamer doet als volgt mondeling uitspraak:
Partijen zijn het – wat verweersters en [bestuurder 2] betreft in zoverre onder intrekking van hun verweer – erover eens dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Norden Group en Norden Capital. Deze redenen bestaan onder meer in een impasse in het bestuur en in de algemene vergadering van Norden Group en daarmee ook in het bestuur en de algemene vergadering van Norden Capital. Verder zijn partijen het er over eens dat gegronde redenen tot twijfel aan een juist beleid bestaan door de gebrekkige financiële administratie en ernstig verstoorde verhoudingen. Voorts hebben partijen er overeenstemming over bereikt dat (i) [bestuurder 2] en [bestuurder 1] als bestuurders zullen worden geschorst, (ii) de Ondernemingskamer een tijdelijke bestuurder zal aanwijzen, (iii) dat [bestuurder 2] en [bestuurder 1] ieder de helft van het voorschot voor de tijdelijke bestuurder zullen betalen, en wel als eerste een bedrag van € 25.000 door [bestuurder 2] en vervolgens een bedrag van € 25.000 door [bestuurder 1] , en (iv) dat de aanwijzing van de onderzoeker zal worden aangehouden.
De Ondernemingskamer is met partijen van oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Norden Group en Norden Capital op bovenstaande gronden.
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Norden Group en Norden Capital, zoals die blijkt uit het voorgaande, het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder 2] en [bestuurder 1] schorsen als bestuurder van Norden Group en in hun plaats een nader aan te wijzen persoon tot bestuurder benoemen met beslissende stem en die bevoegd zal zijn Norden Group zelfstandig te vertegenwoordigen.
De te benoemen bestuurder mag het ook tot zijn/haar taak rekenen te bezien of een minnelijke regeling tussen partijen kan worden bereikt.
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder voor rekening brengen van Norden Group en Norden Capital.
De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen. Indien het komt tot aanwijzing van een onderzoeker, zal de Ondernemingskamer de onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.
De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker voorlopig aanhouden om te bezien of al door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder van partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
De Ondernemingskamer ziet ten slotte aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

De beslissing

De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Norden Group B.V. en Norden Capital B.V. vanaf de oprichting van beide vennootschappen;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;
houdt de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na de beschikking waarbij hij als onderzoeker wordt aangewezen een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Norden Group B.V. en Norden Capital B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van zijn/haar werkzaamheden zekerheid moeten stellen;
benoemt mr. J.M. de Jongh tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW Pro;
schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure, met ingang van heden [bestuurder 2] en [bestuurder 1] als bestuurders van Norden Group B.V.;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Norden Group B.V. met beslissende stem en bepaalt dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Norden Group B.V. te vertegenwoordigen;
bepaalt dat het salaris en de kosten van deze bestuurder voor rekening komen van Norden Group B.V. en bepaalt dat Norden Group B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder en voor een bedrag van ten minste € 50.000 zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van zijn/haar werkzaamheden;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
De voorzitter meldt dat een proces-verbaal van de mondelinge behandeling met de beslissing wordt opgemaakt en aan partijen wordt verzonden.
De voorzitter sluit de behandeling ter terechtzitting.
Waarvan proces-verbaal,