De zaak betreft het geschil tussen ouders over de verhuizing van de moeder met de minderjarige kinderen van plaats B naar plaats D en de gevolgen daarvan voor de zorgregeling. De rechtbank had de moeder vervangende toestemming verleend voor de verhuizing en de zorgregeling aangepast, waarna de vader in hoger beroep ging. Hij verzocht afwijzing van de verhuizing of een ruimere zorgregeling.
Het hof overweegt dat de kinderen inmiddels ruim drie maanden in plaats D wonen, gelukkig zijn op hun nieuwe scholen en sportverenigingen en dat een terugverhuizing niet in hun belang is. De moeder heeft de verhuizing zorgvuldig voorbereid en er is een economische noodzaak vanwege haar werk en de situatie van haar partner in plaats D. De vader heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verhuizing schadelijk is voor de kinderen.
Het hof stelt een zorgregeling vast waarbij de kinderen om de week van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven, met een extra weekend per tien weken, en de vader de eerste keuze heeft voor drie aaneengesloten weken in de zomervakantie. De moeder brengt en haalt de kinderen bij de vader. Het hof wijst de verzoeken van de vader af voor een ruimere omgang en voorlopige voorzieningen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.