AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vonnis bedreiging en mishandeling met matiging straf en aanvulling bewijsmiddelen
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2021 bevestigd met uitzondering van de strafoplegging en de motivering daarvan. De verdachte werd bewezenverklaard voor bedreiging en mishandeling door met een mes achter het slachtoffer aan te rennen en hem in de duim te steken.
Het hof voegde aan de bewijsmiddelen enkele aanvullingen toe, waaronder een verklaring over een branderige linkerduim van het slachtoffer. De rechtbank had een taakstraf van 120 uren opgelegd, de advocaat-generaal eiste 180 uren en schadevergoeding.
Het hof matigde de straf tot 90 uren taakstraf vanwege het grote tijdsverloop van ruim zeven jaar sinds het plegen van de feiten en constateerde een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro. Desondanks werd geen verdere strafverlaging toegepast.
De feiten vonden plaats op de openbare weg, waardoor ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving werden veroorzaakt. Het hof achtte de matiging passend en bevestigde het vonnis voor het overige.
De straf kan worden vervangen door 45 dagen hechtenis indien niet naar behoren verricht.
Uitkomst: Het hof legt een taakstraf van 90 uren op voor bedreiging en mishandeling, met bevestiging van de bewezenverklaring.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001169-21
datum uitspraak: 26 maart 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-091232-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1976,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman, de benadeelde partij en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsmiddelen zal aanvullen met het navolgende. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, brengt het hof ten aanzien van de bewezenverklaring en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof vult de bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage 2 op pagina 10 e.v. van het vonnis, als volgt aan:
aan bewijsmiddel 1 wordt na de zinssnede ‘ [organisatie] , [adres 2] ’ toegevoegd: ‘te Amsterdam’;
aan bewijsmiddel 2 wordt toegevoegd: ‘Mijn linkerduim is branderig’.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging en mishandeling van het slachtoffer, door met een mes achter hem aan te rennen en stekende bewegingen te maken en hem vervolgens tijdens een schermutseling in de duim te steken. Hiermee heeft de verdachte het slachtoffer angst aangejaagd en pijn en letsel veroorzaakt. Ook veroorzaken dergelijke incidenten gevoelens van onveiligheid in de samenleving, nu de feiten op de openbare weg plaatsvonden.
Gelet op de ernst van de feiten, acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel passend. In het grote tijdsverloop van de zaak – het feit is inmiddels ruim zeven jaren geleden gepleegd – ziet het hof evenwel aanleiding om de straf te matigen en de verdachte een taakstraf voor de duur van 90 uren op te leggen. Het hof signaleert voorts dat – in lijn met het tijdsverloop – de redelijke termijn in het hoger beroep is geschonden, hetgeen een schending oplevert van artikel 6 EVRMPro. De verdachte heeft immers op 6 mei 2021 hoger beroep ingesteld en dit arrest wordt ruim 3 jaar en 10 maanden daarna gewezen. Gelet op de hoogte van de op te leggen straf, zal het hof volstaan met de constatering van deze schending en hieraan geen (verdere) strafverlaging verbinden.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 90 uren passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.S. Ludwig, mr. E. Mijnsberge en mr. D. Abels, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2025.
Mr. Abels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.