ECLI:NL:GHAMS:2025:63
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid hof en ontvankelijkheid incidentele vordering in hoger beroep civiele zaak
In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. Geïntimeerden stelden in een incidentele vordering dat het hof onbevoegd was vanwege een verschrijving in de appeldagvaarding, waarin abusievelijk verwezen werd naar een vonnis van de rechtbank Den Haag. Het hof oordeelt dat het hoger beroep wel degelijk gericht is tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam en dat de verschrijving onmiskenbaar is, zodat het hof bevoegd is.
Daarnaast werd betwist of de incidentele conclusie van de geïntimeerden rechtsgeldig was ondertekend, aangezien deze aanvankelijk niet door een advocaat was ondertekend. Het hof stelt vast dat dit gebrek herstelbaar is en dat een later ingediende, correct ondertekende conclusie dit tekort heeft hersteld. Daarom wordt de vordering tot onbevoegdverklaring wegens deze ondertekeningskwestie afgewezen.
Het hof wijst de incidentele vordering van de geïntimeerden af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. Tevens verwijst het hof de hoofdzaak naar de rol voor memorie van antwoord van de geïntimeerden. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 14 januari 2025.
Uitkomst: Het hof verklaart zich bevoegd en wijst de incidentele vordering van geïntimeerden af.