In deze zaak heeft een raadsheer van het Gerechtshof Amsterdam verzocht zich te mogen verschonen van de behandeling van twee civiele procedures waarin partijen betrokken zijn die in het verleden door het advocatenkantoor waar hij partner was, zijn geadviseerd. De raadsheer kon niet volledig uitsluiten dat hij in het verleden betrokken was bij de zaak, waardoor hij zich niet vrij achtte om onpartijdig te oordelen.
Het hof overwoog dat verschoning een middel is om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter te waarborgen. Hoewel er geen aanwijzingen waren dat de raadsheer subjectief niet onpartijdig was, oordeelde het hof dat de objectieve vrees voor schending van onpartijdigheid door de betrokkenheid van het advocatenkantoor voldoende zwaarwegend was.
Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen, waarmee de raadsheer zich van verdere behandeling van de procedures mocht terugtrekken. De beslissing werd genomen door drie raadsheren en uitgesproken in een openbare zitting op 19 november 2025.