ECLI:NL:GHAMS:2025:3659

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
200.359.273
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens onvoldoende informatieverstrekking door schuldenares

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de appellante, die zonder schone lei is beëindigd. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de appellante, die onder bewind staat, de bewindvoerder niet had geïnformeerd over een bankrekening bij Revolut die op haar naam was geopend. De appellante stelde dat zij niets met deze bankrekening te maken had en dat deze zonder haar medeweten door een derde, mogelijk haar ex-partner, was geopend. Het hof oordeelde echter dat de appellante onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om aan te tonen dat zij niet betrokken was bij het openen en het gebruik van de bankrekening. Het hof concludeerde dat de appellante tekort was geschoten in haar informatieplicht en dat dit een duidelijke aanwijzing was dat zij niet voldoende had meegewerkt aan de uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Hierdoor was de beëindiging van de schuldsanering gerechtvaardigd. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.359.273/01
insolventienummer rechtbank : C/13/22/54-R
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 december 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] , gemeente Ouder-Amstel,
appellante,
advocaat: mr. J.M. van der Linden te Leiden.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 17 september 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2025, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] heeft beëindigd zonder haar de zogenoemde schone lei te verlenen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 oktober 2025 alwaar zijn verschenen mr. Van der Linden voornoemd en de bewindvoerder, [naam 1] , en - nadat het hof op verzoek van mr. Van der Linden de behandeling had aangehouden wegens afwezigheid van [appellant] - op 16 december 2025. Bij die laatste behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht. Voorts is wederom verschenen de bewindvoerder,
[naam 1] (hierna: bewindvoerder). De beschermingsbewindvoerder, [naam 2] , verbonden aan [bedrijf] te [plaats 2] , is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift, met bijlagen, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het verslag van zaken van de bewindvoerder van 17 oktober 2025, met bijlagen, en de namens [appellant] op 14, 17 en 20 oktober 2025 alsmede op 9 december 2025 ingediende stukken. [appellant] en de bewindvoerder hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om het bestreden vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling alsnog te beëindigen met verlening van de schone lei dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie juist acht. Daartoe heeft [appellant] - samengevat - het volgende aangevoerd.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] heeft verzuimd de bewindvoerder de benodigde inlichtingen te verstrekken ten aanzien van een bankrekening bij Revolut, die op haar naam is geopend nadat zij was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. [appellant] heeft die bankrekening nimmer geopend en wist pas van het bestaan daarvan op 29 augustus 2025, kort vóór de zitting bij de rechtbank op 3 september 2025. Op die datum, 29 augustus 2025, werd zij door de bewindvoerder geïnformeerd over een brief van ABN AMRO van 31 juli 2025, waarin staat dat op die Revolutrekening bedragen zijn bijgeschreven die afkomstig zijn van fraude. Omdat [appellant] niets met de bankrekening te maken heeft, kan het niet anders dan dat een derde - mogelijk [appellant] ex-partner [naam 3] (hierna: [naam 3] ) - met de persoonsgegevens van [appellant] en een selfie de rekening heeft geopend. Dat kan heel eenvoudig online, vooral bij Revolut die - naar [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd - bekend staat als ‘fraudebank nummer 1’. Bovendien kan [appellant] de rekening niet hebben geopend omdat zij sinds 2020 onder bewind staat en alleen de beschermingsbewindvoerder daartoe bevoegd is. De persoon die de bankrekening heeft geopend, wist kennelijk niet van het bewind. [appellant] heeft er binnen haar bereik alles aan gedaan om aan te tonen dat zij de Revolutrekening niet heeft geopend. Zij heeft de beschermingsbewindvoerder meteen gemeld dat het niet haar bankrekening is en gevraagd in verweer te gaan bij ABN AMRO, meermaals Revolut om opheldering gevraagd en aangifte gedaan van identiteitsfraude. Ook haar advocaat heeft aanhoudend de beschermingsbewind-voerder en Revolut aangeschreven. Meer kan niet worden verlangd. Omdat [appellant] geen weet had van de bankrekening en dus evenmin heeft verzuimd de bewindvoerder daarover te informeren, moet haar alsnog de schone lei worden verleend, aldus steeds [appellant] .
2.2.
De bewindvoerder heeft in hoger beroep, voor zover van belang, desgevraagd verklaard dat het onmogelijk is om uit te zoeken of er met betrekking tot de bankrekening identiteitsfraude is gepleegd en dat het aan het hof is om hierover te oordelen.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. Bij vonnis van de rechtbank van 17 juni 2022 is de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op [appellant] . Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) te worden beoordeeld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsanerings-regeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze beoordeling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatieverplichting niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Op de schuldenaar rust de verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing dient te blijven.
2.4.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Vast staat dat op naam van [appellant] op 24 juli 2024 een bankrekening is geopend bij Revolut, een internationale bank die via een betaalapp bankdiensten aanbiedt. Op overgelegde bankafschriften behorende bij deze rekening staan gegevens van [appellant] vermeld zoals haar geboortedatum, telefoonnummer, e-mailadres en woonadres. [appellant] heeft niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist dat al deze gegevens juist zijn. In de periode waarop de bankafschriften zien, te weten 12 mei 2025 tot en met 12 augustus 2025, hebben veel transacties met betrekking tot deze rekening plaatsgevonden. Voorts staat vast dat de bewindvoerder pas van het bestaan van deze bankrekening op de hoogte is geraakt door de brief van ABN AMRO van 31 juli 2025 nadat hij bij e-mail van 4 augustus 2025 door de beschermingsbewindvoerder hierop werd geattendeerd.
2.5.
Mocht [appellant] betrokken zijn geweest bij het openen en het gebruik van de bankrekening, dan is zij haar verplichtingen niet nagekomen door de bewindvoerder niet al eerder spontaan, dus uit eigen beweging, over de bankrekening in te lichten. Gegeven het feit dat de rekening is geopend op naam van [appellant] met gebruikmaking van haar persoonlijke gegevens, is de te beantwoorden vraag aldus of [appellant] voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat zij niet betrokken is geweest bij het openen van de bankrekening en de daarop verrichte transacties.
2.6.
[appellant] stelt dat zij
allesbinnen haar macht heeft gedaan om aan te tonen dat zij niets met de bankrekening van doen heeft en dat verder niets van haar kan worden verlangd. Deze stelling strookt evenwel niet met de omstandigheid dat [appellant] hierover niet, althans niet aantoonbaar, contact heeft gezocht met haar ex-partner, [naam 3] , met wie zij heeft samengewoond. Dit laatste had in redelijkheid van [appellant] mogen worden verwacht aangezien op de bankafschriften bij de Revolutrekening een aantal malen de naam van [naam 3] voorkomt bij transacties wat [appellant] zelf opvallend noemt, en [appellant] - naar eigen zeggen - rekening hield met de mogelijkheid dat [naam 3] de bankrekening bij Revolut op [appellant] naam heeft geopend en zodoende dus de identiteitsfraude heeft gepleegd. In het licht van een te verkrijgen schone lei had van [appellant] mogen worden verwacht dat zij voortvarend en aantoonbaar contact met voornoemde [naam 3] zou hebben gezocht om haar hierover te bevragen (wat overigens niet hetzelfde is als beschuldigen zonder bewijs). Het voldoende aannemelijk maken dat [naam 3] de bankrekening zonder wetenschap van [appellant] heeft geopend, ondersteunt immers [appellant] eigen stelling dat zij het niet is geweest die deze bankrekening heeft geopend. [appellant] heeft desgevraagd eerst ter zitting van het hof verklaard dat zij [naam 3] wel heeft gebeld, maar dat [naam 3] meteen zou hebben opgehangen omdat zij niet langer met elkaar op goede voet zouden staan. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat [appellant] haar heeft gebeld. [appellant] heeft vervolgens desgevraagd verklaard dat zij [naam 3] geen e-mail of ander bericht heeft gestuurd en als reden daarvoor opgegeven dat [naam 3] haar heeft geblokkeerd. Ook als [appellant] zou zijn geblokkeerd, hetgeen op geen enkele wijze is gebleken, of als [naam 3] berichten van [appellant] zou hebben genegeerd, lag het nog op [appellant] weg om ten minste pogingen te doen [naam 3] aan te schrijven en daarvan schriftelijk bewijs over te leggen. In ieder geval had zij [naam 3] een sms-bericht kunnen sturen. En anders had [appellant] kunnen proberen om op andere manieren met [naam 3] in contact te komen, bijvoorbeeld in persoon of via gezamenlijke kennissen dan wel haar advocaat. Dit alles heeft [appellant] echter niet of onvoldoende aantoonbaar gedaan. Reeds zo beschouwd, heeft [appellant] dus niet alles gedaan wat binnen haar macht lag om aannemelijk te maken dat zij niets met de bankrekening van Revolut van doen heeft. Overigens acht het hof het onbegrijpelijk dat [appellant] heeft verzuimd in de aangifte van identiteitsfraude van 10 oktober 2025 melding te maken van de e-mail van 9 oktober 2025 van Revolut Klantenservice aan [appellant] waarin onder meer staat dat na controle er geen frauduleus gebruik van de identiteit in de administratie is gevonden. De in algemene bewoordingen gedane mededeling dat Revolutbank volgens [appellant] bekend zou staan als "fraudebank nummer 1" zonder enige concrete en specifieke onderbouwing doet aan voornoemde melding van Revolut Klantenservice niet af.
2.7.
Onverminderd het voorgaande is evenmin door [appellant] aangetoond dan wel door haar voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] contact heeft opgenomen met een juwelier die - blijkens op de bankafschriften vermelde transacties - twee grote betalingen, te weten van € 14.500,- op 25 juli 2025 en € 9.500,- eveneens op 25 juli 2025, heeft overgeboekt naar de Revolutrekening. Op de vraag of [appellant] contact met deze juwelier heeft opgenomen om te informeren naar de achtergrond van deze betalingen, antwoordde [appellant] dat zij de juwelier heeft gebeld en te horen kreeg dat geen informatie kon worden gegeven, wederom zonder overlegging van stukken die aantonen dat dit telefoongesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ook is niet gebleken dat [appellant] op andere wijze contact heeft gezocht met de desbetreffende juwelier. Het hof kan bij gebreke van nadere informatie dus niet vaststellen dat [appellant] enige poging heeft ondernomen om in contact te komen met de juwelier of met [naam 3] .
2.8.
[appellant] heeft voorts gesteld dat zij de bankrekening niet kán hebben geopend, omdat zij onder bewind staat en als zodanig in het bewindregister staat vermeld. Deze stelling treft geen doel. Daaruit volgt immers dat het dan ook voor een derde in beginsel niet mogelijk zou zijn geweest om een bankrekening te openen op naam van [appellant] . De omstandigheid dat [appellant] onder bewind staat, heeft de feitelijke opening van de bankrekening kennelijk niet belemmerd.
2.9.
Uit het voorgaande volgt dat [appellant] per saldo onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om te komen tot het oordeel dat zij alles binnen haar macht heeft gedaan om aannemelijk te maken dat zij niets met de bankrekening van doen heeft en dat zij dus niet betrokken is geweest bij het openen en het gebruik van de op haar naam gestelde bankrekening bij Revolut. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat [appellant] betrokkenheid heeft gehad bij de hiervoor genoemde betalingen aan de Revolutrekening en daarmee heeft getracht gelden buiten het zicht van de bewindvoerder te houden. Al hetgeen meer of anders door [appellant] is aangevoerd kan in redelijkheid niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij tekent het hof nog aan dat, zoals ook op de zitting van het hof naar voren kwam, IP-adressen kunnen worden gewijzigd en dat reeds daarom de op 9 december 2025 ingediende producties 8 en 9 van onvoldoende gewicht zijn en evenmin tot een ander oordeel kunnen leiden.
2.10.
Dat betekent dat [appellant] is tekortgeschoten in haar verplichting om de bewindvoerder van de bankrekening op de hoogte te stellen en dat hierdoor gelden buiten het zicht van de bewindvoerder zijn gehouden. Het niet verstrekken van deze inlichtingen vormt een voldoende aanwijzing dat bij [appellant] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Deze tekortkoming die niet van geringe betekenis is, is zodanig ernstig dat de beëindiging van de schuldsanering, met alle daaraan verbonden gevolgen voor [appellant] , gerechtvaardigd is.
2.11.
De slotsom is dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, M.L.D. Akkaya en N.J. Huurdeman en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.