ECLI:NL:GHAMS:2025:3629

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.341.953
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van bestuurder van een failliete aannemer voor schade door onvoltooid werk

In deze zaak heeft de opdrachtgever een aannemingsovereenkomst gesloten met een bouwbedrijf voor de realisatie van een dakopbouw. Na betaling van 70% van de aanneemsom heeft het bouwbedrijf de werkzaamheden gestaakt en is het failliet verklaard. De opdrachtgever heeft de bestuurder van het bouwbedrijf aangesproken voor schadevergoeding op basis van onrechtmatige daad. De rechtbank heeft de bestuurder aansprakelijk gesteld en een schadevergoeding toegewezen. In hoger beroep heeft het hof de aansprakelijkheid bevestigd, maar het schadebedrag verlaagd. Het hof oordeelt dat de bestuurder wist of had moeten begrijpen dat de handelwijze van het bouwbedrijf zou leiden tot het niet nakomen van verplichtingen en dat er geen verhaal zou zijn voor de schade. Het hof heeft de schade begroot op € 44.995,61, te vermeerderen met wettelijke rente, en de proceskosten toegewezen aan de opdrachtgever.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (AOF)
zaaknummer : 200.341.953/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/334005 / HA ZA 22-700
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant],
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,
appellant,
advocaat: mr. M.W. Fakiri te 's-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.J. van de Leur te Haarlem.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] was in het voor dit geding relevante tijdvak bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . (hierna: [bedrijf 1] ). [geïntimeerde] heeft met [bedrijf 1] een aannemingsovereenkomst gesloten voor een dakopbouw voor een bedrag van € 47.493,71. [geïntimeerde] heeft 70% van de aanneemsom aanbetaald. Kort na aanvang van de werkzaamheden heeft [bedrijf 1] de werkzaamheden gestaakt. Zij was vervolgens onbereikbaar voor [geïntimeerde] en heeft de werkzaamheden onvoltooid achtergelaten waardoor bij [geïntimeerde] schade is ontstaan. [bedrijf 1] is niet lang daarna gefailleerd. [geïntimeerde] heeft [appellant] als bestuurder van [bedrijf 1] uit onrechtmatige daad aangesproken voor de schadelijke handelwijze van [bedrijf 1] . De rechtbank heeft [appellant] aansprakelijk geoordeeld en een bedrag van € 50.006,34 aan schadevergoeding toegewezen. Het hof wijst een bedrag van € 45.237,61 aan schadevergoeding toe.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 17 januari 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 31 mei 2023 en 18 oktober 2023 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, voor zover onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: de bestreden vonnissen). In eerste aanleg was ook [bedrijf 1] gedaagde partij. De procedure tegen deze partij is geschorst vanwege haar faillissement op 20 december 2022.
Bij tussenarrest van 18 juni 2024 is een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. Deze zitting heeft geen doorgang gevonden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord, met producties.
Tijdens de mondelinge behandeling van 15 september 2025 is de zaak voor [appellant] toegelicht door mr. Fakiri voornoemd en voor [geïntimeerde] door mr. Van de Leur voornoemd, ieder aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] vordert de bestreden vonnissen (gedeeltelijk) te vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen voor zover deze door de rechtbank zijn toegewezen, en voor het overige de bestreden vonnissen te bekrachtigen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
[appellant] was in het voor dit geding relevante tijdvak bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] .
3.3.
Op 28 juni 2022 heeft [bedrijf 1] aan [geïntimeerde] een offerte uitgebracht voor de bouw van een nokverhoging van de woning van [geïntimeerde] , inclusief onder meer kozijnen, ter realisatie van een extra woonverdieping voor een totaalbedrag van € 47.493,71. Deze offerte heeft [geïntimeerde] op 29 juni 2022 geaccepteerd.
3.4.
Op 19 juli 2022 heeft [bedrijf 1] een eerste aanbetaling van € 18.997,48 aan [geïntimeerde] in rekening gebracht. Dit bedrag is op 20 juli 2022 voldaan. Op 24 juli 2022 is een tweede aanbetaling van € 14.248,13 in rekening gebracht. Dit bedrag heeft [geïntimeerde] op 26 juli 2022 voldaan.
3.5.
Van 25 juli 2022 tot en met 28 juli 2022 heeft [bedrijf 1] aan de woning van [geïntimeerde] werkzaamheden verricht ter voorbereiding van de plaatsing van de nokverhoging. Daarbij heeft zij een steiger geplaatst, dakpannen van een deel van het dak verwijderd en zeil aangebracht. Daarna zijn de werkzaamheden gestaakt.
3.6.
Tussen 27 juli 2022 en 29 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] via whatsapp meerdere malen aan [naam 1] , de voorman van [bedrijf 1] , gevraagd wanneer de werkzaamheden worden voortgezet. Op één bericht van 9 augustus 2022 na, waarin [naam 1] schrijft dat er niet gewerkt wordt vanwege de bouwvak en hij de toezegging doet langs te komen – die niet is nagekomen – zijn de berichten van [geïntimeerde] niet beantwoord.
3.7.
Op 17 augustus 2022 heeft [geïntimeerde] via whatsapp [bedrijf 1] gewaarschuwd dat er regen wordt verwacht en dat er een oplossing voor het dak moet komen om schade te voorkomen.
3.8.
Op 30 augustus 2022 heeft [naam 2] van [bedrijf 1] in een e-mail aan [geïntimeerde] geschreven dat “deze week nog” een afspraak gemaakt zal worden. Ook die toezegging is niet nagekomen.
3.9.
In een algemene e-mail van 2 september 2022 heeft [bedrijf 1] aan haar klanten geschreven dat er problemen zijn, maar dat zij op korte termijn in persoon contact met de klanten zal opnemen.
3.10.
Bij brief van 6 september 2022 heeft [geïntimeerde] [bedrijf 1] in gebreke gesteld wegens tekortschieten in de uitvoering van de werkzaamheden en [bedrijf 1] in de gelegenheid gesteld binnen één week de werkzaamheden voort te zetten en deze binnen één maand op deugdelijke wijze te voltooien. Daarnaast heeft [geïntimeerde] in deze brief [bedrijf 1] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade.
3.11.
Bij brief van 27 september 2022 heeft [geïntimeerde] [bedrijf 1] tevens uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld voor de schade en [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid.
3.12.
Bij brief van 30 september 2022 aan [bedrijf 1] heeft [geïntimeerde] de aanneemovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, terugbetaling gevorderd van de vooruitbetaalde bedragen ad € 33.245,61 en vergoeding gevorderd van de geraamde schade ter hoogte van € 12.000,-.
3.13.
Op 3 oktober 2022 heeft [geïntimeerde] een bouwkundig onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf 2] . Bij dat bouwkundig onderzoek is de schade opgenomen en een calculatie gemaakt voor het herstel van de ontstane schades, realiseren van de nokverhoging, aanbrengen van dakpannen en aanbrengen van een vloer op de zolder. De calculatie heeft [bedrijf 2] zoveel mogelijk afgestemd op de aanwezige gegevens van de offerte en de kosten voor herstel van de ontstane schades.
De calculatie voor de uit te voeren werkzaamheden luidt als volgt:

Uit te voeren werkzaamheden:
  • Verwijderen van bestaande aangetaste houten vloer van de zolder. € 2.000,-
  • Plaatsen van een robuuste houten vloer op zolder. € 3.500,-
  • Aanbrengen dekvloer. € 3.000,-
  • Verwijderen van het aangetaste spaanplaat dakbeschot. € 2.500,-
  • Verwijderen van een deel van de gordingen en opmetselen van woning
scheidende wanden op hoogte van de nokverhoging en aanbrengen
van gordingen. € 5.000,-
  • Aanbrengen geïsoleerd dakbeschot. € 6.500,-
  • Aanbrengen nieuwe panlatten. € 1.500,-
  • Aanbrengen nieuwe dakpannen. € 6.000,-
  • Aanbrengen isolatie en buiten en binnenbetimmeringen van de
nokverhoging. € 4.000,-
  • Aanbrengen nieuwe kunststof kozijnen met HR++ glas. € 15.000,-
  • Aanbrengen aangepaste elektra en cv installaties en doorvoeren. € 2.000,-
  • Aanbrengen nieuwe laminaatvloer op de zolder. € 2.500,-
  • Verwijderen steigers en ladderlift. € 1.500,-
  • Post onvoorzien. € 6.000,-
Totaal € 61.000,-
De calculatie voor schadeposten luidt als volgt:

Schadekosten door nalatigheid van aannemer (waterschade en aantasting dak):
  • Vervangen spaanplaat dakbeschot. (is begroot in bovenstaande) € 6.500,-
  • Vervanging huidige houten zoldervloer. (is begroot in bovenstaande) € 3.500,-
  • Herstel van stucwerk op de eerste etage aan de achterzijde. € 650,-
  • Vervangen van de kantlatten langs het raamkozijn in de slaapkamer
aan de achterzijde. € 600,-
  • Herstel schilderwerk € 750,-
  • Vergoeding kosten noodmaatregelen € 250,-
  • Vergoeding kosten nieuw zeil € 1.000,-
  • Schade inventaris/inboedel/((rol)gordijnen e.d.) € 1.000,-
De kosten voor herstel / vervanging voor bovenstaande schades bedragen circa € 14.250,-
Het rapport bevat acht foto’s waarop te zien is: een met zeil afgedekt dak, dakbeschot met vochtplekken en vochtschade bij diverse kozijnen op (een) lager gelegen verdieping(en).
3.14.
In een nadere toelichting van [bedrijf 2] heeft de bouwkundige geschreven, voor zover hier van belang:

(…)
€ 7.500 voor afvoeren materiaal en een oude ladderlift en dito steiger is buiten proporties.
(…)
De spaanplaat delen moesten worden vervangen omdat deze compleet verzadigd waren door het slecht en niet waterdichte bouwzeil. Hierdoor zijn de spaanplaat delen vochtig (nat!!!) geworden waardoor er geen verband in het spaanplaat zat en door het eigen toegenomen gewicht van de inwatering al bijna bezweek. Herstel van nat geworden / doorweekt spaanplaat is onmogelijk.
(…)
Kosten voor kunststof kozijnen zijn € 1.000,- tot € 1.200,- per m2 (met HR++ glas), gezien een dakopbouw circa 12 tot 15 meter kozijnoppervlak heeft is € 15.000,- zeer goed verdedigbaar. (…)
dit is een bijzonder slecht gepland project. Uiteraard kan er een bui vallen en moet een dak dat open ligt worden afgedekt maar elke aannemer weet dat je een leeg geraapt dak niet (en zeker niet met bouwzeil dat vol met gaten zit) dagen kan laten zitten zonder dat er schade ontstaat.
3.15.
In de periode november en december 2022 is er in diverse lokale en digitale media geschreven over [bedrijf 1] . In die berichtgeving komen onder meer klanten aan het woord die stellen dat zij duizenden euro’s aan [bedrijf 1] aanbetaalden, maar dat het werk niet werd afgemaakt. In een artikel van 21 december 2022 is bericht over het faillissement van [bedrijf 1] en heeft de curator ten behoeve van zijn onderzoek klanten opgeroepen zich bij hem te melden.
3.16.
De curator in het faillissement van [bedrijf 1] heeft onderzoek gedaan naar het handelen van [bedrijf 1] en de rol van [appellant] daarin. De curator heeft zijn bevindingen als volgt verwoord:

1. Sinds het faillissement van [bedrijf 1] hebben 105 crediteuren van [bedrijf 1] , voornamelijk particulieren, zich gemeld bij de curator. Zij stellen
gedupeerd te zijn en velen van hen hebben aangifte gedaan van onder meer
horizontale fraude. Ook de curator heeft melding en aangifte faillissementsfraude
gedaan, welke dossier thans in onderzoek is bij het Functioneel Parket en de FIOD.
2. De curator heeft geconstateerd dat bij [bedrijf 1] sprake is van een bestendig
patroon, waarbij [appellant] en [naam 3] moedwillig klanten hebben gedupeerd door
grote aanbetalingen te laten doen en kort na aanvang van de werkzaamheden niet
meer thuis te geven. Daarnaast heeft de curator geconstateerd dat sprake is van: 1)
verdwenen activa ter hoogte van € 34.829,00, 2) een paulianeuze overboeking van
een bedrag ter hoogte van € 15.842,00 en 3) onverantwoorde onttrekkingen ter
hoogte van € 848.257,73.
3. Dit patroon alsmede het verdichten van lasten, het onttrekken van
vermogensbestanddelen en het niet betalen van leveranciers, heeft ertoe geleid dat
[bedrijf 1] tijdens haar korte levensduur een aanzienlijke schuldenlast van € 3.068.579,58 heeft opgebouwd. Een en ander met het gevolg dat het verhaal van
haar schuldeisers is gefrustreerd en zij uiteindelijk failliet is verklaard.
4. Tevens heeft de curator geconstateerd dat, naast [bedrijf 1] , ook [bedrijf 1]
[bedrijf 1] en Badinstallaties, instrumenteel zijn geweest aan het patroon van lasten
verdichten en frustratie van verhaal, Zo volgt uit administratie dat [bedrijf 1]
aanzienlijk bedragen, onder de noemer van 'lening', heeft overgemaakt naar [bedrijf 1]
, voor een bedrag van € 134.767,00 en naar Badinstallaties, voor een
bedrag van € 323.474,00.
5. De geconstateerde onregelmatigheden ter zake [bedrijf 1] betreffen - kort
gezegd - de volgende: Schending van inlichtingen- en informatieplicht ex artikel 105
jo 106 Fw;
a. Schending administratieplicht ex art. 2:10 BW;
b. In strijd handelen met statuten;
c. Paulianeus handelen;
d. Buitensporige en onverantwoorde onttrekkingen;
e. Onttrekken van vermogensbestanddelen aan de boedel.
6. Uit verhaalsonderzoek van onder meer de fiscus en openbare bronnen blijkt dat [appellant]
[appellant] beschikt over twee onroerende zaken, terwijl [appellant] maar zeer beperkt
verhaal biedt. Om deze reden is nader onderzoek verricht naar de geconstateerde
onttrekkingen ter hoogte van € 848.257,90 en de geldstromen naar de bovenliggende
gelieerde vennootschappen, te weten Compleet Administratie BV en Compleet Huis
BV.
7. Uit dit nader verhaalsonderzoek is gebleken dat de directe familieleden van [appellant]
en [naam 3] niet alleen in de periode 2021-2022 zes onroerende zaken hebben
gekocht voor een waarde van in totaal € 2.145.000,00, maar ook ontvingen de
familieleden aanzienlijke bedragen per bank en werden contanten opgenomen. In
totaal gaat het om een bedrag ter hoogte van € 625.079,96.
Wat de curator vermoedt, is dat de gelden afkomstig van onder meer [bedrijf 1]
zijn weggesluisd naar gelieerde vennootschappen en bovenstaande personen. [naam 4]
is bewust 'ridder te voet' gehouden, doch dat dit niet meer is dan een papieren
werkelijkheid.
(…)
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de curator in september 2024 een civiele procedure aanhangig gemaakt tegen [appellant] .

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft [geïntimeerde] bij de rechtbank jegens [appellant] gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(i) voor recht te verklaren dat [appellant] uit hoofde van onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid) aansprakelijk is jegens [geïntimeerde] voor de schade die [bedrijf 1] heeft doen ontstaan bij [geïntimeerde] ;
(ii) [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 52.933,58, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag;
(iii) [appellant] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Na het tussenvonnis van 31 mei 2023 heeft nadere bewijslevering plaatsgevonden. Op basis daarvan heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 18 oktober 2023 voor recht verklaard dat [appellant] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens [geïntimeerde] voor de schade die [bedrijf 1] heeft doen ontstaan bij [geïntimeerde] . Daarnaast is [appellant] veroordeeld tot betaling van € 50.006,33, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 november 2022 en tot betaling van de proceskosten, met wettelijke rente.

5.Beoordeling

5.1.
De procedure tegen [bedrijf 1] is geschorst vanwege haar faillissement. Het hof gaat in dit arrest ervan uit dat [bedrijf 1] aansprakelijk is jegens [geïntimeerde] . Deze aansprakelijkheid is tussen [appellant] en [geïntimeerde] ook niet in geschil.
Bestuurdersaansprakelijkheid [appellant] ?
5.2.
[appellant] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . Voor de aansprakelijkheid van [appellant] naast de vennootschap is vereist dat zijn handelen of nalaten als bestuurder van [bedrijf 1] ten opzichte van de schuldeiser, in dit geval [geïntimeerde] , in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat [appellant] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [bedrijf 1] tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade van [geïntimeerde] .
5.3.
De door [appellant] bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [bedrijf 1] waar het hier om gaat is volgens [geïntimeerde] dat de vennootschap met een onjuiste voorstelling van zaken [geïntimeerde] bewoog tot betaling van hoge aanbetalingen om vlak na de start van de verbouwingswerkzaamheden het project te staken.
5.4.
Het hof moet eerst beoordelen of deze handelwijze zich heeft voorgedaan. Naar het oordeel van het hof is dat het geval. Het hof gaat voorbij aan het betoog van [appellant] dat geen hoge aanbetalingen zijn geëist die niet eerder waren afgesproken en dat [geïntimeerde] vrijwillig met de aanbetalingen heeft ingestemd. Waar het in deze zaak om gaat is dat [geïntimeerde] ten aanzien van deze aanbetalingen heeft gesteld, en [appellant] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat [geïntimeerde] door [bedrijf 1] is voorgehouden dat om snel te kunnen handelen, kozijnen te kunnen afnemen en de opbouw snel te kunnen realiseren, deze aanbetalingen nodig waren. [geïntimeerde] kreeg na acceptatie van de offerte, nog vóór aanvang van de werkzaamheden, een factuur voor een eerste aanbetaling. De factuur die [geïntimeerde] ontving voor de eerste aanbetaling bedroeg in eerste instantie 70% van de overeengekomen aanneemsom. Omdat [geïntimeerde] daartegen bezwaar heeft gemaakt, is het bedrag van deze factuur aangepast naar 40% van de aanneemsom. De factuur voor de tweede aanbetaling, ter grootte van 30% van de aanneemsom, volgde al snel daarna, op het moment dat [bedrijf 1] nét een eerste begin had gemaakt met voorbereidende (sloop)werkzaamheden bij de woning van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft gesteld, en mede gelet op wat hierna wordt overwogen in 5.7 heeft [appellant] onvoldoende betwist, dat met hetgeen [geïntimeerde] is voorgehouden over de aanbetalingen een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven, in die zin dat anders dan [geïntimeerde] is voorgehouden deze aanbetalingen niet daadwerkelijk zouden worden aangewend om, kort gezegd, de opbouw snel te kunnen realiseren. Bij het oordeel dat [appellant] het betoog van [geïntimeerde] onvoldoende heeft betwist, zodat het hof als vaststaand moet beschouwen dat [bedrijf 1] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven aan [geïntimeerde] , heeft het hof ook in ogenschouw genomen dat ook naar eigen zeggen van [appellant] na aanvang van het project aan [geïntimeerde] is gevraagd nóg een aanbetaling van 30% te doen, dat kort na de aanbetalingen de werkzaamheden bij [geïntimeerde] zijn gestaakt, dat uit de door [appellant] overgelegde stukken en gegeven toelichting over verrichte werkzaamheden en de aanschaf van materialen niet volgt dat daarvoor dusdanige hoge aanbetalingen noodzakelijk waren, en dat [geïntimeerde] heeft gesteld, en [appellant] niet voldoende heeft betwist, dat enkele maanden later, na het faillissement van [bedrijf 1] dat was aangevraagd door vier leveranciers van materialen, zelfs in het geheel geen voorraden zijn aangetroffen. Dat [bedrijf 1] heeft betaald voor de materialen die beweerdelijk voor het werk van [geïntimeerde] zijn aangeschaft en wanneer zij dat heeft gedaan, heeft [appellant] ook onvoldoende concreet toegelicht, hoewel deze informatie zich in zijn domein bevindt.
5.5.
[appellant] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij binnen [bedrijf 1] de regie voerde. Daarmee staat voldoende vast dat [appellant] als bestuurder nauw bij de uitvoering van het project van [geïntimeerde] betrokken was en dus van de voormelde onjuiste voorstelling van zaken van [bedrijf 1] op de hoogte was. Aan dit oordeel doet niet af dat volgens [appellant] [geïntimeerde] in de buitengerechtelijke fase nooit heeft gezegd dat sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken.
5.6.
De volgende vraag is of [appellant] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat deze door hem als bestuurder bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [bedrijf 1] zou meebrengen dat de vennootschap (i) haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] niet zou nakomen en (ii) ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. [geïntimeerde] stelt dat dit het geval is. Hij onderbouwt dat onder meer met de stelling dat het geven van een onjuiste voorstelling van zaken, en het vervolgens niet nakomen door [bedrijf 1] van haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] , onderdeel was van een plan om [geïntimeerde] moedwillig te duperen. Hierover oordeelt het hof als volgt.
Ad (i)
5.7.
Op het moment dat de werkzaamheden werden gestaakt, had [geïntimeerde] van de totale aanneemsom van € 47.493,71 ruim € 33.000,- aan [bedrijf 1] betaald. [appellant] beroept zich op een crisissituatie – bestaande uit problemen met andere klanten dan [geïntimeerde] die de pers zochten – ter verklaring van het staken van de werkzaamheden. De eerste twee aanbetalingen heeft [bedrijf 1] echter op 20 en 26 juli 2022 ontvangen. De gestelde crisissituatie waar [appellant] op doelt was van latere datum, namelijk eind augustus of begin september. Deze crisissituatie verklaart het uitblijven van de verdere werkzaamheden bij [geïntimeerde] zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook overigens niet, temeer omdat [geïntimeerde] al aanzienlijke aanbetalingen had gedaan. Ook andere klanten deden dergelijke aanbetalingen, zo heeft [geïntimeerde] naar voren gebracht en heeft [appellant] niet voldoende weersproken. Dit maakt het eens te meer onbegrijpelijk waarom de gestelde crisissituatie tot gevolg zou moeten hebben dat het werk bij [geïntimeerde] niet kon worden voortgezet; het daarvoor benodigde geld was immers binnen en kon aan dat werk worden besteed. Ook het beroep van [appellant] op de bouwvak kan niet verklaren waarom sinds 28 juli 2022 in het geheel niet meer is gewerkt voor [geïntimeerde] . Gelet op de hoogte van het voorschot is het argument van [appellant] dat de aanbetalingen van [geïntimeerde] zijn gebruikt ter dekking van bepaalde kosten evenmin toereikend, temeer nu de waarde van het uitgevoerde werk door [appellant] wordt geschat op € 7.500,-. Het argument van [appellant] dat werkzaamheden uit het bestek waren verricht en dat een percentage van de aanbetaling was verbruikt voor de gemaakte kosten en nog te maken kosten, verklaart in elk geval niet waarom de werkzaamheden bij [geïntimeerde] kort na aanvang zijn gestaakt en waarom na het faillissement in het geheel geen voorraden zijn aangetroffen, zoals hiervoor reeds is overwogen. De slotsom van het voorgaande is dat [appellant] onvoldoende heeft weersproken dat er een plan was om [geïntimeerde] moedwillig te duperen, waarvan onderdeel was dat [bedrijf 1] haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] niet zou nakomen, en dat [appellant] dat – mede gelet op wat in 5.4 en 5.5 hiervoor is overwogen – wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen.
Ad (ii)
5.8.
Dit plan om [geïntimeerde] moedwillig te duperen bracht ingevolge de stellingen van [geïntimeerde] ook mee dat de vennootschap geen verhaal zou bieden en dat [appellant] ook dat wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen. [appellant] heeft ook dat onvoldoende weersproken. Het lag op zijn weg om toe te lichten en met bewijsstukken te onderbouwen dat hij mocht menen dat [bedrijf 1] niettemin over voldoende middelen beschikte en verhaal zou bieden voor de schade. Een toereikende verklaring op dit punt heeft [appellant] echter niet gegeven. In dit verband is verder van belang dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat sprake was van grote onttrekkingen bij [bedrijf 1] door verschillende betalingen die zijn gedaan. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van deze stelling verwezen naar de bevindingen van de curator (zie 3.16 hiervoor). [appellant] heeft weliswaar verklaringen gegeven voor deze betalingen, en aangevoerd dat het uitgaven in de normale bedrijfsvoering betroffen, maar zelfs als dat juist is, weerspreekt dat het betoog van [geïntimeerde] niet dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor zijn schade en dat [appellant] dat wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen. Dat de vennootschap geen verhaal zou bieden, is later overigens bevestigd door het op 20 december 2022 uitgesproken faillissement van [bedrijf 1] .
5.9.
Ondanks hetgeen [appellant] als bestuurder van [bedrijf 1] wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen, zoals hiervoor toegelicht, heeft [appellant] niet ingegrepen. Daarmee heeft hij bewerkstelligd of toegelaten dat [bedrijf 1] haar contractuele verplichtingen jegens [geïntimeerde] niet nakwam met grote schade voor [geïntimeerde] tot gevolg.
5.10.
Op basis van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het handelen, althans nalaten van [appellant] als bestuurder van [bedrijf 1] ten opzichte van [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [appellant] is uit dien hoofde aansprakelijk jegens [geïntimeerde] voor de schade die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank [appellant] terecht aansprakelijk heeft geoordeeld. De grieven 1 tot en met 7 missen doel. Zij hoeven bij gebrek aan belang geen afzonderlijke behandeling omdat dit niet alsnog tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] kan leiden.
Causaal verband en schade
5.11.
Om vast te kunnen stellen welke schade het gevolg is van het hiervoor vastgestelde onrechtmatig handelen van [appellant] moet een vergelijking worden gemaakt tussen de daadwerkelijke vermogenssituatie waarin [geïntimeerde] zich als gevolg van dat onrechtmatig handelen bevindt en de hypothetische situatie
zonderdat onrechtmatig handelen van [appellant] .
5.12.
Zonder het onrechtmatig handelen van [appellant] zou [bedrijf 1] de aannemingsovereenkomst voor het realiseren van de dakopbouw hebben uitgevoerd en zou [geïntimeerde] daarvoor € 47.493,71 hebben betaald.
5.13.
In de feitelijke situatie heeft [geïntimeerde] allereerst 70% van de aanneemsom, te weten een bedrag van € 33.245,61, aan [bedrijf 1] betaald.
5.14.
Daarnaast heeft [geïntimeerde] de schade moeten laten herstellen die [bedrijf 1] met haar handelen aan de woning van [geïntimeerde] heeft toegebracht, onder meer doordat dakpannen van een deel van het dak waren verwijderd en slechts een zeil was aangebracht waarna lekkages ontstonden. Bij dergelijke zaakschade is uitgangspunt dat deze abstract wordt begroot. In lijn daarmee heeft de rechtbank conform het bouwkundig rapport van [bedrijf 2] de kosten van herstel geraamd op € 14.250,-. In die raming is onder meer een bedrag van in totaal € 10.000,- opgenomen voor vervanging van spaanplaat en van de houten zoldervloer. Tegenover de betwisting van [appellant] dat de noodzaak van vervanging van spaanplaat en van de houten zoldervloer niet zou zijn gebleken, heeft [geïntimeerde] met een verklaring van de bouwkundige [bedrijf 2] nader onderbouwd dat herstel niet mogelijk en vervanging dus noodzakelijk was (zie ook 3.14 hiervoor), zodat de kosten daarvoor terecht in de raming van [bedrijf 2] zijn opgenomen. Ook de noodzaak van plaatsing van een nieuw zeil door [geïntimeerde] , welke noodzaak [appellant] in twijfel heeft getrokken, heeft [geïntimeerde] onderbouwd door middel van foto’s, de calculatie van bouwkundige [bedrijf 2] en een bevestiging van een aannemer die [geïntimeerde] heeft geholpen de woning van [geïntimeerde] weer bewoonbaar te maken. Zodoende gaat het hof aan deze betwisting van [appellant] voorbij en worden de kosten van herstel geraamd op € 14.250,-.
5.15.
Ten slotte heeft [geïntimeerde] de dakopbouw alsnog moeten laten realiseren, nu [bedrijf 1] dat niet heeft gedaan. Het hof begroot deze schade abstract, omdat het werk uiteindelijk niet is uitgevoerd zoals dat in het oorspronkelijke plan voorzien was. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij vanwege het feit dat hij de aanbetaling van € 33.245,61 aan [bedrijf 1] heeft voldaan zonder dat daar een noemenswaardige prestatie tegenover heeft gestaan, niet meer de middelen had om de verbouwing te realiseren zoals deze oorspronkelijk beoogd was. [appellant] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.
5.16.
Voor de abstracte begroting sluit het hof aan bij het bedrag dat [bedrijf 1] voor het uitvoeren van de werkzaamheden had begroot. Gelet op het korte tijdverloop tussen het moment van de offerte van [bedrijf 1] en het moment waarop [geïntimeerde] een ander in de arm heeft genomen om zijn woning weer bewoonbaar te maken, ziet het hof geen grond om aan te nemen dat het alsnog uitvoeren van de werkzaamheden méér zou kosten dan de € 47.493,71 die [bedrijf 1] voor het realiseren van de dakopbouw had geoffreerd. De post ‘extra kosten van derden’ van € 3.506,29 is daarom niet toewijsbaar. [geïntimeerde] heeft ook geen omstandigheden aangevoerd die het oordeel rechtvaardigen dat de kosten in de tussentijd (sterk) zijn gestegen. Evenmin heeft [geïntimeerde] overtuigend toegelicht dat een verhoging met € 6.000,- als ‘post onvoorzien’ nodig zou zijn. In zoverre klaagt grief 11 terecht over de toewijzing van deze posten door de rechtbank. Het hof begroot de kosten van het alsnog uitvoeren van de verbouwingswerkzaamheden gelet op het voorgaande op € 47.493,71. Mede omdat wordt uitgegaan van een totaalbedrag gelijk aan de offerte van [bedrijf 1] , bestaat onvoldoende belang bij een (verdere) beoordeling van de prijs van de afzonderlijke werkzaamheden, anders dan [appellant] bij de grieven 10 en 11 aan de orde stelt.
5.17.
Op het hiervoor genoemde bedrag van € 47.493,71 komt in mindering de waarde van de voorbereidings- en sloopwerkzaamheden zoals die door [bedrijf 1] zijn verricht. De rechtbank heeft de waarde daarvan geschat op € 2.500,-. [appellant] klaagt erover dat de rechtbank heeft miskend dat die werkzaamheden een waarde van € 7.500,- vertegenwoordigden. [appellant] verwijst daarvoor naar de verrichte werkzaamheden, zoals onder meer opgesomd in de conclusie van antwoord. Er is echter geen enkel concreet aanknopingspunt dat met deze beperkte werkzaamheden een hoger bedrag dan € 2.500,- gemoeid is geweest. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op de opmerking van [appellant] dat hij voor plaatsing van zes ramen in zowel de voor- als achtergevel, voor arbeid én materiaal, een bedrag van € 5.000,- zou hebben kunnen offreren. Het zou niet in verhouding tot dit bedrag van € 5.000,- staan als voor de voorbereidings- en sloopwerkzaamheden van een (veel) hoger bedrag dan € 2.500,- zou worden uitgegaan. Het hof begroot de waarde van de verrichte werkzaamheden daarom evenals de rechtbank op € 2.500,-.
5.18.
Daarmee komt het totaalbedrag aan kosten waarmee [geïntimeerde] is geconfronteerd als gevolg van het handelen van [bedrijf 1] waarvoor [appellant] aansprakelijk is op € 92.489,32, te weten € 33.245,61 plus € 14.250,- plus (€ 47.493,71 min € 2.500,- =) € 44.993,71. Wanneer dit bedrag van € 92.489,32 wordt afgezet tegen het bedrag van € 47.493,71 waarvoor [bedrijf 1] de dakopbouw zou hebben gerealiseerd als het onrechtmatig handelen van [appellant] niet had plaatsgevonden, resteert voor [geïntimeerde] een schadebedrag van € 44.995,61. Deze schade moet [appellant] aan [geïntimeerde] vergoeden.
5.19.
Met grief 13 heeft [appellant] de toewijsbaarheid van een bedrag van € 1.262,44 aan buitengerechtelijke kosten aan de orde gesteld. [appellant] brengt terecht naar voren dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing is, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen. [geïntimeerde] vordert vergoeding van schade op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten daarom worden getoetst aan de hoofdregels van artikel 6:96 BW, waarbij geldt dat het bepaalde in lid 2 onder b en c van deze bepaling niet van toepassing is voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (zie lid 3). [geïntimeerde] heeft ten aanzien van de door hem gevorderde buitengerechtelijke kosten niet onderbouwd dat in dit geval meer werkzaamheden zijn verricht dan de verrichtingen waarvoor de in artikel 237 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Om die reden zijn de door hem gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar. Grief 13 is in zoverre terecht voorgesteld.
5.2
Tot slot heeft [appellant] (terecht) de toewijzing van het bedrag van € 242,- voor de kosten van de deskundige in hoger beroep niet bestreden.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
5.21.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 11 tot en met 14 (gedeeltelijk) slagen. De overige grieven missen doel. Bij gebrek aan belang behoeven deze grieven verder geen afzonderlijke behandeling omdat dat niet tot verdere vernietiging van de bestreden vonnissen kan leiden.
5.22.
Het bestreden eindvonnis zal in zoverre worden vernietigd dat het hof een totaalbedrag van € 45.237,61 aan [geïntimeerde] zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW met ingang van 11 november 2022 (de datum van dagvaarding), in plaats van het door de rechtbank toegewezen totaalbedrag van € 50.006,34. De bestreden vonnissen zullen voor het overige worden bekrachtigd, onder verbetering van de gronden zoals eerder in dit arrest toegelicht.
5.23.
[appellant] is in het hoger beroep overwegend in het ongelijk gesteld. Hij is in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld en zal ook worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 798,-
- salaris advocaat € 4.426,- (tarief IV, 2 punten)
___________
Totaal € 5.224,-
5.24.
Aan (tegen)bewijslevering wordt niet toegekomen zoals uit de oordelen in dit arrest volgt.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het bestreden eindvonnis onder 3.2 en doet opnieuw recht:
6.2.
veroordeelt [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen:
(i) € 44.995,61 voor vergoeding van de schade van [geïntimeerde] ;
(ii) € 242,00 voor vergoeding van de kosten van de deskundige;
te vermeerderen met de wettelijke rente over de hiervoor onder (i) en (ii) opgesomde posten met ingang van 11 november 2022 tot aan de dag van betaling;
6.3.
bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;
6.4.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.224,- te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.5.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
6.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7
wijst het meer of anders door [geïntimeerde] jegens [appellant] gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.B.F. Valk, M.M. Korsten-Krijnen en S.C.H. Molin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.