Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
U heeft op 17 januari 2018 gesproken met een expert. Hierin heeft u verklaard dat u in 2007 een celstraf van 18 maanden heeft uitgezeten. Bij de verzekeringsaanvraag in maart 2010 wordt de volgende slotvraag gesteld:
- De uitkering in verband met een schade aan uw schuur van 7 juli 2014 zullen wij op u terugvorderen. Dit is een bedrag van € 825,-.
- De uitkering in verband met een schade aan uw laminaat van 11 augustus 2016 zullen wij op u terugvorderen. Dit is een bedrag van € 2.061,11,-.
Wij kunnen niet uitsluiten dat u ons opzettelijk heeft geprobeerd te misleiden. Dit met als doel een vergoeding te ontvangen, waar u geen recht op hebt. Wij gaan het dossier sluiten.” Ten slotte heeft [naam] in deze brief verwezen naar haar eerdere brief van 13 maart 2018 (zie 3.6 hiervoor) waarin zij de schadeclaim volledig heeft afgewezen en de verzekering per 13 maart 2018 heeft beëindigd.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Beoordeling
twijfels over het schadebeeld” bij de waterschade in januari 2018. Zij vond de uitleg van [appellant] niet aannemelijk dat water uit het aquarium van [appellant] was gaan lekken doordat zijn kleinzoon met een schoonmaakmagneet van het aquarium tegen het glas van het aquarium had geslagen en de kitranden van het aquarium daardoor beschadigd zijn geraakt. Daarnaast verwees zij naar het feit dat [appellant] in 2016 vanwege waterschade aan zijn laminaat de kosten van vervanging van de volledige vloer heeft geclaimd en vergoed heeft gekregen, terwijl hij later heeft verklaard dat hij alleen de vloer in de keuken heeft vervangen met restlaminaat dat hij nog op voorraad had en dat hij van nadere herstelwerkzaamheden geen bewijs heeft kunnen aanleveren. Deze omstandigheden leidden [naam] tot de conclusie dat zij niet kon uitsluiten dat [appellant] haar opzettelijk had geprobeerd te misleiden met het doel een vergoeding te ontvangen waar hij geen recht op had. Kwaaitaal heeft aangevoerd dat [appellant] reeds op die grond geen uitkering zou hebben ontvangen voor de brandschade. Tegen deze achtergrond had van [appellant] minst genomen mogen worden verlangd dat hij zou hebben gesteld en toegelicht dat [naam] (of een andere verzekeraar) bij overigens gelijkblijvende omstandigheden wel dekking zou hebben geboden voor de gestelde brandschade. Ook deze toelichting ontbreekt echter.