ECLI:NL:GHAMS:2025:3619

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
200.335.082
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding tegen beschermingsbewindvoerder wegens schending zorgplicht bij aanvraag woonhuisverzekering

In deze zaak vordert [appellant] schadevergoeding van zijn beschermingsbewindvoerder, Kwaaitaal, vanwege een vermeende beroepsfout bij de aanvraag van een woonhuisverzekering. Kwaaitaal heeft tijdens de aanvraag de vraag naar de justitiële antecedenten van [appellant] onjuist beantwoord, wat leidde tot de beëindiging van de verzekering door de verzekeraar na een schademelding. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen, omdat hij onvoldoende bewijs had geleverd ter onderbouwing van zijn claim. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, oordelend dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de schade daadwerkelijk aan de verzekeraar was gemeld en dat er geen causaal verband is tussen de fout van Kwaaitaal en de schade die [appellant] heeft geleden. Het hof concludeert dat de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn, omdat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn claims. De proceskosten in hoger beroep worden aan [appellant] opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.335.082/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10423972 / CV EXPL 23-1510
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.J. Jorna te Den Helder,
tegen
BUREAU KWAAITAAL B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. N. Al Salman te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en Kwaaitaal genoemd.

1.De zaak in het kort

Kwaaitaal is beschermingsbewindvoerder van [appellant] geweest. Tijdens het bewind heeft Kwaaitaal ten behoeve van [appellant] een woonhuisverzekering afgesloten. Bij de aanvraag heeft Kwaaitaal de vraag naar de justitiële antecedenten van [appellant] onjuist beantwoord. Na onderzoek door de verzekeraar naar aanleiding van een schademelding van [appellant] is de verzekeraar alsnog met die justitiële antecedenten bekend geworden. De verzekeraar heeft daarop de verzekering beëindigd. Na beëindiging van de verzekering is er brand geweest bij [appellant] . [appellant] vordert van Kwaaitaal vergoeding van schade vanwege een door Kwaaitaal gemaakte beroepsfout bij het aangaan van de verzekering. De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen omdat [appellant] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn vordering. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 15 november 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 23 augustus 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Kwaaitaal als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 12 december 2023 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 5 maart 2024 heeft plaatsgevonden. In aanloop naar de mondelinge behandeling na aanbrengen heeft [appellant] een schade-expertiserapport overgelegd. Dit rapport behoort tot de processtukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord.
Op 6 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is de zaak namens [appellant] toegelicht door mr. Jorna voornoemd en namens Kwaaitaal door mr. Al Salman voornoemd, beiden aan de hand van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en veroordeling van Kwaaitaal om aan [appellant] € 11.235,-, met rente, te betalen, in de woorden van [appellant] : ‘zijnde het bedrag aan schade dat [appellant] door de brand in zijn woning op 14 maart 2018 heeft opgelopen en dat niet is gedekt als gevolg van de door Kwaaitaal gemaakte beroepsfout bij het aangaan van de woonverzekering, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening’, met veroordeling van Kwaaitaal in de kosten van het geding in beide instanties.
Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] het gevorderde bedrag verminderd tot € 9.275,-.
Kwaaitaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak tot aan de dag van algehele betaling.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Bij beschikking van de kantonrechter van de (toenmalige) rechtbank Alkmaar van 9 april 2009 zijn de goederen van [appellant] onder bewind gesteld en is Kwaaitaal als zijn bewindvoerder benoemd.
3.3.
Tijdens het bewind heeft Kwaaitaal ten behoeve van [appellant] op 29 maart 2010 een aanvraagformulier ingediend bij [naam] (hierna: [naam] ) voor een aansprakelijkheids- en inboedelverzekering voor het woonhuis van [appellant] (hierna ook: de woonverzekering). Onderdeel van het aanvraagformulier was de vraag of [appellant] in de acht jaren voorafgaand aan de aanvraag van de verzekering vanwege bepaalde strafbare feiten in aanraking was geweest met justitie. Die vraag heeft Kwaaitaal met ‘nee’ beantwoord.
3.4.
Het bewind over de goederen van [appellant] is op 12 oktober 2016 geëindigd.
3.5.
Op 8 januari 2018 heeft [appellant] een melding van waterschade gedaan bij [naam] . De waterschade zou op 6 januari 2018 zijn ontstaan aan het laminaat van [appellant] . [naam] heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar deze schademelding. In het kader van dat onderzoek heeft [appellant] op 17 januari 2018 met een expert gesproken.
3.6.
Naar aanleiding daarvan heeft [naam] bij brief van 13 maart 2018 het volgende aan [appellant] bericht over de schademelding van 8 januari 2018:

U heeft op 17 januari 2018 gesproken met een expert. Hierin heeft u verklaard dat u in 2007 een celstraf van 18 maanden heeft uitgezeten. Bij de verzekeringsaanvraag in maart 2010 wordt de volgende slotvraag gesteld:
‘Is de aanvrager, of een andere belanghebbende bij deze verzekering, in de laatste 8 jaar, als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel, in aanraking geweest met politie of justitie in verband met:
- Wederrechtelijk verkregen of te verkrijgen voordeel zoals diefstal, verduistering, bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte op poging(en) daartoe;
- Wederrechtelijke benadeling van andere zoals vernieling of beschadiging, mishandeling, afpersing en afdreiging, bedreiging of een ander misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid of tegen het leven of poging(en) daartoe;
- Overtreding van de Wet Wapens en munitie, de Opiumwet of de wet economische delicten?
Hierop is ontkennend geantwoord door uw bewindvoerder. (…)
Wij kunnen niet anders dan concluderen dat er sprake is geweest van misleiding bij het aangaan van de verzekering. In artikel 7:930 van het Burgerlijk Wetboek wordt bepaald dat een het recht op een uitkering vervalt indien de vragen bij het aangaan van een verzekering niet naar waarheid beantwoordt wordt. Bovendien had Voogd en Voogd bij de ware stand van zaken de verzekeringsaanvraag niet geaccepteerd. (…)
Ons onderzoek is nog niet volledig afgerond. Desondanks kunnen wij u nu al berichten dat wij uw schade onder meer op grond van de in deze brief vermelde afwijzingsgronden niet vergoeden. (…)
Uw inboedelverzekering en aansprakelijkheidsverzekering bij Voogd en Voogd met polisnummer [nummer] beëindigen wij per direct.
Gedane uitkeringen en eventuele toekomstige uitkeringen gaan wij op u terugvorderen. Dit betreft de volgende uitkeringen:
  • De uitkering in verband met een schade aan uw schuur van 7 juli 2014 zullen wij op u terugvorderen. Dit is een bedrag van € 825,-.
  • De uitkering in verband met een schade aan uw laminaat van 11 augustus 2016 zullen wij op u terugvorderen. Dit is een bedrag van € 2.061,11,-.
Hierover ontvangt u nog bericht. (…)
Wij doen nog verder onderzoek naar de schademelding van 8 januari 2018. (…)
3.7.
Bij brief van 23 maart 2018 heeft [naam] [appellant] nader geïnformeerd over de afwikkeling van zijn schademelding van 8 januari 2018 die, als gezegd, zag op waterschade aan zijn laminaat op 6 januari 2018. [naam] heeft in deze brief toegelicht dat het dossier in verband met twijfels over het schadebeeld nader is onderzocht door haar afdeling Speciale Zaken. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft zij geconcludeerd dat de schadeclaim niet aannemelijk is gemaakt en ook om die reden wordt afgewezen. Zij heeft daarbij ook vermeld: “
Wij kunnen niet uitsluiten dat u ons opzettelijk heeft geprobeerd te misleiden. Dit met als doel een vergoeding te ontvangen, waar u geen recht op hebt. Wij gaan het dossier sluiten.” Ten slotte heeft [naam] in deze brief verwezen naar haar eerdere brief van 13 maart 2018 (zie 3.6 hiervoor) waarin zij de schadeclaim volledig heeft afgewezen en de verzekering per 13 maart 2018 heeft beëindigd.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Kwaaitaal te veroordelen tot betaling van € 11.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling. Daarnaast heeft [appellant] betaling van de proceskosten gevorderd.
4.2.
De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5.Beoordeling

Tekortschieten in de zorg van een goed bewindvoerder?
5.1.
De grieven gezamenlijk strekken ertoe de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voor te leggen.
5.2.
[appellant] vordert in dit geding van Kwaaitaal schadevergoeding als gevolg van het tekortschieten als bewindvoerder. [appellant] stelt dat zijn brandschade niet door verzekering is gedekt als gevolg van een beroepsfout van Kwaaitaal bij de aanvraag van de woonverzekering. Die fout bestond er volgens [appellant] in dat Kwaaitaal de vraag naar bepaalde justitiële antecedenten van [appellant] in de laatste acht jaar voor aanvraag van de verzekering ten onrechte met ‘nee’ heeft beantwoord.
5.3
Op grond van artikel 1:444 Burgerlijk Wetboek (BW) is een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk wanneer hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. Voor beantwoording van de vraag of Kwaaitaal als bewindvoerder aansprakelijk is jegens [appellant] moet daarom in de eerste plaats worden beoordeeld of Kwaaitaal tekortgeschoten is in de zorg van een goed bewindvoerder.
5.4.
Vast staat dat Kwaaitaal bij de aanvraag van de woonhuisverzekering de vraag over het strafrechtelijk verleden van [appellant] onjuist heeft beantwoord. Kwaaitaal heeft aangevoerd dat dit haar niet kan worden toegerekend, omdat zij niet op de hoogte was van het strafrechtelijk verleden van [appellant] . Het hof overweegt daarover als volgt.
5.5
Vooropgesteld wordt dat de bewindvoerder wordt aangesteld om de vermogensrechtelijke belangen van de onder bewind gestelde persoon in diens plaats te behartigen. In een situatie als de onderhavige, waarin de bewindvoerder een aanvraag indient voor een schadeverzekering ten behoeve van een onder zijn bewind gestelde meerderjarige, brengt de zorgplicht van de bewindvoerder mee dat hij zich ervan vergewist dat de door de verzekeraar specifiek gestelde vragen naar waarheid worden beantwoord. Onjuiste informatieverstrekking kan voor de onder bewind gestelde persoon immers vergaande en soms ingrijpende (financiële) consequenties hebben, zoals beëindiging van de verzekering en eventuele terugvordering van reeds ontvangen schade-uitkeringen. Dit brengt mee dat de bewindvoerder ervoor moet zorgen dat hij de beschikking heeft of krijgt over de informatie die hij nodig heeft om het aanvraagformulier van de verzekeraar correct te kunnen invullen, door daar in elk geval bij de onder bewind gestelde navraag naar te doen.
5.6.
In het geval van [appellant] bevatte het aanvraagformulier een vraag naar bepaalde justitiële antecedenten van [appellant] in de laatste acht jaar voor aanvraag van de verzekering. Of Kwaaitaal daarnaar al dan niet navraag heeft gedaan bij [appellant] is vooralsnog onvoldoende opgehelderd gebleven. Vast staat wel dat de vraag onjuist is beantwoord. Voor het vervolg van de beoordeling zal het hof dan ook veronderstellenderwijs aannemen dat Kwaaitaal jegens [appellant] in dit opzicht in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgekomen. Tevens zal het hof veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat deze tekortkoming aan Kwaaitaal kan worden toegerekend. Ook dan zijn de vorderingen van [appellant] echter niet toewijsbaar. Het hof zal dat toelichten.
Schade?
5.7.
De feitelijke grondslag van de vordering is de stelling van [appellant] dat hij zijn brandschade heeft gemeld aan de verzekeraar en dat deze heeft geweigerd de schade te vergoeden vanwege het feit dat hij een strafrechtelijk verleden had en dat bij aanvang van de verzekering niet is gemeld. Deze feitelijke grondslag vereist allereerst dat het hof onderzoekt of [appellant] de brandschade heeft gemeld aan [naam] .
5.8.
[appellant] heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt dat zijn brandschade daadwerkelijk aan de verzekeraar, [naam] , is gemeld en dat [naam] die schademelding vervolgens ook in behandeling heeft genomen. Het overgelegde Lengkeek-schaderapport vermeldt weliswaar dat Voogd & Voogd opdracht heeft gegeven onderzoek te doen naar de brandschade, maar [appellant] heeft niet voldoende toegelicht hoe daaruit kan worden afgeleid dat de schade aan [naam] is gemeld en dat zij die schademelding in behandeling heeft genomen. Voogd & Voogd was slechts de tussenpersoon. In het licht van het feit dat [naam] de verzekering op 13 maart 2018 per direct had beëindigd en dat de brand daarna plaatsvond, had van [appellant] op zijn minst mogen worden verwacht dat hij zou hebben toegelicht dat (en op welke grond) [naam] de schade desondanks in behandeling heeft genomen en waaruit dat blijkt.
5.9.
In de tweede plaats is van een standpunt van [naam] met betrekking tot de brandschade niets gebleken. [appellant] heeft ook daarvan geen enkel stuk overgelegd. Afgaand op de brieven van [naam] van 13 maart 2018 en van 23 maart 2018 waarin zij nadrukkelijk dekking heeft afgewezen voor de waterschade die in januari 2018 bij haar gemeld was, mag verondersteld worden dat [naam] ten aanzien van de brandschade ook een dergelijke brief met een dekkingsstandpunt zou hebben verzonden wanneer die daadwerkelijk bij haar zou zijn gemeld en in behandeling zou zijn genomen. Gelet hierop had ook op dit punt van [appellant] een onderbouwde toelichting mogen worden verwacht, maar ook die toelichting heeft [appellant] niet gegeven.
5.10.
[appellant] heeft aldus op geen enkele wijze onderbouwd dat [naam] dekking voor deze schade heeft geweigerd (enkel) in verband met de schending van de mededelingsplicht bij aangaan van de verzekering. [appellant] heeft in dit verband niet aan zijn stelplicht voldaan. Reeds daarom zijn de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar.
Causaal verband tussen verondersteld tekortschieten Kwaaitaal en de door [appellant] gevorderde schade?
5.11.
Ook echter als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat [appellant] zijn brandschade heeft gemeld aan [naam] en dat deze verzekeraar heeft geweigerd de schade te vergoeden vanwege het feit dat [appellant] een strafrechtelijk verleden had, zijn de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar. In dat geval moet namelijk worden beoordeeld of er condicio sine qua non-verband is tussen de eerder in dit arrest veronderstellenderwijs aangenomen fout van Kwaaitaal en de schade die [appellant] in dit geding vordert. Er is alleen sprake van condicio sine qua non-verband als de schade van [appellant] zonder de fout niet was ontstaan. Hierover oordeelt het hof als volgt.
5.12.
[appellant] stelt dat zijn schade erin bestaat dat zijn schade als gevolg van een brand die op 14 maart 2018 in zijn woning plaatsvond niet door de verzekering bij [naam] is gedekt. Hij stelt dat die schade in hoofdsom € 9.275,- bedraagt. Bij de beoordeling van het causaal verband zal het hof er veronderstellenderwijs van uitgaan dat er op 14 maart 2018 brand is geweest in de woning van [appellant] en dat [appellant] daardoor brandschade heeft gehad, hoewel Kwaaitaal het voorgaande betwist.
5.13.
Om te kunnen beoordelen of het niet ontvangen van een uitkering onder de verzekering bij [naam] voor de brandschade het gevolg is van de veronderstellenderwijs aangenomen fout van Kwaaitaal bij de aanvraag van de verzekering, moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds de situatie waarin [appellant] zich feitelijk bevindt en anderzijds de hypothetische situatie waarin [appellant] zich zou hebben bevonden als Kwaaitaal het aanvraagformulier juist zou hebben ingevuld. Voor die hypothetische situatie zal [appellant] moeten stellen en, bij voldoende betwisting, bewijzen dat hij bij onberispelijk handelen van Kwaaitaal wel dekking voor zijn brandschade zou hebben gehad. De tweeconclusieregel brengt bovendien mee dat [appellant] die stellingen uiterlijk in zijn memorie van grieven moest innemen en onderbouwen.
5.14.
De memorie van grieven bevat geen concrete stelling over het condicio sine qua non-verband, terwijl [appellant] al in eerste aanleg op het ontbreken daarvan is gewezen. Voor gemotiveerde stellingen van [appellant] over het condicio sine qua non-verband bestond temeer aanleiding gelet op het standpunt van [naam] in haar brief van 13 maart 2018 dat de verzekeringsaanvraag bij kennis van de ware stand van zaken omtrent het strafrechtelijk verleden van [appellant] niet zou zijn geaccepteerd. [appellant] heeft niet gesteld dat er desondanks een woonverzekering bij [naam] (of een andere verzekeraar) tot stand zou zijn gekomen wanneer Kwaaitaal wel melding zou hebben gemaakt van de justitiële antecedenten van [appellant] . Ook overigens is uit niets gebleken dat bij onberispelijke nakoming door Kwaaitaal wel een verzekering tot stand zou zijn gekomen. Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] voor het eerst, en overigens zonder onderbouwing, gesteld dat bij een andere verzekeraar of tegen een hogere premie een verzekering tot stand zou zijn gekomen als Kwaaitaal het aanvraagformulier correct had ingevuld. Dat is gelet op de twee-conclusieregel te laat, zodat het hof daarop geen acht kan slaan.
5.15.
Echter, zelfs wanneer veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat in de hypothetische situatie een (andere) verzekering tot stand zou zijn gekomen, geldt dat [appellant] ook nog had moeten stellen en onderbouwen dat hij in dat scenario (waarin hij wel verzekerd was) uitkering zou hebben ontvangen voor de brandschade. Ook daarover heeft [appellant] in het licht van het partijdebat echter onvoldoende gesteld.
5.16.
Dat licht het hof nog als volgt toe. Uit de brief van [naam] van 23 maart 2018 volgt dat [naam] zich kritisch opstelde ten opzichte van eerdere schademeldingen van [appellant] . Zo had [naam] “
twijfels over het schadebeeld” bij de waterschade in januari 2018. Zij vond de uitleg van [appellant] niet aannemelijk dat water uit het aquarium van [appellant] was gaan lekken doordat zijn kleinzoon met een schoonmaakmagneet van het aquarium tegen het glas van het aquarium had geslagen en de kitranden van het aquarium daardoor beschadigd zijn geraakt. Daarnaast verwees zij naar het feit dat [appellant] in 2016 vanwege waterschade aan zijn laminaat de kosten van vervanging van de volledige vloer heeft geclaimd en vergoed heeft gekregen, terwijl hij later heeft verklaard dat hij alleen de vloer in de keuken heeft vervangen met restlaminaat dat hij nog op voorraad had en dat hij van nadere herstelwerkzaamheden geen bewijs heeft kunnen aanleveren. Deze omstandigheden leidden [naam] tot de conclusie dat zij niet kon uitsluiten dat [appellant] haar opzettelijk had geprobeerd te misleiden met het doel een vergoeding te ontvangen waar hij geen recht op had. Kwaaitaal heeft aangevoerd dat [appellant] reeds op die grond geen uitkering zou hebben ontvangen voor de brandschade. Tegen deze achtergrond had van [appellant] minst genomen mogen worden verlangd dat hij zou hebben gesteld en toegelicht dat [naam] (of een andere verzekeraar) bij overigens gelijkblijvende omstandigheden wel dekking zou hebben geboden voor de gestelde brandschade. Ook deze toelichting ontbreekt echter.
Slotsom en kosten
5.17.
Op basis van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld voor toewijzing van zijn vorderingen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De grieven missen doel. Zij hoeven bij gebrek aan belang geen verdere behandeling omdat dit niet alsnog tot toewijzing van de vordering van [appellant] kan leiden.
Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Kwaaitaal als volgt vast:
- griffierecht € 783,-
- salaris advocaat € 3.642,- (tarief II, 3 punten)
__________
Totaal € 4.425,-

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
6.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.425,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
6.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.B.F. Valk, J.F. Aalders en M.M. Korsten-Krijnen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.