ECLI:NL:GHAMS:2025:359
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging bewindhouding wegens onvoldoende financiële zelfredzaamheid van rechthebbenden
De zaak betreft het hoger beroep van twee rechthebbenden tegen de beschikking van de kantonrechter die het beschermingsbewind over hun goederen in stand hield. De rechthebbenden vorderen opheffing van het bewind, stellende dat zij weer in staat zijn hun financiële belangen zelfstandig te behartigen. Subsidiair verzoeken zij de benoeming van hun oudste zoon als nieuwe bewindvoerder.
De kantonrechter had het verzoek tot opheffing afgewezen omdat niet was aangetoond dat de rechthebbenden financieel zelfredzaam zijn. In hoger beroep heeft het hof de stukken en het verhandelde ter zitting beoordeeld, waarbij ook de bewindvoerder en de oudste zoon van de rechthebbenden hun standpunten hebben toegelicht.
Het hof oordeelt dat ondanks schuldenvrijheid de rechthebbenden onvoldoende inzicht hebben in hun financiële situatie en de gevolgen van hun handelen, zoals het verlies van huurtoeslag door het inschrijven van hun zoons op het adres. Het uitstroomtraject naar financiële zelfstandigheid is niet succesvol afgerond. Ook het door de oudste zoon overgelegde kosten- en batenoverzicht is onvolledig en niet overtuigend.
Daarom blijft het beschermingsbewind noodzakelijk en zinvol. Het hof wijst ook het verzoek af om de oudste zoon als bewindvoerder te benoemen vanwege gegronde redenen, waaronder twijfels over zijn geschiktheid en onduidelijkheid over financiële bijdragen van de zoons. De beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het beschermingsbewind en wijst het verzoek tot wijziging van bewindvoerder af.