ECLI:NL:GHAMS:2025:35

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 januari 2025
Publicatiedatum
7 januari 2025
Zaaknummer
200.342.856/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie nihilstelling wegens onderbewindstelling en schuldenlast vader

Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin de vader werd verplicht kinderalimentatie te betalen voor vier minderjarige kinderen. De vader, vertegenwoordigd door een bewindvoerder vanwege onderbewindstelling wegens problematische schulden en een geestelijke of lichamelijke toestand, had geen verweer gevoerd bij de rechtbank.

In hoger beroep heeft de bewindvoerder aangevoerd dat de vader geen draagkracht heeft voor kinderalimentatie omdat hij een bijstandsuitkering ontvangt en een aanzienlijke schuldenlast moet aflossen. Het hof heeft vastgesteld dat het netto besteedbaar inkomen van de vader circa €1.451 per maand bedraagt, terwijl hij maandelijks grote bedragen aan schuldenaflossing besteedt.

Het hof heeft daarom de kinderalimentatie met ingang van 12 oktober 2023 op nihil gesteld. Tevens is bepaald dat eventuele reeds betaalde bedragen of bedragen die op de vader zijn verhaald, op dat niveau blijven. Het hof heeft de bestreden beschikking vernietigd en deze nieuwe beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderalimentatie van de vader wordt met ingang van 12 oktober 2023 op nihil gesteld vanwege het ontbreken van draagkracht door bijstandsuitkering en schuldenlast.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.342.856/01
zaaknummer rechtbank: C/15/348801 / FA RK 24-539
beschikking van de meervoudige kamer van 7 januari 2025 in de zaak van
Des Bewindvoering B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
hierna: de bewindvoerder,
in de hoedanigheid van bewindvoerder van
[de vader],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
hierna: de vader,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J.W.J. Hijnen te [plaats B] ,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: aanvankelijk mr. F.D. van Damme, nu zonder advocaat.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] ,
- de minderjarige [minderjarige 4] , hierna: [minderjarige 4] .

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 8 april 2024 (hierna: de bestreden beschikking) bepaald dat de vader met ingang van 12 oktober 2023 € 150,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen. De vader heeft in de procedure bij de rechtbank geen verweer gevoerd. De bewindvoerder van de vader is namens de vader in hoger beroep gekomen. Het hof beslist dat de vader op dit moment geen kinderalimentatie kan betalen, omdat hij een bijstandsuitkering heeft en schulden moet aflossen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De bewindvoerder is op 24 juni 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De zitting heeft op 30 oktober 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door R. Desaunois, bijgestaan door mr. J.W.J. Hijnen, en
- de moeder.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2016 te [plaats B] ,
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats B] ,
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2021 te [plaats B] ,
- [minderjarige 4] , geboren op [in] 2022 te [plaats B] ;
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
3.2
De ouders hebben tot november 2022 een relatie met elkaar gehad.
3.3
De kinderen wonen bij de moeder.
3.4
De kantonrechter heeft de goederen die (zullen) toebehoren aan de vader bij beschikking van 9 april 2024 onder bewind gesteld wegens de geestelijke of lichamelijke toestand van de vader. Uit die beschikking blijkt dat de vader problematische schulden heeft.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de moeder bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 12 oktober 2023 € 150,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet voldoen. De vader was in de procedure bij de rechtbank niet verschenen.
4.2
De bewindvoerder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de moeder om een kinderalimentatie op te leggen alsnog af te wijzen en:
- primair: de kinderalimentatie vast te stellen op nihil;
- subsidiair: de kinderalimentatie aanvankelijk vast te stellen op de bijdrage die past bij de laagste draagkracht en nadien (alsnog) op nihil vanaf de datum van toekenning van de participatiewetuitkering, dan wel met ingang van de datum van de instelling van het beschermingsbewind op nihil dan wel een dusdanige bijdrage en ingangsdatum als het hof passend en geboden acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De bewindvoerder heeft onbetwist en onderbouwd gesteld dat de vader in 2023 een inkomen had van in totaal € 13.020,- en dat dat leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 1.451,- per maand. De vader ontvangt vanaf maart 2024 een uitkering op grond van de Participatiewet (een aanvullende bijstandsuitkering). In beginsel leiden deze inkomensgegevens tot de minimale draagkracht van de vader van € 50,- per maand. De vader heeft echter forse schulden. De bewindvoerder heeft toegelicht dat de vader € 13.600,- aan schulden had toen het bewind op 9 april 2024 werd ingesteld en dat ook in 2023 al sprake was van diverse schulden waarvoor al regelingen liepen. Inmiddels is de schuldenlast € 5.700,-. De vader besteedt dus al sinds lange tijd maandelijks een groot bedrag aan het aflossen van schulden. De vader heeft daarom geen enkele draagkracht voor kinderalimentatie. Het hof zal de kinderalimentatie met ingang van 12 oktober 2023 op nihil stellen.
5.2
Nu op basis van het ontbreken van draagkracht van de vader zijn primaire verzoek in hoger beroep wordt toegewezen, kan het oordeel over de grieven over de behoefte en de zorgkorting in het midden blijven.
5.3
Voor zover de vader vanaf 12 oktober 2023 enig bedrag aan kinderalimentatie aan de moeder zou hebben betaald dan wel enig bedrag aan kinderalimentatie op hem is verhaald, kan van de moeder, gelet op haar financiële situatie en gelet op het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij dat terugbetaalt.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw recht doende:
stelt de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 12 oktober 2023 op nihil;
bepaalt dat, voor zover de vader vanaf 12 oktober 2023 tot heden enig bedrag aan kinderalimentatie heeft betaald, dan wel enig bedrag aan kinderalimentatie op hem is verhaald, de bijdrage wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.T. Hoogland en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker als griffier en is op 7 januari 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.