AirHelp vordert namens drie passagiers een vergoeding van KLM op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens vertraging van vlucht KL872 van Delhi naar Amsterdam, veroorzaakt door de sluiting van het Pakistaanse luchtruim.
De rechtbank wees de vordering af vanwege onvoldoende stelplicht over cessie. In hoger beroep heeft KLM de betwisting van cessie laten varen, maar het hof oordeelt dat de vordering niet toewijsbaar is omdat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en KLM alle redelijke maatregelen heeft getroffen.
Het hof overweegt dat de sluiting van het luchtruim een onvoorziene, tijdelijke situatie betrof, waarbij KLM niet kon worden verweten haar schema aan te passen. Ook is vastgesteld dat passagiers adequaat zijn omgeboekt naar het eerst beschikbare alternatief. AirHelp kon onvoldoende aantonen dat een andere route sneller was geweest of dat KLM nalatig was.
Daarom wordt het bestreden vonnis bekrachtigd en AirHelp veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.