In deze zaak vordert AirHelp namens drie passagiers van KLM een vergoeding op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens een vertraagde vlucht. De vertraging was het gevolg van de sluiting van het Pakistaanse luchtruim, wat KLM aanvoert als een buitengewone omstandigheid. AirHelp stelt dat KLM niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De zaak is in hoger beroep gekomen na een eerdere afwijzing door de kantonrechter, die oordeelde dat AirHelp niet had voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot de overdracht van de vordering van de passagiers. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. KLM heeft haar betwisting van de geldigheid van de cessie laten varen, waardoor het hof zich kon concentreren op de toewijsbaarheid van de vordering. Het hof concludeert dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en dat KLM alle redelijke maatregelen heeft getroffen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, en AirHelp wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.