ECLI:NL:GHAMS:2025:3474

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.306.962/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding voor vertraagde vlucht door buitengewone omstandigheden en redelijke maatregelen van KLM

In deze zaak vordert AirHelp namens drie passagiers van KLM een vergoeding op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens een vertraagde vlucht. De vertraging was het gevolg van de sluiting van het Pakistaanse luchtruim, wat KLM aanvoert als een buitengewone omstandigheid. AirHelp stelt dat KLM niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De zaak is in hoger beroep gekomen na een eerdere afwijzing door de kantonrechter, die oordeelde dat AirHelp niet had voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot de overdracht van de vordering van de passagiers. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. KLM heeft haar betwisting van de geldigheid van de cessie laten varen, waardoor het hof zich kon concentreren op de toewijsbaarheid van de vordering. Het hof concludeert dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en dat KLM alle redelijke maatregelen heeft getroffen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, en AirHelp wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.306.962/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 9145968 CV EXPL 21-5639
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 december 2025
inzake
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AIRHELP GmbH,
gevestigd te Berlijn, Duitsland,
appellante,
advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp,
tegen
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Lustenhouwer te Rotterdam.
Partijen worden hierna AirHelp en KLM genoemd.

1.De zaak in het kort

AirHelp vordert namens drie passagiers van KLM betaling van een vergoeding op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens een vertraagde vlucht. KLM meent dat zij geen vergoeding hoeft te betalen, omdat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en zij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen.

2.Het geding in hoger beroep

AirHelp is bij dagvaarding van 14 februari 2022, waarin de grieven zijn opgenomen, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 3 december 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen in een zaak tussen AirHelp als eiseres en KLM als gedaagde.
KLM heeft daarna een memorie van antwoord ingediend.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025 laten toelichten door hun advocaten voornoemd, KLM aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
AirHelp heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen c.q. de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank ter afdoening, met beslissing over de proceskosten.
KLM heeft geconcludeerd dat, zo begrijpt het hof, het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.De feiten

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
3.1.
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] (verder tezamen: de passagiers) hebben bij KLM een vlucht (KL872) geboekt van Delhi naar Amsterdam en een aansluitende vlucht van Amsterdam naar Marseille (KL1265), uit te voeren op 26-27 maart 2019.
3.2.
Vlucht KL872 was onderdeel van de rotatievlucht Amsterdam-Delhi met vluchtnummers KL871/KL872. De rotatievlucht heeft een route gevolgd waarbij via het zuiden om het Pakistaanse luchtruim heengevlogen werd. Vlucht KL871 is vertraagd aangekomen in Delhi en vlucht KL872 is met vertraging vertrokken en met (verdere) vertraging aangekomen in Amsterdam. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht gemist en zijn door KLM omgeboekt naar een andere vlucht van Amsterdam naar Marseille, waar zij met meer dan drie uur vertraging zijn aangekomen.
3.3.
Er is een door KLM overgelegd stuk met de volgende inhoud:
3.4.
Op 26-27 maart 2019 was het Pakistaanse luchtruim gesloten voor burgerluchtvaart. Deze sluiting was op 27 februari 2019 ingegaan en hield verband met een escalatie van het militair conflict tussen Pakistan en India over de grens in de regio Kashmir.
3.5.
De passagiers hebben hun vorderingen ter zake van vergoeding wegens vertraging gecedeerd aan AirHelp Limited, die deze heeft overgedragen aan Airhelp. Airhelp heeft KLM op 30 april 2019 schriftelijk aangemaand tot betaling, uiterlijk binnen twee weken, van
€ 1.800.

4.Beoordeling

4.1.
Airhelp vordert als cessionaris van de passagiers veroordeling van KLM tot betaling van € 1.800 met rente vanaf de datum van de vlucht. Zij grondt haar vordering op artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening).
4.2.
De kantonrechter heeft de vordering van AirHelp afgewezen omdat AirHelp niet had voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot de gestelde overdracht van de vordering van de passagiers van AirHelp Limited naar AirHelp. De grieven van AirHelp richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
4.3.
De kantonrechter heeft terecht aangenomen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
4.4.
In hoger beroep heeft KLM ter zitting haar betwisting van de geldigheid van de cessie van de vorderingen aan AirHelp laten varen. Er bestaat daarom geen belang bij bespreking van de grieven I tot en met III. Bij behandeling van grief IV ontbreekt belang nu in hoger beroep een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
4.5.
In verband met de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof de toewijsbaarheid van de vordering van AirHelp te beoordelen. Het hof concludeert dat de vordering van AirHelp niet toewijsbaar is en overweegt daartoe als volgt.
4.6.
Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de door de passagiers geboekte vlucht van Delhi naar Amsterdam vertraging heeft ondervonden als gevolg van de sluiting van het Pakistaanse luchtruim. Gezien het onder 3.3. bedoelde stuk dat onmiskenbaar op deze vlucht ziet, betoogt AirHelp namelijk tevergeefs dat uit de door KLM overgelegde stukken niet blijkt op welke vluchtdatum deze zien.
4.7.1.
Niet in geschil is dat de sluiting van het Pakistaanse luchtruim een buitengewone omstandigheid was zoals bedoeld in art. 5 lid 3 van de Verordening. Dat de sluiting van het luchtverkeer voor civiele vluchten ook gold voor de specifieke vlucht van de passagiers, is voorts voldoende komen vast te staan. Partijen verschillen van mening over de vraag of KLM alle redelijke maatregelen heeft genomen om vertraging te voorkomen.
4.7.2.
KLM stelt dat zij alles op alles heeft gezet om de vlucht zo spoedig mogelijk uit te voeren. Zij heeft de vlucht niet geannuleerd maar haar middelen zo georganiseerd dat de vlucht onder de gewijzigde omstandigheden zo snel mogelijk kon worden uitgevoerd. Het was niet mogelijk om de rotatievlucht via een andere, alternatieve route sneller uit te voeren en de passagiers zijn voor hun vervolgvlucht omgeboekt naar het eerst beschikbare alternatief. Er deed zich een onduidelijke en steeds veranderende situatie voor, waarin niet van KLM kon worden gevergd dat zij haar schema voor de komende maanden zou aanpassen; het luchtruim kon evengoed weer worden geopend, in welk geval honderden passagiers nodeloos zouden zijn omgeboekt en de vluchten nodeloos langer zouden duren en van KLM onaanvaardbare financiële offers zouden worden gevraagd, aldus KLM.
4.7.3.
AirHelp suggereert dat KLM een andere route had kunnen kiezen waarbij de rotatievlucht minder vertraging zou hebben opgelopen. Ook AirHelp gaat hiermee ervan uit dat vertraging onvermijdelijk was omdat vanwege de sluiting van het Pakistaanse luchtruim moest worden omgevlogen. In het licht van de uitgebreide uiteenzetting van KLM over de eventuele alternatieven (conclusie van antwoord 2.9-2.17), heeft AirHelp haar standpunt over een alternatieve andere route met minder vertraging onvoldoende geconcretiseerd. Het hof gaat er daarom van uit dat de rotatievlucht niet via een andere alternatieve route sneller had kunnen worden uitgevoerd.
4.7.4.
In hoger beroep heeft KLM gewezen op de beoordeling in een andere zaak over vertraging van een vlucht als gevolg van dezelfde sluiting van het Pakistaanse luchtruim en aangevoerd dat de onderhavige zaak nagenoeg identiek is. Die beoordeling houdt onder meer het volgende in:
“Vaststaat dat het luchtruim boven Pakistan was gesloten vanaf 27 februari 2019. Uit de eerste Notams[opmerking hof: ‘Notice To Airman’ van de bevoegde autoriteiten]
(die - zoals onbetwist door de vervoerder is gesteld een geldingsduur hadden van 24 uur tot 3 dagen) mocht de vervoerder in redelijkheid verwachten dat de sluiting slechts voor een beperkte tijd zou zijn, ook toen deze sluitingen zich gedurende enkele weken herhaalden omdat de vervolg Notams steeds een korte duur golden.”
AirHelp heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Haar betoog dat KLM op of vanaf 27 februari 2019 maatregelen had kunnen treffen om de gevolgen van de sluiting van het Pakistaanse luchtruim te mitigeren voor de passagiers, stuit af op het feit dat toen nog niet bekend was dat het Pakistaans luchtruim op 26-27 maart 2019 nog steeds gesloten zou zijn.
De vlucht van de passagiers van Delhi naar Amsterdam vond plaats in deze periode waarin de Notams steeds van korte duur waren, in een onduidelijke en steeds veranderende situatie waarin KLM ervan uit kon gaan dat het Pakistaanse luchtruim weer open zou gaan na ommekomst van de sluiting voor beperkte duur. Sinds de eerste Notam waren verder nog maar enkele weken verstreken. AirHelp heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de stelling van KLM weerleggen dat het nemen van meer of andere maatregelen om de door de sluiting van het Pakistaanse luchtruim veroorzaakte vertraging van de passagiers te voorkomen binnen de beperkte duur van de geldende afsluiting niet mogelijk was.
4.7.5.
AirHelp betwist dat KLM de passagiers heeft omgeboekt op het eerst beschikbare alternatief voor hun vlucht van Amsterdam naar Marseille en merkt daarbij op dat KLM zich niet mocht beperken tot de eerst mogelijke vlucht die werd uitgevoerd door KLM dan wel een dochtermaatschappij. Na de hierop volgende toelichting van KLM dat zij zoals gebruikelijk breder heeft gezocht met een systeem waarbij meer dan 200 luchtvaartmaatschappijen zijn aangesloten en dat zo is ingericht dat alle passagiers worden omgeboekt op het meest gunstige beschikbare alternatief, heeft AirHelp geen feiten of omstandigheden aangevoerd die ontkrachten dat de passagiers op de eerst beschikbare vlucht zijn omgeboekt; dat KLM daarbij niet alleen vluchten van haarzelf of haar dochtermaatschappijen heeft bekeken, is ook voldoende toegelicht.
4.7.6.
Gelet op het bovenstaande wordt het ervoor gehouden dat de vertraging van de passagiers het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden door KLM. In de gegeven situatie kon niet meer van haar worden verwacht.
4.8.
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Er is geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden leiden. AirHelp wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt AirHelp in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van KLM vastgesteld op € 783 aan verschotten, € 858 aan advocatensalaris en € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, L. Alwin en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.