ECLI:NL:GHAMS:2025:3454

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
200.358.973/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing zorgregeling en nakoming zorgregeling in familiezaken

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de zorgregeling voor de minderjarige [minderjarige]. De moeder heeft verzocht om schorsing van de zorgregeling die door de rechtbank was vastgesteld, waarin werd bepaald dat [minderjarige] vanaf 1 oktober 2025 bij de vader zou overnachten. De moeder is van mening dat de uitbreiding van de zorgregeling met overnachtingen niet in het belang van [minderjarige] is, gezien zijn jonge leeftijd en de huidige situatie tussen de ouders. De vader heeft verzocht om afwijzing van het schorsingsverzoek en om nakoming van de zorgregeling, desnoods met hulp van de politie. Het hof heeft de argumenten van beide partijen gehoord en geconcludeerd dat de bestreden beschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het hof heeft geen belemmeringen gezien voor de overnachtingen bij de vader en heeft het verzoek van de moeder tot schorsing afgewezen. Tevens zijn de verzoeken van de vader tot nakoming en inzet van de sterke arm afgewezen, omdat de moeder al verplicht is tot nakoming van de beschikking. De beslissing van het hof is in het belang van [minderjarige] en houdt rekening met de noodzaak van een duurzame band met beide ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer gerechtshof: 200.358.973/02
zaaknummer rechtbank: C/13/764916 / FA RK 25-1335 (VZ/NN)
beschikking van de meervoudige kamer van 16 december 2025 op de verzoeken tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en tot nakoming van de zorgregeling
in de zaak van
[de moeder],
wonende in [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verzoekster in het incident (schorsing),
verweerster in het incident (nakoming zorgregeling),
hierna: de moeder,
advocaat: mr. T.P. Schut, gevestigd in Amsterdam,
en
[de vader],
wonende in [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
verweerder in het incident (schorsing),
verzoeker in het incident (nakoming zorgregeling),
hierna: de vader,
advocaat: mr. K.R. Lieuw On, gevestigd in Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
In zijn adviserende taak is bij de procedure betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag of de werking van een gedeelte van de door de rechtbank bepaalde zorgregeling, namelijk de overnachtingen van [minderjarige] bij de vader, moet worden geschorst, dan wel moet worden nagekomen.
De rechtbank Amsterdam heeft een opbouwende (voorlopige) zorgregeling bepaald waarbij [minderjarige] vanaf 1 oktober 2025 van zondag op maandag bij de vader gaat overnachten en [minderjarige] vanaf 1 januari 2026 daarnaast ook van woensdag op donderdag bij hem gaat overnachten.
De moeder is het niet eens met de uitbreiding van de zorgregeling met overnachtingen en verzoekt dat het hof, zolang nog niet op het hoger beroep is beslist, de werking van dit gedeelte van de bestreden beschikking schorst.
De vader verzoek het schorsingsverzoek van de moeder af te wijzen en haar te veroordelen de bestreden beschikking na te komen, zo nodig met hulp van de politie.

2.De procedure in hoger beroep in het incident tot schorsing

2.1
De moeder is op 4 september 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (zaaknummer 200.358.973/01). Daarnaast heeft de moeder op 11 september 2025 een verzoek tot schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking ingediend (zaaknummer 200.358.973/02, hierna te noemen: het incident).
2.2
De vader heeft op 7 november 2025 een verweerschrift, met daarin een incidenteel verzoek tot nakoming van de zorgregeling ingediend.
2.3
De mondelinge behandeling in beide incidenten heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door T. Koc, tolk in de Engelse taal, die via een telefoonverbinding deelnam aan de zitting;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en eveneens door de tolk T Koc;
- de raad, vertegenwoordigd door I.L.C. Stuifbergen.
De advocaat van de vader heeft tijdens de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De relatie is in oktober 2024 beëindigd.
3.2
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren te [plaats A] [in] 2024.
3.3
[minderjarige] is erkend door de vader. De ouders oefenen van rechtswege gezamenlijk het gezag uit.
3.4
De moeder, de vader en [minderjarige] hebben de Italiaanse nationaliteit.
3.5
Aan vaderszijde heeft [minderjarige] twee minderjarige halfbroers.
3.6
Bij beschikking van 2 mei 2025 heeft de rechtbank in het kader van voorlopige voorzieningen vastgesteld dat de ouders zijn overeengekomen dat de vader met betrekking tot de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 2 mei 2025 [minderjarige] iedere woensdag van 13.30 uur tot 19.00 uur en zondag van 09.00 uur tot 14.00 uur bij de vader verblijft. De vader haalt [minderjarige] op bij de moeder en de moeder haalt [minderjarige] op bij de vader.
3.7
Bij mondelinge uitspraak in kort geding van 4 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de vordering van de vader dat hij bovengenoemde beschikking ten uitvoer mag leggen, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie, afgewezen.

4.De omvang van het geschil in de incidenten

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank als (voorlopige) zorgregeling bepaald dat:
- na de zomervakantie 2025 de vader [minderjarige] op woensdagen en zondagen om 9.30 uur bij de moeder ophaalt en hem om 19.00 uur aldaar weer terugbrengt;
- vanaf 1 oktober 2025 de vader [minderjarige] op woensdagen bij de moeder ophaalt om 9.30 uur en hem om 19.00 uur aldaar weer terugbrengt en dat de vader [minderjarige] op zondagen om 9.00 uur ophaalt en op maandagen om 9.30 weer terugbrengt hij de moeder;
- vanaf 1 januari 2026 de vader [minderjarige] op woensdagen om 9.00 uur bij de moeder ophaalt en op de donderdagen om 9.30 uur weer terugbrengt bij de moeder. Op zondagen haalt de vader [minderjarige] op om 9.00 uur en brengt hem op maandagen om 9.30 weer terug bij de moeder.
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissing ten aanzien van de (definitieve) zorgregeling, waaronder de vakantieregeling en het inzetten van de sterke arm bij het uitvoeren van de beschikking, is tot 21 oktober 2025 pro forma aangehouden.
4.2
De moeder verzoekt - naar het hof begrijpt - voor de duur van de procedure in hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen, ten aanzien van de overnachtingen van [minderjarige] bij de vader.
4.3
De vader verzoekt het schorsingsverzoek af te wijzen en daarnaast de moeder te bevelen de bestreden beschikking onverkort na te leven. Hij verzoekt dat bevel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en, primair, te bepalen dat dit zo nodig kan worden geëffectueerd met behulp van de sterke arm van justitie en politie. Subsidiair verzoekt de vader aan de moeder een dwangsom van € 250,- per keer op te leggen, met een maximum van € 5.000,-, voor iedere keer dat zij de uitvoering van de zorgregeling frustreert, kosten rechtens.

5.Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op de incidentele verzoeken. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Dat is in deze procedure niet in geschil tussen partijen, zodat ook het hof dat zal doen.
Het verzoek tot schorsing
De standpunten
5.2
De moeder voert aan het oneens te zijn met de bestreden beschikking door de uitbreiding van de zorgregeling met overnachtingen bij de vader. Door de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] en het nog in te zetten hulpverleningstraject om de communicatie en de slechte relatie tussen de ouders te verbeteren, kan er nog geen sprake zijn van overnachtingen. Dit hulpverleningstraject is noodzakelijk voordat de zorgregeling kan worden uitgebreid. Daarnaast wijst de moeder erop dat er in de woning van de vader geen eigen slaapkamer voor [minderjarige] beschikbaar is. Tot slot voert zij aan dat de rechtbank tijdens de zitting van 18 april 2025 nog van mening was dat gezien de zeer jeugdige leeftijd er nog geen sprake kon zijn van overnachting van [minderjarige] bij de man.
5.3
De vader voert verweer. Sinds 1 oktober 2025 weigert de moeder uitvoering te geven aan de overnachtingsregeling in de bestreden beschikking, ondanks het feit dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De vader wijst erop dat partijen zijn doorverwezen naar het traject Ouderschap Blijft, maar dat dit traject nog niet is gestart vanwege een wachtlijst. Dit vormt echter geen belemmering voor de uitvoering van de beschikking, aangezien de rechtbank de opbouw in de voorlopige zorgregeling niet afhankelijk heeft gesteld van de start van het traject. De vastgestelde overnachtingen bij de vader moeten onverkort doorgaan.
5.4
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de raad het hof geadviseerd het verzoek van de moeder om de werking van de beschikking te schorsen, af te wijzen. Volgens de raad is de bestreden beschikking een logisch vervolg op de eerder vastgestelde zorgregeling van de voorzieningenrechter. De raad is van mening dat het juist belangrijk is dat [minderjarige] van jongs af aan gewend raakt aan de thuissituatie bij beide ouders, inclusief overnachting.
Wat betreft de inzet van de sterke arm, is de raad van mening dat dit voor kinderen een ingrijpende maatregel is en dat een kind daaraan in beginsel niet blootgesteld zou moeten worden.
Wettelijk kader
5.5
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de vader de beschikking mag uitvoeren ondanks het hoger beroep van de moeder. Het hof kan op grond van artikel 360 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toch beslissen dat de beschikking niet mag worden uitgevoerd zolang het hoger beroep loopt. De Hoge Raad heeft daarvoor maatstaven uiteengezet (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
5.6
Omdat de rechtbank haar beslissing om de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet heeft gemotiveerd, geldt als maatstaf kort gezegd dat het hof de belangen van beide partijen en (in dit geval ook) de minderjarige bij het al dan niet direct uitvoeren van de beschikking tegen elkaar moet afwegen. Het hof moet daarbij uitgaan van de overwegingen en beslissingen in de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft hierbij buiten beschouwing. Maar als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Oordeel van het hof
5.7
Voor de afweging van de belangen van partijen in deze zaak is het uitgangspunt dat conform de bestreden beschikking [minderjarige] bij de vader overnacht met ingang van 1 oktober 2025 en dat de ouders dat uitvoeren. Afwijken daarvan kan als het belang bij behoud van de eerder geldende zorgregeling, dus zonder overnachting bij de vader (zolang het hof nog niet heeft beslist op het hoger beroep van de moeder) zwaarder weegt dan het belang bij het uitvoeren van de beschikking, dus dat [minderjarige] vanaf 1 oktober 2025 bij de vader zal overnachten.
De rechtbank heeft aan haar beslissing om [minderjarige] bij de vader te laten overnachten ten grondslag gelegd dat voor het opbouwen van een duurzame band het in belang van [minderjarige] is dat hij zijn vader en zijn halfbroers op regelmatige basis en voor een langere duur ziet. Voor een overnachting bij de vader heeft de rechtbank geen contra-indicaties gezien en ook de moeder staat er volgens de bestreden beschikking voor open dat (op termijn) toegewerkt wordt naar een overnachting bij de vader. Al deze overwegingen van de rechtbank strekken het hof bij de beoordeling van dit schorsingsverzoek tot uitgangspunt. Dat de rechtbank op de zitting van 18 april 2025 een andere mening was toegedaan, maakt dat niet anders, omdat dat niet betekent dat de bestreden beschikking een kennelijke misslag bevat. Het hof ziet net als de rechtbank op dit moment geen belemmering van betekenis voor een overnachting van [minderjarige] bij de vader. Ondanks de bezorgdheid van de moeder dat [minderjarige] te jong zou zijn voor een overnachting en hij bij de vader geen eigen slaapplek heeft, is niet gebleken dat de vader het belang van [minderjarige] niet op een verantwoorde wijze behartigt. Ook de communicatieproblemen tussen de ouders staan op zichzelf niet in de weg aan overnachtingen. Het hof is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de situatie blijft zoals de rechtbank heeft bepaald, totdat in de hoofdzaak nader wordt beslist.
5.8
Dit alles leidt tot de conclusie dat het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking wordt afgewezen. Het afwijzen van het verzoek tot schorsing betekent dat [minderjarige] bij zijn vader overnacht zoals de rechtbank heeft beslist, totdat het hof eventueel anders beslist in de hoofdzaak.
Bevel nakoming
5.9
De vader heeft verzocht om, kennelijk bij wege van voorlopige voorziening, de moeder te bevelen tot nakoming van de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling met overnachtingen, met daarbij de door hem verzochte dwangmiddelen. De moeder voert verweer.
5.1
Het hof is van oordeel dat de vader geen belang heeft bij zijn verzoek tot nakoming, omdat de bestreden beschikking al (uitvoerbaar bij voorraad) een executoriale titel oplevert en de moeder verplicht tot nakoming daarvan. Dit verzoek wordt dus afgewezen.
Daarnaast ziet het hof op dit moment geen aanleiding om (op de voet van artikel 812 lid 2 Rv) te bepalen dat de beschikking ten uitvoer kan worden gelegd met behulp van de sterke arm, zoals de vader verzoekt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking besloten om de beslissing op dit verzoek aan te houden. Ook die beslissing strekt het hof in dit incident in beginsel tot uitgangspunt, te meer daar de vader in de hoofdzaak geen grief daartegen heeft ingediend. Bovendien zou inzet van de politie het komende hulpverleningstraject te zeer kunnen belasten en is het hof het eens met de raad dat een dergelijke inzet voor [minderjarige] zeer ingrijpend zal zijn. Het hof wijst ook dit verzoek dus af. Daarnaast ziet het hof onvoldoende aanleiding om aan de moeder een dwangsom op te leggen voor elke keer dat zij de zorgregeling niet uitvoert. Ook dat zou een te zware wissel trekken op het komende hulpverleningstraject.
5.11
De verzoeken van de vader zullen dus worden afgewezen. Voor een kostenveroordeling in de incidenten ziet het hof onvoldoende aanleiding.

6.Beslissing

Het hof:
In de zaak met zaaknummer 200.358.973/02:
wijst het incidentele verzoek tot schorsing van de moeder af;
wijst de incidentele verzoeken van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. M. Groenleer, bijgestaan door mr. T.L. Prins als griffier, en is op 16 december 2025 uitgesproken in het openbaar door de voorzitter.